De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

huisberg

In 1912 kocht Jan van Heek het verwaarloosde kasteel Huis Bergh in ’s Heerenberg. Hij restaureerde het en bracht er zijn verzameling laatmiddeleeuwse kunst bijeen. De collectie is nog steeds te zien in het kasteel.

holbein

Ter gelegenheid van de opening van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede schomk de familie Van Heek het museum dit schilderij van Hans Holbein de Jongere uit 1533.

janmetbijbel

Jan Herman van Heek, naar een portret geschilderd door              W.G. Hofker.

Foto Huis Bergh:
Archief Huis Bergh

Schilderij Holbein:
Rijksmuseum Twenthe

Schilderij J.H. van Heek: Stichting Edwina van Heek


Middeleeuwen in kasteel en museum
Wat verscholen en schuchter staat in de grote hal van Huis Bergh in ’s-Heerenberg een statuette, een klein beeldje, van Jan Herman van Heek. Hetzelfde beeldje, ook een kopie van het origineel dat Rijksbezit is, treft de bezoeker van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede aan bij de toegangsdeur van de studiezaal. Het is een geschenk dat Jan van Heek in 1948 van de Nederlandse regering kreeg aangeboden ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag. Een hoge ambtenaar van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen mr. J.K. van der Haagen, een goede vriend overigens van Van Heek, vroeg Van Heek of hij het goed vond dat er een schilderij van hem zou worden gemaakt. Maar waarom dit eerbetoon? Na de Tweede Wereldoorlog gaf de regering bij zeer bijzondere gelegenheden opdrachten aan bekende kunstenaars om van vooraanstaande Nederlanders op het gebied van kunst, muziek, toneel, letteren, beeldende kunsten, filmkunst en wetenschappen een schilderij te maken. En Jan van Heek was zo’n vooraanstaande Nederlander. Schoorvoetend stemde de altijd bescheiden Jan van Heek toe, maar hij wilde wel liever een klein beeld dan een geschilderd portret. De statuette werd gemaakt door de beeldhouwer Titus Leeser uit Ommen. Hij beeldde Van Heek staande af, zoals altijd keurig in het pak, met in de handen zijn onafscheidelijke schetsboek. Van Heek was blij dat het de kunstenaar gelukt was ‘een pretentieloze figuur te scheppen, zoals dat mijn wensch was’. In Enschede kreeg het beeldje, toen het eindelijk in het voorjaar van 1954 klaar was, een plaats in de toegangshal van het museum. Dat het beeldje nu zowel in Enschede als in ’s Heerenberg een weinig prominente plaats heeft, is vermoedelijk een te letterlijke vertaling van Jan van Heek’s spreekwoordelijke bescheidenheid.
Jan van Heek (1873-1957), een vermogende textielfabrikant in Enschede, eerste firmant van de spinnerij en weverij Rigtersbleek, was een vooraanstaande Nederlander op cultureel gebied. Hij genoot niet alleen in Nederland, maar ook buiten de landsgrenzen bekendheid als een deskundig verzamelaar van laat-middeleeuwse kunstwerken, als kasteelheer van het tot twee keer toe tot in de puntjes gerestaureerde kasteel in ’s Heerenberg, als initiator en mecenas van de restauraties van de kastelen De Doornenburg en Hernen en als honorair directeur (van 1930 tot 1956) van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede. Zijn verdiensten voor de Twentse textielindustrie, waarvoor hij in de jaren twintig en de daarop volgende crisisjaren – toen de textiel in zwaar weer verkeerde – zich inspande voor reddende rijksmaatregelen, door zijn Haagse relaties, landelijke media en zijn ondernemersnetwerk te mobiliseren, werden in 1946 gehonoreerd met zijn bevordering tot Grootofficier in de Orde van Oranje-Nassau.

