De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

Nieuwe fabrieken een zegen voor de arbeiders

Het was warm in Enschede, op 1 mei 1862. Er was feest. Koning Willem III kwam op bezoek. Het stadje was uitbundig versierd met groen en vlaggen. Straten waren herschapen in erebogen. De ellendige krotwoningen van de arme arbeiders en vervallen gevels waren verborgen achter overdadig voorjaarsgroen en dennentakken.

Willem III mocht het gemeentebestuur drie belangrijke besluiten meedelen. De stad kreeg een spoorverbinding met een station. En een telegraafkantoor. En de Twentsche Industrie- en Handelsschool werd in Enschede gevestigd. Niet in Almelo of Oldenzaal, dvie ook hadden meegedongen. Enschede had snel gehandeld, wilde de hoogste jaarlijkse subsidie betalen en bood direct een stuk grond aan, heel toepasselijk, op één van de Enschedese stadsbleken, de Krabbenbeek, die speciaal was ingericht voor het bleken van garens.

De hele stad was uitgelopen. Fabrieksarbeiders, huismoeders en leeglopers waren bij het stadhuis verzameld. Maar niet iedereen was blij. Wat hebben arbeiders aan een school voor fabrikantenzoontjes? Wat moeten ze met een spoorlijn? Geld voor een treinkaartje hadden ze niet. Telefoneren en telegraferen deden ze nooit. ‘Er is geen werk, en geen brood’, riep iemand in de menigte, een ontevreden textielarbeider. ‘Geef mij maar wat te bikken en houden jullie je koning maar’, schreeuwde een nors kijkende man. ‘Eten is meer waard dan een koning’, stemde een ander in. Hatelijk schreeuwde iemand: ‘De deftigheid gaat vanavond wel dansen en drinken, maar wat hebben wij daaraan?’ Johan Buursink schreef daarover:

 

Roerloos staan de mensen, die vanmiddag vrij hebben van de fabrieken, en de huismoeders die haar keuken in de steek hebben gelaten, en de mannen die maar nooit werk kunnen

vinden en die niet weten hoe ze van de ene dag in de andere moeten leven. [...] Zij zijn de armen, het straatvolk, het gepeupel van Enschede.

Maar het bleef bij roepen. De mannen van de Schutterij hielden nieuwsgierigen en ontevredenen op veilige afstand. ‘Leve de koning’, riep het volk. In de raadzaal dankte het gemeenteraadslid mr. B.W. Blijdenstein de koning, voor de ‘voor deze gemeente zoo gewichtige besluiten’, die iedere Enschedeër ‘met vreugde en hoopvolle verwachting voor de toekomst hebben vervuld’. Begeleid door de gemeenteraad maakte Willem III een rijtoer door het stadje. Het was een bijzondere dag, want voor het eerst morden de arbeiders openlijk. Ze waren ontevreden, over hun lage lonen, de lange werkdagen, de hitte, de stank en het lawaai in de fabriekshallen.

De verpieterde guirlandes hingen nog troosteloos langs de straten, toen een felle brand op woensdag 7 mei 1862 de binnenstad van Enschede verwoestte. De brand was ontstaan in de noodwoning van textielarbeider Lodewijk van Voorst, in een houten schuur achter het huis van Albert Gerard Wilmink, aan het einde van de Alstätsestraat, die later Kalanderstraat heette. Van Voorst verdiende te weinig om een huis te huren in de arbeidersbuurt De Krim. In zijn schuur had hij zelf een schoorsteen gemaakt. Turf om zijn noodwoning te verwarmen kon hij niet kopen. Hij stookte hout dat hij links en rechts in de stad bijeen sprokkelde. Het bezoek van Willem III bood Van Voorst alle gelegenheid zijn houtvoorraad aan te vullen met het groen van de versieringen. Hij nam de takken mee naar huis en legde ze naast het fornuis. Toen zijn vrouw het vuur wilde aanmaken, sprong een vonk over op het kurkdroge dennengroen en in een oogwenk stond de hele schuur in brand. Het vuur, aangewakkerd door de harde wind, verspreidde zich razendsnel door de stad. Bij de brand gingen onder meer vijf textielfabrieken in vlammen op. Het waren niet de belangrijkste bedrijven in de stad.


