De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

7. Scholen voor gelovigen en werkende kinderen

In 1911 kende Enschede acht bijzondere scholen voor lager onderwijs: rooms-katholieke en christelijke scholen en een school voor werkende kinderen, de Fabrieksschool.
    Het katholiek lager onderwijs begon in het Larinksticht. Gerardus Larink was de naamgever van dit klooster aan de Noorderhagen. Hij behoorde misschien niet tot de hoogste elite in de Enschedese samenleving – dat waren de fabrikanten en de notabelen van de stad – maar hij was wel een man in bonis, die zijn invloed in het textielstadje deed gelden. In 1852 schreef Larink zijn testament en toen dat na zijn overlijden in 1867 werd geopend, waren vele stadgenoten hoogst verbaasd over de omvang van zijn nalatenschap. In zijn laatste wilsbeschikking stond:

Ik stel en benoem tot mijn enige erfgenaam de Roomsch Catholijke gemeente in Enschede, teneinde mijne nalatenschap zoveel mogelijk te doen strekken als bijdrage tot daarstelling van het een of ander liefdadig gesticht.

De congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort begon in 1869 in het nieuwe klooster een bewaarschool voor kleuters en kort daarna een naaischool voor hun moeders. De komst van zuster Thimothée betekende het begin van het  katholiek lager onderwijs voor meisjes. In de jaren daarna moesten telkens nieuwe lokalen worden bijgebouwd, die uiteindelijk in 1882 de latere Antoniusschool vormden.
    Het Larinksticht leidde meisjes op. Er moest ook een katholieke jongensschool komen. Dat werd de eerste jongensschool in Twente, de Sint Lambertusschool, aan de toenmalige Haverstraat, op de plek waar nu het gebouw Concordia staat. Winkelier Lambertus A.J. Nieuwenhuis had de oprichting van deze school mogelijk gemaakt. Dit schooltje heeft een belangrijke plek gekregen in de sociale geschiedenis van ons land, want hier, in het schooltje van Meester Piet Schilling, richtte kapelaan Alphons Ariëns op 3 november 1889 de R.-K. Arbeidersvereeniging Sint Joseph op en legde zo de basis voor de katholieke vakbeweging in Nederland. Het schooltje aan de Oude Markt kreeg een grote toeloop te verwerken, maar uitbreiden op deze plaats in het stadshart was niet mogelijk. Aan de Molenstraat werd bij de Sint Jozefkerk een nieuwe school gebouwd, die later de naam Koopschool kreeg, genoemd naar het schoolhoofd.

Christelijke school

Nadat in 1869 de Christelijk Gereformeerde Kerk werd gesticht, was het onderwijs een voortdurende bron van zorg. Veel kinderen van Hervormde ouders gingen naar school in ‘het gesticht der Roomscatholyken met name het Klooster, wat niet anders dan nadeelig werkte op onze Hervormde Gemeente’. In het Larinksticht werden namelijk protestantse, joodse en katholieke kinderen toegelaten. Het onderwijs in Bijbelse geschiedenis was gelijk voor iedereen. Maar de orthodox-hervormden waren voorstanders van onderwijs ‘in echt Christelijken geest’. De weg bleek lang en vol hobbels. Twee jaar later zag een dominee ‘voor het eerst nog geen licht’, hoewel ‘het ook zijn innige begeerte was zulk een school hier te zien’. Maar er doemden mogelijkheden op. In 1880 leek een oplossing op komst, lezen we in het boek Doen onderwijzen, over honderd jaar Gereformeerde Schoolvereniging Enschede:

.... dusdoende de gelegenheid geopent zien te krijgen in ons midden ook een begin te maken met de oprigting van zulk een school, na veel sprekens en hooren hierover werd algemeen goed gevonden het te aanvaarden vooral ook op grond van het doel van de vereeniging werd aan het hoofdbestuur [...] opgedragen het belang in dezen bijzonder te behartigen.

Het bleek dat zowel Hervormden als Christelijk Gereformeerden belang hadden bij het oprichten van een christelijke school in Enschede. In het voorjaar van 1885 werden knopen doorgehakt. Ook omdat er ruim duizend gulden in een fonds zat, viel het besluit een vereniging op te richten en een school te stichten. Het werd de Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met den Bijbel in Enschede en Lonneker. De grondslag van de vereniging was (WAREN?):

De onveranderlijke waarheden door Gods Woord geopenbaard en in de formulieren van eenheid der Gereformeerde Kerken in de Nederlanden uitgedrukt.

De vereniging kocht in de zomer van 1889 voor ƒ 2.600,- de tuin van Baurichter, groot negen aren en 49 centiaren, 949 vierkante meter dus. Het grondperceel lag tussen de Diezerstraat, de Zuiderhagen en het toenmalige H.J. van Heekplein, op een plek waarnaast later de Hermesflat werd gebouwd. De belangstelling voor de school was verrassend groot. Er werden 53 kinderen aangemeld. Er werd een school gebouwd met twee lokalen. Op 17 februari 1897 was het feest, de school was klaar en kon worden geopend. De voorzitter van de vereniging ds. M. Schuurman benadrukte in zijn openingswoord dat ‘het Gods trouw is tegenover menselijke ontrouw en zwakheid dat de opening van deze christelijke school mag plaatsvinden’. Naar goed Enschedees gebruik werd de bijeenkomst besloten met een glas wijn en een sigaar. De ouders en de kinderen werden de volgende dag getrakteerd op een kop chocolademelk, krentenbroodjes en koek.

