De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

debleeck

Villa De Bleeck


Foto Henk Krooshof, Haaksbergen

 

Villa de Bleeck in Haaksbergen, bakermat van D. Jordaan & Zonen

In 1836 nam Derk Jordaan (1781-1876), zoon van de stichter van het bedrijf Jan Jordaan (1740-1810),een belangrijke beslissing. Jarenlang had hij als fabriqueur – in het textielwereldje de voorganger van de latere fabrikant die vooral handelde in linnengoederen die boeren thuis weefden – gebruik gemaakt van de natuurbleek Honesch, waarvoor zijn vader Jan en vijf collega’s in 1777 een voorkeursrecht voor twaalf jaar hadden verworven. Dat betekende dat zij voorrang kregen om te bleken, want de bleek was ook bedoeld voor markegenoten. Op deze bleek werden de linnen stukgoederen, uitgespannen en nat gehouden met de ‘gieteklomp’, door het zonlicht gebleekt. Maar Derk Jordaan wilde meer bleekcapaciteit in eigen beheer en daarom kocht hij samen met enige collega’s de bleek van de marke Haaksbergen en Honesch. De dorpsbleek paste uitstekend in Derks plannen, want hij en zijn medekopers hadden nu de volledige zeggenschap over de bleek. Twaalf jaar later, in 1850, kreeg de familie Jordaan een royaal deel van de bleek ook in haar bezit, toen Derks zoon Hendrik (1820-1912) de aandelen van zijn schoonvader erfde. Toen Derks andere zoon Willem Hendrik (1828-1902) in 1854 het laatste deel kocht, bezat de familie de gehele markebleek die in het dorp dan ook al snel de Jordaans Bleek heette. Zo was er ruimte gecreëerd voor de verdere ontwikkeling van het bedrijf.
Derk Jordaan was in die jaren de grootste fabriqueur van het dorp. Maar hoe succesvol Derk Jordaan en zijn collega-fabriqueurs in Haaksbergen en Neede ook waren, ze hadden tot nu toe de ogen gesloten gehouden voor de belangrijkste ontwikkeling in de textielgeschiedenis van Twente: de komst van de stoommachine, eerst in de spinnerijen en niet lang daarna in de weverijen. In Almelo had de firma Hofkes & Co. in 1830 de eerste door stoom gedreven katoenspinnerij opgericht, waar tienduizend spillen draaiden, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, zes dagen in de week. Maar niet iedere fabriqueur had een grenzeloos vertrouwen in de nieuwe ontwikkelingen. Tot de critici en de twijfelaars die weinig fiducie hadden in de moderne technologie behoorde Derk Jordaan. Maar hij had er langzamerhand schoon genoeg van steeds de thuiswerkers langs te gaan om te horen of ze nog wat konden doen voor hem, spinnen of weven, temeer daar Enschedese ondernemers de arbeidsmarkt in de omgeving afstroopten op zoek naar thuiswerkers. Derk kon daardoor zijn vaste afnemers steeds moeilijker op tijd leveren. Eigenlijk wilde hij niet langer afhankelijk zijn van thuiswevers.
Derks oudste zoon Jan (1816-1883), opgeleid als notaris, was directeur van ’n Groot’n Stoom, een door een groep Enschedese textielfabrikanten opgerichte spinnerij. Hij had de mogelijkheden van de stoommachine ontdekt. Na veel praten kon hij vader Derk en zijn broers Hendrik en Willem overtuigen van de voordelen van mechanische productie. Hij adviseerde hen een gebruikte stoomketel van Hofkes in Almelo over te nemen. De spinnerij van Hofkes had het door allerlei omstandigheden niet gered en was in 1855 failliet gegaan. In 1858 kochten de Jordaans de ketel, die een plek vond in één van de bleekhuisjes op de Jordaansbleek. De kleine ketel, van geslagen ijzer, diende ‘om lijnwaad te koken en te drogen’, waardoor het natuurlijke droogproces kon worden versneld. De schoorsteen was ruim twaalf meter hoog. Goeder gewoonte had het gemeentebestuur op een zondag van de kansels in alle kerken laten aflezen, dat wie het niet eens was met het plaatsen van de stoomketel, dat kon laten weten. Maar niemand had bezwaar gemaakt. De volksmond verhaalt dat toen Jordaan voor het eerst de stoomfluit liet horen, het hele dorp uitliep. Ook in Haaksbergen zou voortaan de fabrieksfluit – zoals overal elders in Oost-Nederland – op de zes werkdagen van de week bij het begin en einde van de werktijden zijn snerpende tonen door het dorp blazen, waarna de arbeiders op hun klompen naar de fabriek klosten.

