De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

2. Van Torenschool uit 1645 naar School B2 aan Prinsestraat

Wie dieper in de historie van het lagere onderwijs in Enschede duikt, ontdekt dat er een lijn loopt van de eerste Stadsschool uit het midden van de zeventiende eeuw naar de eerste opleidingsschool in de stad, School B1 aan de Brinkstraat, de moeder van School B2. De geschiedenis van het lager onderwijs in Enschede begon in 1645, toen ‘de oude school aan de Kerk’ werd gebouwd, aan de noordkant van de toren van de Grote Kerk. Het was de Eerste Stadsschool, ook wel de Torenschool genoemd.

De Grote Kerk was sinds eeuwen een rooms-katholieke kerk geweest, maar tijdens de Reformatie, aan het einde van de zestiende eeuw, eigenden de protestanten zich het bedehuis toe. Het schooltje was dus voor protestanten. Het onderwijs was gekleurd door het geloof. Zoals vanaf het midden van de negende eeuw de pastoors tot aan de Reformatie hun heerschappij over het katholieke onderwijs hadden uitgeoefend, streefden de protestantse predikanten in het midden van de zeventiende eeuw naar de macht over het onderwijs. De onderwijzers waren hun dienaars, die hun voorschriften hadden op te volgen. Zo wilden zij de school dienstbaar maken aan de bevordering van de Hervormde eredienst. Hun voorschrift was door de Classis van Deventer in 1601 op een vergadering in Oldenzaal vastgesteld.

Ende dat deselve schoolmeesters den kinderen de hooftstucken der religie, met die gebeden van avent en morghen, als oock voer ende nae het eten willen inscherpen om van buyten te leeren.

De Torenschool, de Eerste Stadsschool, telde maar één lokaal, op de begane grond, gedekt door een rieten dak. Het optrekje had een lemen vloer. Aan de oostkant stond een eenvoudig katheder, ‘alwaer den Meester, by sijn Leerlingen geleecken, geseeten op sijns stoel, sat als op sijnen throon’. Daar kwamen de jongens en meisjes hun ‘les’ opzeggen en ‘de noodige kastijding’ ontvangen. Ze zaten op banken zonder rugleuningen en tafels, de leerboeken hielden ze in de hand. Als ze les kregen in schrijven, lag er een houten schoolbret op hun knieën. Lastige kinderen werden tot de orde geroepen of zelfs afgerost, waarbij de Meester niet schroomde de bullenpees te hanteren.

Het schooltje, in de groeiende stad te klein geworden, kreeg in 1775 een verdieping. In het benedenvertrek ‘beleerde’ een schoolmeester de jongste kinderen, ‘onder de pannen’ gaf de ‘bovenmeister’ les aan de oudere jongens en meisjes en leerde hen behalve lezen en schrijven ook een weinig taal. Het aantal leerlingen bleef stijgen en nog voor het einde van de achttiende eeuw waren de twee lokalen te klein en moest er een tweede Stadsschool komen.

Tweede Stadsschool
In 1798 was Enschede uitgegroeid tot een stadje met bijna tweeduizend inwoners – bij de volkstelling van drie jaar eerder woonden er 465 gezinnen die samen 1835 mensen telden. Een snelle blik over de tellijsten leert dat er vooral wevers woonden, heel veel wevers, want Enschede was toen al een textielstadje.

Vanaf 1795 zuchtte Enschede onder de Franse bezetting. Op 25 februari waren de Fransen de stad binnengetrokken. Eén van hun eerste zorgen was de verbetering van het onderwijs. Op het gedeelte van de markt waar boeren uit de omgeving hun huisgekarnde boter aan Enschedese stedelingen verkochten, de zogenoemde Botermarkt, bouwden ze een schooltje, dat al gauw de Boterschool heette. Het was een moderne school. De kinderen kregen banken met tafels en langs de wanden hingen landkaarten voor het onderwijs in aardrijkskunde. Maar de geschiedenis herhaalde zich en ook dit houten schooltje was al gauw te klein en het was ook bouwvallig geworden.

Er moest een nieuwe school komen, vond de gemeente Enschede, die inmiddels weer baas in eigen huis was, nadat de Fransen in 1813 waren vertrokken. Maar de gemeente had buiten de buren gerekend, de uitgestrekte gemeente Lonneker die het kleine stadje Enschede, 61 hectare groot, 130 voetbalvelden, innig omarmde. In 1826 constateerde Lonneker, dat Enschede was begonnen op een deel van het kerkhof – dat bestemd was voor overledenen van beide gemeenten – een schoolgebouw neer te zetten. Het leek wel ‘alsof dat kerkhof alleen aan die stad in eigendom toebehoorde’, schreven de bestuurders van Lonneker.