Een Frans tijdschrift publiceert na de stadsbrand deze tekening van Enschede. De tekenaar staat bij het toenmalige hotel De Gouden Klomp, op de hoek van de Oldenzaalsestraat en de Langestraat. Links is de ruïne van de Eschpoort te zien. In het midden staat een deel van de gevel van de Sint Jacobuskerk nog overeind. Rechts de al van zijn toren beroofde Grote Kerk. Rechts op de voorgrond een restant van het verwoeste hotel.

Een welkome zegen?           

Toen Wilhelm Loos, die als landmeter had gewerkt in De Rutbeek, enkele jaren later Enschede bezocht, verwonderde hij zich niet alleen over de prachtig herbouwde fabrikantenvilla’s, maar vooral over de fabrieken en de voorspoedige ontwikkeling van de textielindustrie. De gevolgen van de brand voor de plaatselijke textielindustrie waren meegevallen. De getroffen bedrijven waren goed verzekerd. Verzekeringsmaatschappijen droegen dus hun steentje bij aan de herbouw van Enschede. Maar had de textielindustrie door de stadsbrand zware, onherstelbare klappen opgelopen? Was de brand niet eerder een welkome zegen geweest? Stadsgeschiedschrijver A. Benthem Gz. meende dat de industrie een slag was toegebracht ‘die aanvankelijk scheen haar geheel te zullen vernietigen’, maar in de toekomst ‘de meest gezegende gevolgen’ had gehad. Want:

 

Onze stad herrees schooner dan te voren en in plaats der oude fabrieken verrezen met de nieuwste verbeterde machines, die onzen industriëelen in staat stelden de mededinging met de beste Engelse fabrieken vol te houden.

Diverse geschiedschrijvers waren het met hem eens: de brand was een zegen voor de textielindustrie. Anderen vonden het overdreven in zulke termen te spreken. A. Boot en J.A.P.G. Blonk, twee betrouwbare geschiedschrijvers, hebben hun twijfels. Veel auteurs volgden té klakkeloos en té kritiekloos de enigszins chauvinistische Benthem. Blonk constateert dat de brand de nieuwe bedrijven in de stad had gespaard, ‘terwijl de handspinnerij in de stad reeds stervende was’. Het waren eerder de komst van de trein (1866) en de afschaffing van de accijns op brandstoffen (1864) geweest, die nieuwe prikkels gaven aan de ontwikkeling van de textielindustrie. Toen in 1865 de Amerika Burgeroorlog (1865) voorbij was, kon Amerika weer ruwe katoen leveren, ‘waarvan men een nieuwe krachtsinspanning der Engelsche industrie verwachtte’, die de concurrentie tussen Twente en Lancashire zou verhevigen.

Boot meent dat de brand de ‘regelmatige uitbreiding der nijverheid’ in Enschede niet heeft belemmerd. Van de zes tussen 1850 en 1857 gestichte stoomspinnerijen was er maar één overgebleven, ‘toevallig één der modernste fabrieken […]. Het verbranden van de spinnerijen betekende niet een groot verlies. De meeste eigenaren waren goed verzekerd en konden de uitgekeerde schadevergoedingen gebruiken bij de opbouw van meer moderne fabrieken.’ In 1962, honderd jaar na de brand, schreef Boot in Tubantia, dat het de arbeiders waren, die baat hadden bij de brand.


Nieuwsgierig lopen Enschedese burgers de dag na de brand door de vrijwel geheel afgebrande binnenstad. Van het huis van de familie Blijdenstein aan de Langestraat is slechts de zwaar beschadigde gevel overeind gebleven. In het midden de twee zuilen van de Eschpoort.