Industrialisatie
Het waren de gebroeders G. & H. Salomonson in Nijverdal, die inzagen dat ook de Twentse fabrikanten zich moesten aanpassen aan de ontwikkelingen bij de vooruitstrevende concurrenten in het Engelse textielhart Lancashire, die al jaren met stoommachines werkten. Ze bouwden in 1851 in Nijverdal de eerste stoomweverij in Nederland. In augustus 1853 werden er de eerste mechanische weefgetouwen (power looms) in werking gesteld. Omdat Nederland geen deskundigheid had op het gebied van stoomweverijen, kwamen Engelse technici en instructeurs naar het Twentse dorp om de wevers te leren hoe ze de machines moesten bedienen. Andere fabrikanten in Twente volgden het voorbeeld van de twee broers in Nijverdal. Tussen 1854 en 1862 kreeg Enschede bijvoorbeeld zeven stoomweverijen. De stoom bleek het tovermiddel voor de toekomst van de textiel.
Was het stoomketeltje van Jordaan in 1859 het voorzichtige, nog wat afwachtende begin geweest van de mechanisatie in Haaksbergen, de tweede, veel belangrijkere stap volgde in 1861. Haaksbergen had toen, zo meldde de gemeente, één blekerij met een ‘stoomwerktuig’ en acht man personeel boven de achttien jaar die drie gulden in een week verdienden. Jordaan kon niet achterblijven bij de ontwikkelingen in de Oost-Nederlandse textiel. Jan Jordaan van ’n Groot’n Stoom drong bij vader Derk aan op verdere mechanisatie en adviseerde hem op stoomweven over te gaan. Derk en zijn zonen Hendrik en Willem Hendrik volgden Jans advies op en besloten in 1861 een stoomweverij op te richten, die in 1862 in werking kon worden gesteld.
Het leek een noodsprong, de enige mogelijkheid om het bedrijf te redden, want ook Jordaan & Zonen had het erg moeilijk in die jaren. Het bedrijf leed onder de zware concurrentie van ondernemers van buiten Haaksbergen, die bij thuiswevers in het dorp en in de buurschappen in loon lieten weven. Daardoor liep het aantal thuiswevers van Jordaan & Zonen terug en kon het bedrijf de aanbestedingsorders niet op tijd afleveren. Alleen een stoomweverij kon uitkomst brengen, omdat ze dan wevers in vaste dienst hadden en minder afhankelijk waren van thuiswevers. Concurrenten konden nu niet langer huiswevers bij Jordaan & Zonen weglokken. Met een stoomweverij kon de firma wevers in vaste dienst nemen. Een voordeel was ook dat de productie die een arbeider aan de power looms kon maken, groter was.
Op een perceel grond aan de Enschedesestraat bouwden de Jordaans hun stoomweverij met een toren van twintig meter hoog. Er draaiden vanaf 1862 64 mechanische weefgetouwen, waaraan bijna vijftig mensen werkten: zeventien mannen, vier vrouwen, dertien jongens en vijftien meisjes. De volwassenen verdienden 2,90 gulden in de week. De jongens beneden achttien jaar gingen zaterdags met 1,20 gulden naar huis. Jordaan had daarnaast nog 58 thuiswevers in dienst. Het was voor de Jordaans het begin van het industriële tijdperk, dat Derk Jordaan op zijn oude dag nog mocht meemaken. Omdat hij inmiddels tachtig jaar was, besloten hij en zijn echtgenote Berendina uit de firma te treden. Nieuwe deelgenoot werd hun jongste zoon F.J. (Frits) Jordaan (1835-1907), naast Hendrik en Willem. Op 14 april 1866 richtten de drie gebroeders een firma op onder de naam Firma D. Jordaan & Zonen. De firma hield zich vooral bezig met ‘het vervaardigen, bleeken, verven en verkopen van katoenen, linnen en andere goederen’, maar ook met ‘het uitoefenen van een kalkbranderij en een steenbakkerij en de verkoop van de vervaardigde kalk en steenen’.
Het bedrijf boekte al snel ongedachte resultaten. De verkoopcijfers, die de laatste jaren sterk waren gedaald, vertoonden een opgaande lijn. Een jaar na de opening moest Jordaan & Zonen al een nieuwe stoommachine van 16 pK plaatsen en groeide het aantal werknemers tot negentig. Op de Jordaansbleek
in Honesch kwam een stoomblekerij met een machine van 3 pK. In de langs de bleek stromende Buurserbeek werd een stuw gebouwd, die het water door een soort van kanaaltje dwong, dat dwars door de fabriek liep en waarop de wasmachine was geplaatst. Hier vonden vijftien man werk. Deze stoomblekerij moest in 1870 worden uitgebreid. De eerste stoomketel van Hofkes maakte plaats voor een nieuwe, die vier keer zo sterk was en 12 pK leverde. In 1873 werd een blauwververij in gebruik genomen. In Honesch bleekten en verfden dertig werklieden 900.000 meter linnen en katoenen manufacturen, ook in opdracht van andere ondernemers. In de fabriek van Jordaan & Zonen in het dorp stonden 150 weefgetouwen en acht spoel- en scheermachines, waar 158 werknemers 26.500 kilo linnen en katoenen garens verwerkten. Ze produceerden bijna 34.000 meter linnen goederen en 56.500 meter katoenen manufacturen.
In 1867 was de industrialisatie van de textielindustrie in Twente zo goed als voltooid. De meeste huiswevers sponnen en weefden niet langer thuis, maar tussen de vier muren van de fabriek. In december 1867 waren er in Twente naast achttien stoomspinnerijen die de moeilijke jaren hadden overleefd, 34 stoomweverijen: dertien in Enschede en Lonneker, zes in Almelo, twee in Goor, drie in Hengelo, twee in Oldenzaal, twee in Ootmarsum en diverse gemeenten hadden één weverij: naast Haaksbergen waren dat Borne, Delden, Hellendoorn, Vriezenveen en Wierden. Samen beschikten de fabrieken over 7.960 weefgetouwen, die werk boden aan 5.524 arbeiders. De getouwen hadden dat jaar bijna acht miljoen kilo gesponnen garen verbruikt.