 

Het Larinksticht anno nu.

 

Catechiseermeester voor iedereen

De Onderwijswet uit 1806 maakte geen onderscheid tussen de diverse geloofsrichtingen. Het onderwijs was openbaar en richtte zich op de ontwikkeling van alle maatschappelijke en christelijke deugden. Orthodox christelijk of katholiek onderwijs was onmogelijk. Op alle scholen werd een christendom voorgestaan los van welke geloofsrichting dan ook, maar het was voor die tijd wel sterk liberaal-vrijzinnig georiënteerd. Bij het begin en aan het einde van de lessen bad en dankte de schoolmeester met luide stem. In de hogere klassen kregen de kinderen lessen in Bijbelse geschiedenis, niet van een dominee, maar van de schoolmeester, aan wie de taken van de ‘catechiseermeester’ waren toegewezen. De schoolmeester moest elke zondag ter kerke gaan om ‘zich bekwaam te maken in het Catechiseeren, daar alsdan na de prediking van den Heidelbergschen Catechismus het catechiseeren van bejaarde personen plaatsgreep’. En zo leerde de schoolmeester hoe hij op school godsdienstonderwijs moest geven aan de jeugd.

In beginsel was toen het oprichten van kerkelijk gebonden scholen of van scholen met een duidelijk orthodox-christelijke visie of katholieke visie niet toegestaan. Dat hiertegen weerstand groeide was te verwachten. Johan Rudolph Thorbecke legde in 1848 dan ook in de Grondwet het volgende vast: ‘Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het één en ander door de wet te regelen.’

Uiteindelijk mondde de schoolstrijd uit een stelsel van onderwijsvoorzieningen waarbij onderscheid werd gemaakt tussen openbare en bijzondere scholen. De openbare scholen vielen onder verantwoordelijkheid van het openbare bestuur, gemeenten en rijk dus, en de bijzondere scholen onder verantwoordelijkheid van schoolbesturen die waren samengesteld uit ouders van de leerlingen.


Fabriekskinderen
Een bijzondere school was ook de Fabrieksschool. In de jaren zestig van de negentiende eeuw, toen de industrialisatie van de textielnijverheid in volle gang was en er steeds meer kinderen in de fabrieken werkten, groeiden er ideeën over onderwijs aan werkende kinderen. De fabrikanten trokken zich het lot van de fabriekskinderen aan. Daarom werd op 17 oktober 1866 de Fabrieksschool opgericht, die een jaar later van start ging in lokalen van de beide Stadsscholen, de Kerkhofschool en School Achter ’t Hofje. Ook huurde de gemeente een ruimte in een voormalige kam- en rietmakerij aan de Oldenzaalsestraat. De leerlingen kregen vier dagen in de week les, in de zomer ’s morgens van zeven uur tot half negen, in de wintermaanden van acht tot half negen. Het doel van de opleiding was ‘het doen geven van gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs aan kinderen, die in de fabrieken werkzaam zijn’. Van nieuwe kinderen werd verwacht dat ze konden lezen en schrijven, en ook wat konden rekenen. Hiervoor moest de onderwijzer van de lagere school de eerste jaren – tot 1873 – een verklaring afleggen. Daarna dienden de aanstaande leerlingen een soort toelatingsexamen af te leggen. Vereist was dat de kinderen een les uit ‘Vader Jacob’ goed konden lezen, dat ze zonder grove fouten een eenvoudig dictee konden maken en dat het optellen, aftrekken en vermenigvuldigen van hele getallen geen problemen opleverde. Kinderen van tien tot veertien jaar die in de fabrieken werkten, waren verplicht de school te bezoeken. In 1871 werd het noodzakelijk geacht dat er een ‘doelmatiger schoollokaal’ wordt gebouwd. In juni 1872 kocht de vereniging een geschikt terrein aan de Noorderhagen, de tuin van de heer H. Fikkert. Het gebouw werd op 16 november 1872 geopend. Het bestond uit twee ruime lokalen, met plaats voor 144 leerlingen.
    In 1869 besloot de vereniging een naai- en breischool voor de meisjes op te richten, die werd bestuurd door een comité van echtgenotes van Enschedese fabrikanten. Pas in 1888 werd dit onderwijs verplicht gesteld, aanvankelijk alleen voor de meisjes van de eerste en tweede klas. Bij het vijftigjarige bestaan van de Fabrieksschool kon worden vastgesteld: ‘Deze naai- en breischool heeft steeds voorzien in eene gevoelde behoefte en zeer velen hebben voor hun later leven van dit onderwijs geprofiteerd.’





deValkenberg.nl