Puur toeval
Het toeval speelde in het leven van Jan van Heek een grote rol. Als hij niet puur toevallig had gehoord dat het kasteel in ’s Heerenberg te koop was......en als hij niet toevallig onder een dikke laag stof in een duistere nis in het kasteel een hoop groezelige doeken had ontdekt......Beide gebeurtenissen speelden zich af in 1912. De afgelopen jaren was Jan van Heek, die de veertig naderde, tot het besluit gekomen dat hij een ‘groote landbezitting’ wilde kopen voor de tweede helft van zijn leven. Zijn bedrijf in Enschede, draaide succesvol, daar had hij weinig omkijken naar. Van Heek, een buitenbeentje in de familie en in de streek, koos er niet voor zoals zijn Twentse collega’s in de directe omgeving van Enschede een luxueuze boerderij of een weelderig landhuis met veel grond te kopen of te bouwen. Zijn inmiddels ontloken liefde voor de middeleeuwen stuurde hem in een andere richting. Hij zocht op de Veluwe, in Drente in de omgeving van Diever en Vledder, en ook in Overijssel naar een uit de middeleeuwen stammend, historierijk kasteel of havezate. Maar in het voorjaar van 1912 was hij nog niet geslaagd een in zijn wensenpatroon passend onderkomen te vinden. Maar het toeval kwam hem te hulp.
Op zaterdagmorgen 18 mei 1912 kreeg Gerrit Jan van Heek, inmiddels midden zeventig, een brief van Marinus Prakke uit Nijmegen, die hij tijdens een excursie van de Heidemij had leren kennen. Prakke meldde hem dat Fürst Wilhelm August von Hohenzollern Sigmaringen in ’s-Heerenberg zijn kasteel met de omliggende bossen en weilanden in ’s-Heerenberg, samen ruim 1.250 ha, onderhands wilde verkopen, ver beneden de waarde, het bezit zou ongeveer een half miljoen gulden kosten (nu ruim 4,5 miljoen euro). Iemand had al een recht van taxatie gekregen, dus was snel handelen geboden. Hij kon maandagmorgen omstreeks half twaalf in Enschede zijn, om met Gerrit Jan of één van zijn zoons te onderhandelen. Jan van Heek antwoordde Prakke dat zijn vader geen interesse had, maar dat hijzelf vrijblijvend wilde praten. Maandagmorgen haalde Jan Prakke van de trein en samen wandelden ze, onderweg over koetjes en kalfjes babbelend, naar het Van Heekshuis, in de schaduw van de Grote Kerk in Enschede, Jan’s ouderlijke huis. Jan van Heek raakte gaandeweg het gesprek enthousiast, het idee Huis Bergh aan te kopen, lokte hem aan. Hij realiseerde zich dat hij nu een mooie kans had een zeer grote landelijke bezitting te kopen.

Levenswerk
Maandag 9 juni al spoorden Jan van Heek en Prakke naar Sigmaringen, waar met de Hofkammer de afspraak werd gemaakt dat deze voor 15 juli geen contacten met andere gegadigde zou aangaan. Van Heek moest nog wel even goed nadenken. Aankoop van Huis Bergh betekende wel ‘de verplaatsing van mijn interessen en mijn werkkring voor een aanzienlijk deel naar elders’, buiten zijn geliefde Twente dus. Omdat het kasteel al vanaf 1735 niet permanent door de Hohenzollern was bewoond, moest het grondig worden gerestaureerd. Jan wilde met zijn familie overleggen wat hem te doen stond. Daarom reed hij midden juni op een sombere dag met zijn vader en drie broers naar ’s Heerenberg, terwijl de regen onafgebroken neergutste, ‘om het groote kasteel met zijn eindelooze, leege vertrekken, de modderige wegen, de druipnatte dennen en heide’ te bekijken. Later herinnerde Jan zich, dat de toestand van het kasteel hem ‘redelijk doch onaantrekkelijk’ leek, dat het interieur leeg en kil was, bijna afschrikwekkend, en hij vroeg zich af hoe hij deze verwaarloosde middeleeuwse burcht bewoonbaar zou kunnen maken. Alleen dat al was volgens hem een levenswerk.
Mede omdat zijn twee oudste broers hem de koop afraadden, begon Jan te twijfelen en hij zette het idee uit z’n hoofd. ‘Ik schrikte er van terug, de zaak leek mij te groot en ik kwam na éénen nacht reeds tot de conclusie haar op te moeten geven.’ Maar er kwamen twijfels, hij wilde het kasteel nog eens bezoeken, bij betere weersomstandigheden. Misschien kwam hij tot andere gedachten. Op 1 juli, een snikhete zomerdag, stapte Jan van Heek in zijn auto, met broer Gerrit Jan, zus Tini en haar echtgenoot Gerhard Jannink. Ze wandelden urenlang over de Hettenheuvel, door de hoge dennenbossen en over de heuvels met prachtige uitzichten. Iedereen was enthousiast en ’s avonds thuis praatte Jan er met vader Gerrit Jan nog eens over. ‘Toen stond mijn besluit vast. Ik die alleen stond, wilde met voorbedachten rade mij een nieuw leven en interesse scheppen. Ten goede of ten kwade, ik meende den stap te moeten wagen.’ Op 9 juli 1912 werd ‘na lange pourparlers’ de voorlopige koopakte gesloten. Voor 495.000 gulden (nu 4,5 miljoen euro) was Jan van Heek de nieuwe eigenaar van het kasteel en omliggende gronden. ‘Het was een gewichtige dag in mijn leven’, vond hij.