De groei van de industrie betekende ook dat de inwonertallen stegen. Haaksbergen had op de laatste dag van 1859 4.710 inwoners en eind 1867 waren er 189 inwoners meer. De vier procent groei van Haaksbergen was klein vergeleken bij andere gemeenten. Goor bijvoorbeeld groeide met tien procent, Borne met ruim zes procent, Enschede met negentien procent en Lonneker, toen met tienduizend inwoners de grootste gemeente in Twente, haalde zestien procent. Een zesde deel van alle werkende Twentenaren verdiende zijn boterham in de textiel. Langzaam maar zeker begon het economisch
Katoen vervangt linnen
Geleidelijk aan legde de firma zich meer en meer toe op de verwerking van katoen. Daar waren diverse redenen voor: Jordaan & Zonen wilde gezien de veranderende vraag in de markt het productenpakket verbreden en in het spoor daarvan nieuwe markten aanboren. In 1876 hadden de katoenen manufacturen de linnen producten overvleugeld. Jordaan & Zonen beleefde jaren van ongekende groei. Vele keren moesten bedrijfsruimten worden vergroot. Het productenpakket groeide in omvang en variatie. Naast heellinnen, halflinnen en katoenen stukgoederen – geverfd en gebleekt – maakte de onderneming in de jaren negentig zakken en matraslinnen, kleermakerslinnen, linnen op gerstekorrel, oogjes- en luiergoed, diemet, marseille, kepers, potdoeken, huishoud- en handdoeken, badstofdoeken, tafel- en servetgoed in een grote verscheidenheid. Graslinnen bijvoorbeeld, bekend onder de naam IJzersterk werd in negen breedtes geleverd, wit halflinnen in liefst zeventien breedtes en achttien kwaliteiten. Tafelgoed, alleen in linnen of halflinnen, was er in bijna negentig patronen en in diverse maten.
Naast de weverij had Jordaan & Zonen ook een confectieafdeling die voornamelijk voor aanbestedingen werkte. Opdrachten kwamen binnen van de ministeries van Koloniën en van Marine, gevangenissen, ziekenhuizen en van het Centrale Magazijn van Militaire Kleding en uitrusting. Het productenprogramma bestond uit hemden, werkkielen, werkbroeken, bedzakken en haver- en poetszakken voor de bereden artillerie. Soms waren er zoveel opdrachten, dat collega-bedrijven in Almelo en het westen van het land moesten bijspringen om alle orders op tijd te kunnen leveren. Op de oudste bewaard gebleven debiteurenlijst, uit 1887, staan honderden namen, van wie er zeventig nog klant waren toen het bedrijf in 1956 het 175-jarige bestaansfeest vierde.
Een ‘drukte van belang’
Het bleek al snel na de oprichting van de vennootschap in 1866 dat  Willem de aanvoerder zou worden van het trio vennoten. Zijn zakelijk inzicht, financiële kennis en interesse, zijn vertrouwen in de nieuwe ontwikkelingen in de textielindustrie en zijn vooruitziende blik maakten hem tot de eerste textielfabrikant van Haaksbergen, als opvolger van de kooplieden grootvader Jan en vader Derk. Hij leerde snel de praktijk van het ondernemen en voorzag dat de komende ontwikkelingen in de Twentse textiel – de overgang van nijverheid naar industrie – ook voor Jordaan & Zonen consequenties zou hebben. Dat zou betekenen: uitbreiden, fabrieken bouwen en daarvoor was grond en water nodig. Daarom kocht hij in 1854 het laatste deel van de bleek in Honesch, zodat de familie nu de hele bleek bezat. Een ander belangrijk besluit dat in deze jaren vijftig werd genomen – vermoedelijk op advies van oudste broer Jan – was dat het bedrijf zich met aantrekkelijke producten zou blijven richten op de binnenlandse markt en zich niet zou mengen in de strijd tussen de exportwevers om de ‘katoentjes’ voor Nederlands-Indië.
Voor de ontwikkeling van de textielindustrie was het van doorslaggevend belang dat Twente betere verbindingen kreeg met het westen van het land en het nabije Duitse grensgebied. De infrastructuur van de regio liet alles te wensen over. De wegen naar andere delen van het land en richting Duitsland waren slecht, over water was geen vervoer mogelijk en spoorlijnen lieten deze landstreek nog links liggen. Daarom drongen Twentse textielfabrikanten al vanaf het midden van de negentiende eeuw in Den Haag herhaald sterk aan op een spoorverbinding met andere delen van het land en met het Ruhrgebiet, waar de kolen voor hun stoommachines werden gedolven. Een spoorlijn betekende voor de Twentse industrie niet alleen dat de streek werd open gelegd, maar ook – wat zeker zo belangrijk was – lagere steenkoolprijzen en een versneld vrachtverkeer naar diverse havens aan Rijn of IJssel.
Pas in 1866 leverde de Twentse lobby, die in de voorbije jaren in allerlei politieke en industriële kringen was gevoerd, succes op: de Oosterspoorlijn via Zutphen werd doorgetrokken naar Enschede. De grote steden in Twente waren nu per trein te bereiken. Maar ook omliggende textieldorpen als Haaksbergen en Neede en de Achterhoek hadden belang bij een spoorlijn. Ook Willem Jordaan spande zich in, want ook Haaksbergen had natuurlijk profijt van een spoorverbinding. Maar het duurde tot de herfst van 1884 eer Haaksbergen de eerste trein in Haaksbergen feestelijk mocht begroeten. Willem Jordaan vierde uitbundig feest, zoals hij Hendrik en Johanna in Blokzijl schreef. Op 11 januari 1899 kon Tubantia melden dat het vervoer ‘op den G.O. Lokaalspoorweg [...] thans zulk een hoogte heeft bereikt’ dat er vanaf 2 januari in Haaksbergen elke dag ‘langs het station alhier’ tien goederentreinen liepen. ‘Het is dan ook een drukte van belang.’

