De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

Usselo, een wereldberoemde buurschap 

Usselo is een buurschap onder Enschede, aan de weg naar Haaksbergen. Wie er door rijdt, herkent het markante protestantse kerkje uit 1844, even verderop draaien de wieken van Wissinks Möl. Een tafereel dat je vaker ontmoet als je door ons land trekt. Eigenlijk een dorpje zoals zovelen, met de kerk, het café, boerderijen rondom. Maar 

Usselo is een unieke buurschap, want wereldberoemd, omdat hier in het veengebied meer dan zestig jaar geleden de Laag van Usselo werd ontdekt. Die laag hebben archeologen later op diverse plaatsen in Noord-Europa teruggevonden en die heet ook daar de Laag van Usselo. En daarom is Usselo zo bijzonder. Want elfduizend jaar geleden woonden er al mensen, in het veen, zwervers en jagers-verzamelaars die ongedurig van de ene naar de andere plaats trokken, levend van jacht op edelherten, reetjes, elanden, ganzen en vissen uit de veldplassen. Hun dagelijkse maal vulden ze aan met wat de bodem opleverde aan eetbare wortels en wilde vruchten, zoals de bessen van de kraaiheide. Er woonden en werkten ook jagers in ateliers of werkruimten, in een soort tent vermoedelijk, van ongeveer 2,5 bij 3 meter, onder huiden van dieren, gespannen over kegelvormige palen. Hun werktuigen maakten ze uit vuursteen. Ze kenden een soort van werkverdeling. In het ene atelier maakten ze schrabbers waarmee huiden werden schoongemaakt, in het andere alleen krombekstekers, waarmee ze uit delen van een gewei van een hert spanen konden lossnijden.           

Interessante sporen

Op een mooie, zonnige junidag in 1937 maakten Gerard Ballintijn, redacteur buitenland bij Tubantia, en zijn echtgenote, beiden lid van de Oudheidkamer Twente, een wandeling door het Usselerveen. In een door de wind bloot gewaaide zandkuil ontdekten ze stukjes houtskool en vuursteensplinters. Ze meldden het aan het Rijksmuseum Twenthe, waar de Oudheidkamer Twente was ondergebracht, die vanaf haar oprichting in 1905 altijd veel belangstelling had getoond voor archeologie. Onder de leden van de Oudheidkamer waren ‘hartstochtelijke schatgravers’, zoals G.J. ter Kuile, één van de eerste bestuursleden, die in 1909 al had gepleit voor grondig onderzoek:

Sinds een viertal jaren heb ik mij onafgebroken op de hoogte gesteld van hetgeen uit voorhistorische tijd in Twenthe gedurende den laatsten tijd ten gevolge van al die terreinveranderingen aan het licht is en wordt gebracht en ben van meening dat thans eene zoo getrouw mogelijke bepaling en beschrijving van herkomst dier voorwerpen dient gegeven te worden. Gebeurt dit niet dan toch verliezen zij veel van hun wetenschappelijke waarde, ja worden zelfs zuivere curiositeiten.

Maar de archeologie van de streek kreeg pas wetenschappelijke aandacht vanaf 1 oktober 1938, toen archeoloog Cornelus C.W.J. Hijszeler in dienst kwam, als wetenschappelijk medewerker en conservator van het Rijksmuseum Twenthe, waar de Oudheidkamer sinds 1930 een riant onderkomen had voor haar snel groeiende archeologische verzameling.  Het was dan ook niet verwonderlijk, dat nader onderzoek naar aanleiding van de vondst van het echtpaar Ballintijn één van Hijszelers eerste karweien was in zijn nieuwe functie. Want vooral de vuursplinters die de Ballintijns hadden gevonden, leken hem sterke aanwijzingen dat hier interessante sporen uit een ver, een heel ver verleden waren te vinden.

Vondsten in werkkuilen

In 1940 begon Hijszeler te graven, maar aantoonbare resultaten boekte hij niet en evenmin in het jaar daarna. Tijdens de oorlogsjaren eisten andere zaken alle aandacht op. Hijszeler werd belast met de registratie van door de Duitsers gevorderde kerkklokken en het keuren van klokken elders in het land die niet naar de Duitse smeltovens mochten worden vervoerd. Toen hij in 1944 verder wilde graven in het Usselerveen, waarvoor hij voor de duur van vier weken in september tien arbeiders zocht, was er niemand beschikbaar, want de aardappels moesten worden gerooid, tijd voor graven hadden ze niet.

     Pas in 1946 kon Hijszeler met een groep mannen aan het werk in het Usselerveen, oorspronkelijk een moeras- en veengebied, waarin volgens hem ‘heuvelruggen als eilanden en schiereilanden omhoogschoten’. Daar vond hij op een wisselende diepte – soms minder, soms meer dan een meter – een 125 meter lange en tien centimeter dikke laag, witter van kleur dan het zand erboven en eronder, doorspekt met houtskooldeeltjes. Uit deze laag kwamen ongeveer twintigduizend voorwerpjes van vuursteen tevoorschijn, vooral ruwe vuursteenbollen, onbewerkte stukken en afvalbrokken. Achthonderd waren er bewerkt, waaronder volledig afgewerkte voorwerpen, zoals bekstekers, kerfspitsen, mesjes en schrabbers.