Familieportretten
Kort daarna – het was weer zo’n zondoorstoofde julidag – nam Jan van Heek met moeder Christine en zijn zuster Auguste een kijkje in het kasteel en ook in de kasteeltoren. En weer bij toeval ontdekte hij onder een dikke laag stof een pak opgerolde, beschilderde doeken, die bij het daglicht oude schilderstukken bleken. Alle doeken waren zwaar beschadigd, gescheurd, doorstoken. Vouwen en kreukels hadden de verflaag gebroken en van de oorspronkelijke lijsten was niets over. In één van de schilderijen ontdekte hij een bekende: koning Philips IV van Spanje, die zo vaak was ‘gekonterfeit’ door Velazquez. Andere waren portretten van diens eerste en tweede gemalin, Isabelle van Bourbon, dochter van Hendrik IV van Frankrijk, en Maria Anna van Oostenrijk-Habsburg. Jan vermoedde dat deze doeken afkomstig waren uit het atelier van Rubens. In een kapel vond hij nog een portret van prins Maurits in zijn bekende gouden harnas. Prins Maurits was een zoon van Willem van Oranje. Een tante van hem was Maria van Nassau, die in 1556 was getrouwd met graaf Willem IV van den Bergh, de meest spraakmakende bewoner ooit van Huis Bergh.
Deze toevallige vondst was voor Jan aanleiding rondom de onverwacht opgedoken Habsburgse portretten een familiereeks van vorstelijke personen op te bouwen, nu nog steeds een belangrijk onderdeel van de collectie van Huis Bergh.
Zijn verzameling historische portretten illustreert weliswaar Van Heek’s interesse voor de geschiedenis in het algemeen en de historie van Huis Bergh in het bijzonder, maar ze vertegenwoordigen niet zijn favoriete kunsttijdperk, de late middeleeuwen. Toen de restauratie van het kasteel goed op gang was gekomen en de in het archief ontdekte portretten in hun oude luister waren hersteld en enkele wanden van Huis Bergh sierden, begon Van Heek – geleid en gesteund door zijn voorliefde voor middeleeuwse monumenten als kastelen, kerken en kloosters, en voor de laatmiddeleeuwse kunstenaars uit Italië en de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden – in de oorlogsjaren oudere schilderijen en ook meubilair te kopen. Hij wilde Huis Bergh in een bij het rijke historische, middeleeuwse verleden passende sfeer brengen. Over een kunstverzameling had hij op dat moment nog nooit nagedacht, zijn eerste doelstelling was: het kasteel in stijl decoreren.