Allerwegen was er gemor, in Lonneker en Enschede, want Enschede vermoedde dat Lonneker op het kerkhof bij de Grote Kerk wilde blijven begraven, en in Lonneker heerste het idee dat Enschede mensen uit Lonneker wilde weren en voor de plek ‘waarop zedert zoo veel eeuwen de asche hunner voorouders rust’ andere plannen had. Toen Lonneker dan ook hoorde dat Enschede op een deel van het kerkhof een nieuw schooltje wilde bouwen, om de Boterschool te vervangen, stuurden de bestuurders een brandbrief naar de Commissaris des Konings, waarin beeldend werd beschreven hoe Enschede al enkele dagen in de weer was om een aantal lijken op te graven ‘van welke veelen nog niet geheel vergaan zijn en de kisten nog geheel zijn’. Enschede liet de Commissaris weten dat de school hard nodig was, omdat de Boterschool veel te klein was geworden voor het groeiende aantal leerlingen en dat het hele geschil uiteindelijk draaide om ‘een luttel hoekje’ van het kerkhof. Landelijke regelgeving die bepaalde dat het verboden was voortaan doden te begraven in kerken of op kerkhoven in binnensteden, loste in 1829 het hoogopgelopen conflict op. Lonneker kreeg zijn Boerenkerkhof, dat nog steeds – nu als een eerbiedwaardig monument – aan de Deurningerstraat ligt en Enschede richtte een stadskerkhof in aan de Espoortstraat.     Aan de Oude Markt, op de hoek van de Haverstraat, bouwde de stad een nieuwe, ruime school, die voor een deel op het kerkhof stond en daarom al snel de ‘school aan het Kerkhof ‘ werd genoemd, of kortweg de Kerkhofschool. Het was de Tweede Stadsschool, na de Torenschool.

School van Jennes
De Eerste Stadsschool, aan de kerktoren, kreeg in 1836 een nieuw hoofd. Het was David Wijnand Jennes, als veertienjarige al bekend als de organist van de Grote Kerk, op 1 oktober 1836 aangesteld als ‘eersten Nederduitschen Schoolonderwijzer’. Al snel begon hij te aan te dringen op een nieuwe school, want zijn schooltje aan de kerk, de Torenschool, voldeed in geen enkel opzicht aan de eisen van die tijd. In 1842 kreeg Jennes zijn zin. Het toeval wilde dat het oude katholieke kerkhuis Achter ’t Hofje leeg kwam, want de katholieken hadden voor het eerst sinds de Reformatie weer een echte kerk gekregen, de Sint Jacobuskerk, op de Markt, tegenover de Grote Kerk. De gemeente kocht het kerkhuis en na enige verbouwingen had hoofdonderwijzer Jennes zijn nieuwe school, officieel de Eerste Openbare Lagere School, in de volksmond de School van Jennes. De nieuwe school Achter ’t Hofje was gelijkwaardig aan de Tweede Openbare Lagere School aan het Kerkhof, op de hoek van de Haverstraat. Het oude, tegen de stadstoren gebouwde schooltje had haar functie verloren.

Na de brand
Op 7 mei 1862 brandde Enschede af. In enkele uren waren het Raadhuis, de Groote Sociëteit, ruim zeshonderd huizen, het weeshuis, vier kerken en de twee stadsscholen, de Kerkhofschool en de school Achter ’t Hofje, verworden tot ruïnes. Beide scholen moesten snel worden herbouwd. Op 17 november 1863 werden de twee nieuwe schoolgebouwen in gebruik genomen. In optocht trokken de schoolkinderen naar hun nieuwe school. Maar de vreugde was voor de Kerkhofschool van korte duur. De vroegere Boterschool verkeerde al gauw in een uitermate slechte toestand en er werd een nieuwe school gebouwd aan de Zuiderhagen op de hoek van de Windbrugsteeg. De oude school aan de Markt werd voor ƒ 5.600,-- verkocht aan het textielbedrijf Van Heek & Co., die er het hoofdkantoor vestigde. De nieuwe school werd op 4 november 1872 geopend. Enschede had toen School 1, Achter ’t Hofje, en de nieuwe School 2, aan de Zuiderhagen.

Opleidingsschool
School 1 groeide langzamerhand uit haar voegen, mogen we concluderen uit de ingezonden brief van 29 juli 1871 van Sander Bloemendaal, hoofdonderwijzer van de school.   

Mijn school telt thans 335 leerlingen, waarvan 120 in een lokaal met 108 zitplaatsen, 120 in een ander met 64 zitplaatsen en 95 in een lokaal van 89 zitplaatsen. Op eene oppervlakte van 49 v.k. el zijn 120 kinderen, waarvan maar 84 eene zitplaats kunnen bekomen en de rest moet staan. [...] In dat lokaal deden zich onlangs ziekteverschijnselen voor, en de thermometer uit een ander lokaal erheen gebracht, rees in een half uur tijds 100 F. Om het onderwijs niet te benadelen, heb ik in April reeds om een hulponderwijzer gevraagd, maar nog geen antwoord bekomen. Om ziekten te voorkomen, heb ik de kleinen elken schooltijd 10 minuten naar buiten gestuurd. [...] En wat moet er gebeuren als er geen verandering is aangebracht, en de najaarsdagen het onmogelijk maken om de kinderen naar buiten te sturen?

Inmiddels was deze Stadsschool in 1866 al aangewezen als opleidingsschool voor de Twentsche Industrie- en Handelsschool, die dat jaar werd geopend en was bestemd voor de opleiding van zonen van de Twentse textielfabrikanten. In latere jaren werd deze taak als opleidingsschool overgenomen door de nieuw gebouwde school aan de Brinkstraat, toen nog Veenstraat, de 1ste Openbare Lagere School, die in 1896 School B ging heten, de moederschool dus van School B2, de latere Prinseschool.

De stadsbrand van 7 mei 1862 verwoestte ook het schooltje aan de Grote Kerk (links).

 





deValkenberg.nl