     De vuurstenen voorwerpen werden gevonden in ateliers, werkplaatsen waar de bewoners zittend werkten, met de voeten in het zand gedrukt, waardoor de werkkuilen ontstonden waarin de vondsten werden gedaan. Gezien de ligging van splinters en werkstukken concludeerde Hijszeler, dat de vuursteenmensen steeds met hun gezicht naar het westen werkten, want aan de oostkant werd slechts gemalen houtskool aangetroffen. Een andere gevolgtrekking van de onderzoekers was, dat er een soort van arbeidsdeling was, omdat in de werkplaatsjes vaak dezelfde voorwerpjes werden aangetroffen, bijvoorbeeld schrabbers in een werkplaatsje en mesjes in een andere.    

Eerste sporen van bewoning

Het bleek de vondst van Hijszelers leven, zeker toen later op talrijke plaatsen in ons land een zelfde laag werd ontdekt, en ook in Duitsland, Polen, Vlaanderen en Wallonië in België en het noordwesten van Frankrijk. Omdat deze laag voor het eerst werd aangetroffen in Usselo, kreeg deze de naam Laag van Usselo. Hijszeler was van mening, dat zijn ontdekking ‘archeologisch en geologisch een gidshorizon’ was geworden. Ook omdat in het Usselerveen de eerste sporen van bewoning in Enschede en omgeving waren gevonden. Usselo was de eerste vindplaats van jagers-verzamelaars in deze cultuur, die later de Federmesser-cultuur is genoemd, uit de late Steentijd, ongeveer elfduizend jaar voor het begin van onze jaartelling. Het was voor de eerste keer dat er een verband kon worden gelegd tussen de aanwezigheid van een jagersgroep en de tijd waarin deze jagers actief waren. Omdat de twee terreinen bij het Rutbeek een hoge archeologische waarde hebben, zijn ze aangewezen als aardkundig rijksmonument. In elk geval vindt Usselo, dat de buurschap en Enschede in haar spoor door de ontdekking van Hijszeler ‘wereldberoemd’ zijn geworden. 

NOTEN



C.C.W.J. Hijszeler, De oudste sporen van cultuur in Twente, in: Jaarboek Twente 1974, 13-14. De Laag van Usselo is volgens Hijszeler gedateerd op ca. 10.900 jaar geleden. Zie ook: L.A. Stroink, Stad en land van Twente, Enschede, 1966 (tweede druk), 42-44.

Gerardus Coenraad Marinus Ballintijn (1902-1965) was getrouwd met Cornelia Richtje Wijga (1907-1998). Zij waren ereleden van de Oudheidkamer Twente. Gerard Ballintijn werkte bij het Twentsch Dagblad Tubantia. Hij maakte samen met zijn collega G. Krämer naam met de reportages die ze onder het motto Een tocht door een deel van Bezet Nederland vanaf 10 mei 1940, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, maakten op een avontuurlijke reis door een deel van Nederland, in een Opeltje-met-open kap, dat Krämer voor 75 gulden op de kop had getikt. Zie: Wim Timmers, De worsteling van een krantenman, Enschede, z.j., 13-15.

Voorstel aan de gemeenteraad van Enschede, d.d. 1 februari 2011, onderwerp: Belevingsplek Laag van Usselo.

Mr. G.J. ter Kuile sr. (1871-1954) was van 1906 tot 1930 bestuurslid van de Oudheidkamer Twente. In 1909 hield hij een lezing over zijn archeologische vondsten voor de leden van de Vereeniging tot Beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis en schreef erover in Verslagen en Mededeelingen, het tijdschrift van deze vereniging. Geciteerd in: M. Paskamp-van Santen, Archeologische Activiteiten 1905-1969, in: Honderd Jaar Behoud Twents Erfgoed. Vereniging ‘ Oudheidkamer Twente’ 1905-2005, Enschede, 2005, 65. Ter Kuile sr. werd geboren in Enschede, als jongste zoon van H.J. ter Kuile, die kantonrechter was. In Leiden was hij een studiegenoot van dr. J.H. Holwerda, baanbreker voor het oudheidkundig bodemonderzoek in ons land. In Verslagen en Mededeelingen van de hierboven genoemde VROG nr. 70-1955 schreef de Enschedese fabrikant Jan (Herman) van Heek, een tijdgenoot van hem en met Ter Kuile één van de oprichters van de Oudheidkamer Twente, een korte necrologie van G.J. ter Kuile sr.

C.C.J.W. (Cornelus) Hijszeler (Winterswijk, 1902-1982) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit in Groningen met als bijvak archeologie en werd daarna assistent van hoogleraar prof.dr. A.E. van Giffen in Groningen, die wordt beschouwd als de nestor van het wetenschappelijk prehistorisch onderzoek in ons land. Op 1 oktober 1938 volgde hij J.J. (Ko) van Deinse op als conservator van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. In 1956 werd hij na het vertrek van J.H. van Heek directeur van het museum, tot zijn pensionering in 1967. Bron: Paskamp-van Santen, o.c., 67-72.

Paskamp-van Santen, o.c., 67-72.

Hijszeler, o.c., 11.

Hijszeler, o.c., 12. Stroink, o.c., 42-43.

Hijszeler, o.c., 13. Stroink, o.c., 42-43.

Hijszeler, o.c., 12.

De Federmessercultuur is een cultuur of traditie uit het Laat-Paleolithicum (Steentijd), genoemd naar de karakteristieke pennenmesvormige spitsen met een gebogen rug, voorheen bekend als de Tjongercultuur. Zie: http://www.encyclopediedrenthe.nl/Federmesser-cultuur

http://www.usselo.nl/over-usselo/een-reis-door-de-tijd





deValkenberg.nl