 

Van de bedompte oude werkplaatsen gaan ze over naar de dan nieuwe fabrieken […] volgens de nieuwste begrippen gebouwd, en veel ruimer en minder ongezond dan wat verloren ging.

Na de katoencrisis beleefden de Twentse fabrikanten in 1866 een topjaar. Over de winsten waren de meeste ondernemers zeer te spreken. Soms moesten ze zelfs bij gebrek aan arbeiders de lonen verhogen. Niemand had dan ook gerekend op de sterke terugval in het volgende jaar. In 1867 beleefde de katoenindustrie een triest dieptepunt. Het gemiddelde winstpercentage daalde tot twaalf, hetgeen laag was in vergelijking met voorgaande jaren, toen de score wel eens opliep tot ruim dertig procent. Enschede telde op dat moment ongeveer zesduizend arbeiders, die weinig reden hadden ontevreden te zijn. Over het algemeen waren de lonen in Enschede hoog, de hoogste in Twente, want omdat de fabrikanten gebrek hadden aan arbeiders, betaalden ze goed. Een man verdiende in een spinnerij tussen tien en twaalf gulden in een week, een vrouw tussen zes gulden en f 9,50 en kinderen tussen f 2,70 en vier gulden. De lonen in de spinnerijen lagen hoger dan in de weverijen waar een man een weekloon kreeg van f 4.50 tot een tientje; vrouwen verdienden vier tot negen gulden, kinderen tussen twee gulden en f 4,50.    

Arbeiders niet tevreden

Toch waren de arbeiders, zo bleek in 1866, niet tevreden. Ze hadden gezien dat de fabrikanten na de brand grote, luxueuze villa’s voor zichzelf hadden gebouwd en alom in de stad kwamen nieuwe fabrieken. Ze trokken hun conclusie: de Heeren verdienen veel geld als ze zich dit allemaal kunnen veroorloven. Waarom mogen wij dan niet meer in ons loonzakje krijgen? Hoewel Nederland nog steeds een stakingsverbod had, besloten werknemers van ‘een katoenspinnerij’ in staking. Welk van de elf Enschedese stoomspinnerijen het was, is tot op de dag van vandaag niet bekend. Ook is er nooit een letter gemeld over de afloop. Hebben de arbeiders meer loon gekregen? Of hebben de fabrikanten gewonnen? De Enschedesche Courant van 25 april 1866 besteedde maar enkele regels aan de staking.


Enschede, 24 April. In eene spinnerij alhier hebben heen de arbeiders hun werk gestaakt, om reden zij in het voorstel der fabrijkanten om voor verminderd loon te werken, geen genoegen wilden nemen.

De courant heeft niets gemeld over het einde van het loongeschil. ‘Hoe eerder een geschil, dat aan gevreesde buitenlandsche voorbeelden deed denken, vergeten was, des te beter’, meesmuilde jaren later een geschiedschrijver.

Om aan deze staking het kaartje ‘begin van de sociale strijd’ te hangen, lijkt wat overdreven. In de eerste helft van de jaren zestig hadden arbeiders nog geen stem. Ze waren eenlingen in hun strijd tegen het kapitalisme en mopperden wat als de koning in de stad kwam. De economische ontwikkeling van de regio lieten ze ‘in vrijwel volkomen lijdelijkheid’ over zich heen gaan. De arbeidersklasse, voortgekomen uit een plattelandsbevolking die weinig gewend was en een zeer geringe ontwikkeling bezat, was tevreden. De fabrikanten konden werken met goedkope arbeidskrachten, een gegeven dat de kracht was van de Twentse textielnijverheid. Voor arbeidsvoorwaarden, werktijden, kinderarbeid en woningtoestanden hadden ze geen interesse. Maar in de tweede helft van jaren zestig is er een ommekeer te bespeuren. ‘Het besef te behooren tot een machtelooze groep, doet het verlangen afnemen, mede te werken tot het handhaven der bestaande maatschappelijke instellingen’, schreef de Duitse socioloog Leopold von Wiese in 1929.