Verzamelaar
Van Heek had de tijd mee. In de Eerste Wereldoorlog werd er niet alleen in oorlogvoerende landen als Engeland en Duitsland, maar ook in ons neutrale Nederland veel primitieve kunst aangeboden. Sommige verzamelaars hadden hun hand overspeeld, andere waren uit geldnood gedwongen hun collectie te verkopen. Van Heek profiteerde daarvan, door onder meer enkele werken in Engeland te kopen. Verbazingwekkend vond hij het hoeveel waardevolle kunst in vorige eeuwen in Engeland was terechtgekomen, vooral vroeg-Italiaanse – op panelen van hout van olijfbomen – en Zuid-Nederlandse kunst – op eiken panelen. Oud familiebezit moest soms uit nood verkocht worden. Nieuwe rijken brachten interessante verzamelingen bijeen, maar zagen zich genoodzaakt hun kunstwerken te verkopen, toen ze hun fortuin verloren.
Van Heek was zo in de ban van laatmiddeleeuwse schilderijen en vooral ook handschriften geraakt, dat hij niet langer uitsluitend kunst als decoratie voor zijn eigen kasteel wilde kopen, maar ook andere overwegingen liet meetellen. Hij vond het belangrijk dat kunstwerken uit deze periode, vaak onderdeel van een op de markt komende collectie van een meer of minder bekende verzamelaar, binnen de vaderlandse grenzen bleven. Vooral omdat veel steenrijke Amerikanen met bundels dollars zwaaiden en veel beroering veroorzaakten op de internationale kunstmarkten. Af en toe kocht Van Heek een enkel stuk, maar de ware kunstverzamelaar stond pas in de zomer van 1919 op. Toen ving hij het gerucht op, dat de schilderijencollectie van de recent overleden kunstenaar en verzamelaar Friedrich Wilhelm Mengelberg (1837-1919) zou worden verkocht. Hij vroeg de zaakwaarnemer van de familie Mengelberg, of het waar was. Hij vreesde dat de verzameling naar het buitenland zou verdwijnen, gezien de Amerikaanse jachtlust, en wilde weten voor welke prijs hij de kunstwerken kon kopen. Zijn gedachte was op het geheel een servituut ‘van ondeelbaarheid en onvervreemdbaarheid naar het buitenland’ te leggen. Het antwoord kwam al de volgende dag. De Erven Mengelberg wilden inderdaad overgaan tot verkoop van de verzameling ‘antiquiteiten’. Mengelberg’s weduwe bood Van Heek alle werken aan, omdat ze vond dat de collectie paste in zijn kasteel en zeker wist dat Van Heek de schilderijen niet zou doorverkopen. Voor 260.000 gulden (nu ruim 1,3 miljoen euro) kon Van Heek de nieuwe eigenaar van de totale verzameling worden.
Jan van Heek had er wel oren naar, per slot van rekening had Mengelberg bijzondere kunstwerken uit de veertiende tot het begin van de zestiende eeuw verzameld. De verleiding was groot, maar Van Heek was niet alleen een door hebzucht verblinde kunstliefhebber en een verzamelaar in spe, hij was vooral ook de zuinige zakenman, de koopman die wilde onderhandelen, zeker wanneer het om zo’n hoog bedrag ging. Hoe aanlokkelijk de collectie voor hem ook was, zo liet hij de familie weten, hij moest van de koop afzien, hij achtte het niet verantwoord zo’n belangrijk deel van zijn vermogen daaraan te besteden. Het was een tactische zet. Van Heek, happig maar twijfelend, wist dat zijn plan de collectie in ons land bijeen te houden, bij de familie goed was gevallen en speelde het spel van loven en bieden sterk. Want uiteindelijk, na slepende onderhandelingen, werden de Erven Mengelberg en Van Heek het eens over de prijs: 195.000 gulden (nu bijna een miljoen euro). Beide partijen waren verheugd over de uitkomst, de collectie bleef nu voor Nederland behouden. Op zaterdag 1 november nam Jan de collectie over, in één koop was hij 91 religieuze schilderstukken, 55 sculpturen, 21 profane schilderstukken, zeven monstransen en één ciborium rijker. Het was een belangrijke stap in zijn leven, noteerde hij tien dagen later in zijn dagboek. In mei 1922 kwam de collectie naar Huis Bergh. De schilderijen en beeldhouwwerken werden voorlopig in de grote Antoniuszaal en in de lege kamers in de boven-noordvleugel geplaatst. Het was op dat moment niet zijn bedoeling dat de kunstwerken in Huis Bergh bleven. Jan’s idee was de gehele collectie elders ‘in een oude omgeving te plaatsen en als nationaal eigendom te beschouwen.’ Maar de kunstschatten zouden het kasteel niet meer verlaten, ze vormden de kern van de voortdurend groeiende verzameling van Jan van Heek.