Vuurzee verwoest fabriek
Jordaan & Zonen beleefden goede jaren aan het eind van de twintigste eeuw. Het machinepark moest worden uitgebreid. In 1989 kocht de onderneming van Van Heek & Co in Enschede een weliswaar gebruikte, maar nog uitstekend functionerende stoommachine, die ze liefkozend Marie genoemd was. Op 4 mei 1898, terwijl jong en oud in Haaksbergen de traditionele meimarkt vierde, begon Marie haar reis vanuit de Enschedese weverij naar Haaksbergen. Maar tegenslag was de oorzaak dat de machine onderweg bleef steken. Achteraf bleek dit onverwachte onderhoud een geluk bij een ongeluk. Want diezelfde avond brandde de fabriek van Jordaan & Zonen aan de Enschedesestraat tot de grond toe af. ‘Door de enorme vuurzee werden gedeeltelijk verbrande bescheiden van de administratie, als ook brandende weefsels met zoveel kracht de lucht in geblazen, dat overal in de verre omtrek, zelfs tot in Enschede, resten daarvan waren neergekomen’, schreef iemand in zijn memoires. Brandspuiten konden weinig uitrichten, het gebouw was te hoog. Daarom plaatsten de spuitgasten hun materieel bij het water achter de fabriek, om de weverij te beschermen die achter de voorgebouwen en het magazijn was gebouwd. De fabriek was geheel verwoest. Van het kantoor van drie verdiepingen, de magazijnen, de weverij, spoelerij en scheerderij bleef slechts een ruïne over. Uit de puinhopen van de weverij konden nog zestig redelijk onbeschadigde weefgetouwen worden gered. Op 18 mei lazen de abonnees dat de firma Jordaan een terrein van drie hectare had gekocht, in de directe nabijheid van het station, ‘op hetwelk zij hare door brand vernielde weverij en ververij zal doen bouwen’. Binnen zeven maanden na de brand ratelden de weefgetouwen weer in een nieuwe fabriek, met een bebouwd oppervlak van vijftienduizend vierkante meter, niet op de oude plek aan de Enschedesestraat, maar aan het stationsemplacement. De blekerij en ververij op de Jordaans Bleek in Honesch werd in 1912 gesloten en grotendeels afgebroken. De werkzaamheden die daar al sinds jaar en dag werden uitgevoerd, verhuisden naar de nieuwe fabriek, die met een moderne linnenblekerij was uitgebreid.