 Gekrenkt in hun trots

De eerste grote staking, waarbij arbeiders weliswaar nog niet massaal maar wel in grote getale de strijd met de kapitalistische ondernemers aanbonden, brak uit in 1867, het jaar daarna. Voor het eerst beleefde Enschede een arbeidersopstand. De sociale strijd in Enschede was van start gegaan, de strijd tussen de kapitalisten en de arbeiders. Aanleiding was het plan van fabrikanten, onder aanvoering van Gerrit Jan van Heek van Van Heek & Co., voor een zieken- en begrafenisfonds.

De bedoeling was dat leden wekelijks een kleine contributie afdroegen voor het fonds, dat de arbeiders van de deelnemende fabrieken in Enschede en Lonneker vrijwaarde van loonderving bij ziekte en ongeval, want ze kregen hun loon doorbetaald. De arbeiders kwamen in verzet. Ze moesten meebetalen en dat wilden ze niet, want ze konden het geld niet missen en het beter besteden dan aan de ziekenkas geven. Vooral ook voelden ze zich gekrenkt in hun trots, want bij ziekte konden ze zelf wel voor hun gezin zorgen, dat hadden en ze immers altijd gedaan.

De fabrikanten voerden aan dat de lonen in Enschede hoog waren door het tekort aan arbeiders, die genoeg verdienden om een bijdrage voor het fonds af te staan. Het was vooral de gedwongen deelneming, die hen tegenstond. Onrechtvaardig vonden ze het ook dat iemand die niet meedeed, de kans liep ontslagen te worden en bij andere fabrikanten niet meer aan het werk kon. De fabrikanten hielden voet bij stuk. Op vrijdag 13 september 1867 barstte de bom. Arbeiders gooiden de ruiten van de Groote Sociëteit in en ook werden woningen van fabrikanten met stenen bekogeld. Burgemeester W.C.T van Nahuys trad hard op en liet een detachement cavalerie van de Blauwe Huzaren uit Deventer komen om de orde herstellen. Het verzet luwde, de opstand ging voorbij. Op 1 oktober 1867 startte het Ziekenfonds voor Enschede en Lonneker met 1.517 leden.

De werkelijke reden voor de verplichting die de arbeiders kregen opgelegd, werd overigens pas in 1892 bekend gemaakt, bij het vijfentwintigjarige bestaan van het Zieken- en Pensioenfonds voor Enschede en Lonneker. Bram Ledeboer, firmant van Van Heek & Co., herinnerde de aanwezigen aan de relletjes. De oorzaak was dat de deelneming van arbeiders verplicht was gesteld om geld te krijgen voor het aanstellen van een dokter en een directeur.

Wat de arbeiders op 13 september 1867 deden, was niet goed te praten, vond hij en benadrukte nog eens dat de fabrikanten het ziekenfonds niet uit eigenbelang hadden opgericht. Het was vooral ‘voor het belang hunner arbeiders, dat hen aldus had laten handelen’. Spreker gaf wel ‘een woord van waarschuwende herinnering’ mee voor arbeiders en fabrikanten, om alles wat in ’t belang van de nijverheid geschiedt wel te wikken en te wegen met elkander. De nijverheid geeft zoowel het brood aan den een als aan den ander en beiden kunnen ze niet missen’.

In 1867 was in Enschede de sociale strijd van start gegaan, die een eeuw lang zou duren, tot 1967 toen de poorten van de grootste textielfabrieken in Enschede voorgoed dicht gingen. De troebelen in de Twentse textiel waren voorbij, de herinneringen bleven.





deValkenberg.nl