Geen Kerstnacht
Geleidelijk aan ontdekte Van Heek dat verzamelen een vorm was van een min of meer beheerste verslaving, zoals vaak wordt beweerd. Al gold voor hem dat hij geen blinde verzameldrift kende; hij werd pas begerig wanneer er bijzondere aanbiedingen op de markt kwamen, kwaliteit tegen een aanvaardbare prijs, dat was wat hij zocht. Maar – zoals de erfgenamen van Mengelberg hadden ervaren – hij was een scherpe onderhandelaar en de koopprijs moest wel binnen zijn bereik liggen. Wanneer Van Heek een prijs niet haalbaar achtte, haakte hij – soms met veel moeite – af. Dat gebeurde toen het paneeltje Kerstnacht van Geertgen tot Sint Jans te koop kwam. Het was in het bezit van kunstverzamelaar Michiel Onnes (1898-1972). Op een in 1917 in Berlijn gehouden veiling had hij drie waardevolle panelen verworven, waaronder Kerstnacht, gemaakt tussen 1480 en 1490, volgens hem ‘het fijnste nog bestaande der Middeleeuwsche Noord-Nederlandsche schilderkunst’. Dit kunstwerk, voorstellende de geboorte van Christus, boeide Jan bijzonder. ‘Een stukje, hetwelk door zijn fijnheid van opvatting, zijn kinderlijke eenvoud, zijn meesterlijke behandeling m.i. bij geen kunstwerk ter wereld behoefde ten achter te staan.’ Onnes kon er maar kort van genieten. In 1921 kwamen de belangrijkste stukken uit zijn collectie bij het veilinghuis Frederik Muller & Co. in Amsterdam onder de hamer.
Van Heek spande zich in om het werk van de vroege Noord-Nederlandse meester Geertgen tot Sint Jans voor Nederland te behouden. Het is één van de kleinere panelen die Geertgen in zijn korte leven schilderde, het meet 32 x 26 centimeter. Van Heek’s gedachte was het stukje aan het Mauritshuis in Den Haag in bruikleen te geven, om het later aan het Nederlandse volk te schenken. Het was volgens hem van grotere waarde dan een Rembrandt, van wie in Nederland al veel werk te zien was, terwijl er op dat moment in ons land maar twee kunstwerken van de Haarlemse meester hingen. Op de veiling schoot de verkoopprijs omhoog, het werd Van Heek uiteindelijk ‘te machtig’ en hij stopte met bieden. Dat hij er later spijt van had dat hij niet enkele duizenden guldens had bijgepast om dit juweeltje van Noord-Nederlandse primitieve kunst aan zijn verzameling toe te voegen, liet hij kort daarna doorschemeren: ‘Wanneer ik nadien in Londen ben, heeft steeds mijn gang naar dit juweeltje geleid.’

Kunsthandel
De beste vroege schilderwerken verkreeg Van Heek via de kunsthandel. De veilingen bij Frederik Muller in Amsterdam waar vaak laatmiddeleeuwse schilderijen werden aangeboden, sloeg hij zelden over. Ook was hij een goede klant van Jacques Goudstikker (1897-1940), één van Europa’s bekendste kunsthandelaren, met een voorliefde voor laatmiddeleeuwse kunst. Van Heek bezocht regelmatig Goudstikkers kunstzalen in Amsterdam, soms kocht hij enkele werken tegelijk. Eind 1925 betaalde hij 28.000 gulden (nu bijna 180.000 euro) voor drie schilderijen: een triptiek van de Meester van Delft, een 15e-eeuws schilderijtje uit de omgeving van Hans Memling dat Christus’ verschijning aan Maria voorstelt, en een Middenrijnse houtsculptuur uit ongeveer 1400 van Madonna.
Regelmatig bood de firma in de jaren van de Eerste Wereldoorlog en daarna veel belangrijke werken uit Duitsland aan. Van Heek was enthousiast over een werk van Conrad Faber von Creuznach (ca 1490-1555), een Duitse kunstenaar die naast landschappen en stadsgezichten vooral portretten van rijke opdrachtgevers maakte. Op 20 januari 1921 liet Goudstikker weten dat Jan’s bod van twaalfduizend gulden voor dit werk te laag was. Hij wilde het schilderij voor dat bedrag niet afstaan, ‘hoewel het ons zeer aangenaam is om U zelfs met een uiterst kleine winst schilderijen voor Uwe collectie te verkopen’. De handelaar wees Jan erop, dat de Berlijnse kunsthistoricus Oskar Fischel had vastgesteld dat de geportretteerde Nicolaus Stolberg was, burgemeester van Frankfurt, geschilderd tegen de achtergrond van een rivierlandschap, de Rijn of de Main. Op 24 maart werd het werk Van Heek’s eigendom voor veertienduizend gulden (nu ruim 75.000 euro). Het behoort nu tot de collectie vroege Duitse schilderkunst, de enige van betekenis in ons land.