Monumenten van nu en toen
Vandaag de dag zijn er in het dorp geen plaatsen herinneringen meer aan de fabrieken aan de Enschedesestraat en langs het stationsemplacement. Op de terreinen van de vroegere fabriek zijn scholen, een sporthal, een bibliotheek, een appartementencomplex en woningen gebouwd. Er staat wel een eigentijds een monument dat in het dorp de herinnering aan het textielverleden van Haaksbergen levend houdt. Omdat de textielindustrie in Haaksbergen zo’n vooraanstaande rol in de economische bedrijvigheid in het dorp had gespeeld, besloot de gemeente in 1987 de jonge Kampense kunstenaar Rino Perdon opdracht te geven voor het ontwerpen van een monument. Over de plaats waar het gedenkteken moest komen, bestond geen enkele twijfel: op de plek waar de fabriek van Jordaan had gestaan.
Perdon ontwierp het uit roestvrij staal gemaakte kunstwerk Spoelen, dat is geïnspireerd op vier vormen waarin gesponnen garen in de Haaksbergse weverijen werd verwerkt tot textiel voor het huishouden, tot voeringen en japonstoffen. Het beeld wil een icoon zijn voor de textielindustrie in het algemeen. Dit eerste textielmonument in Nederland werd op 4 juli 1988 onthuld door de oud-fabrikant Henny Jordaan, de oud-vakbondsman en oud-wethouder van de gemeente Hendrik J. Hilderink, de oud-werknemer A.J. Molenveld en de toenmalige werkneemster Yvonne ter Woerst.
En dan is er buiten het dorp, aan de oever van de Buurserbeek, nog het historische monument, het landgoed De Bleeck, met de villa, het verfhuisje en het bleekhuis, monumentale herinneringen aan de oorsprong van het grootste textielbedrijf van Haaksbergen, waar ooit duizend mannen en vrouwen hun brood verdienden.

 

 





deValkenberg.nl