Otto Lanz
Voor het samenstellen van zijn voor Nederland unieke particuliere collectie van laatmiddeleeuwse kunst had Van Heek regelmatig contact met diverse deskundigen. Hij had zich langzaam maar zeker een plaats veroverd in de kleine groep verzamelaars die in het interbellum Nederland opwerkten tot het internationaal centrum van de handel in en het verzamelen van vroeg-Italiaanse kunst. Van Heek kreeg een plaats in een bijzonder belangrijk netwerk van verzamelaars en handelaren, als Goudstikker, Otto Lanz en Fritz Mannheimer. Otto Lanz (1865-1935) kende hij vanaf het begin van de jaren twintig toen deze hem spontaan per brief feliciteerde met de aankoop van de collectie-Mengelberg. Dertien jaar lang had Van Heek intensief contact met Lanz, aan wie hij zich ‘blijvend verplicht’ voelde. Deze had volgens hem een ‘prachtige verzameling Italiaansche kunst’ bijeengebracht, hoewel ‘de renaissancekunstwerken hem meer aantrekken dan de soberheid van de schilders van het duecento en trecento’.
Lanz, Zwitser van geboorte, was in 1902 benoemd tot hoogleraar heelkunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam en werd de belangrijkste en bezeten verzamelaar van Italiaanse kunst in de vorige eeuw. Met een beperkt budget bracht hij een grote, zeer gevarieerde collectie bijeen, met enkele bijzonder waardevolle stukken. Hij ontdekte in maart 1924 dat Engel van Duccio Buoninsegna, een paneeltje van 26 x plm. 17 cm, bij een Amsterdamse kunsthandel te koop was. een ‘angieletti di sopra’, één van de twaalf engelen die Duccio als gotische pinakels toevoegde aan het bovenste register van zijn meesterwerk, de Maestà, het altaarstuk op het hoogaltaar in de Dom van Siena. Toen Jan van Heek, ingeseind door Lanz, het paneeltje zag, hoefde hij niet lang na te denken. Het is nog steeds één van de belangrijkste werken die in Huis Bergh te zien zijn.
Van Heek leerde van Lanz de kneepjes van het vak en via hem kon hij naast zijn nationale ook een internationaal netwerk opbouwen. De Zwitser kende in het buitenland veel vooraanstaande kunsthistorici, handelaren en verzamelaars. Via hem kwam Van Heek in de loop der jaren met velen van hen in contact en zo kreeg hij een internationale kennissenkring die hem bij het uitbreiden van zijn verzameling uitstekende diensten kon bewijzen. Zo leerde hij Robert Langton Douglas (1864-1951) in Londen kennen, oud-directeur van de National Gallery of Scotland in Dublin, een erkende autoriteit op het gebied van de School van Siena. Hij had aan deze school een aantal belangrijke publicaties gewijd, onder meer een boek over de geschiedenis van Siena, de stad waarvan hij ereburger is geworden. Jan was trots dat de Engelsman een exemplaar van dit boek aan hem heeft opgedragen. Via Langton Douglas verwierf Van Heek onder meer de Bruiloft van Kana, een oude kopie, wellicht een werkplaatskopie, uit het begin van de zestiende eeuw.

La Grande Parade
Nog steeds het hoogtepunt in de geschiedenis van het verzamelen van Italiaanse kunst in Nederland is de in 1934 in het Amsterdamse Stedelijk Museum gehouden tentoonstelling Italiaansche Kunst in Nederlands Bezit. In het kader van de jaarlijkse Zomerfeesten had het museum de bovenverdieping vrijgemaakt voor deze expositie, La Grande Parade van laatmiddeleeuwse kunst in Italië. Eén van de belangrijkste initiatiefnemers was Goudstikker, samen met C.W.H. Baard, directeur van het museum. Ze wilden laten zien hoeveel mooie Italiaanse kunst we in Nederland hadden. De uitvoerige, bijna vijfhonderd pagina’s tellende catalogus vermeldt meer dan honderd inzenders met samen bijna dertienhonderd werken. De grootste inzending was die van Goudstikker: 89 schilderijen, één tekening, achttien sculpturen, drie tapisserieën en een groot aantal meubelstukken. Lanz toonde tien stukken, zijn inzending had meer variatie, geen tapisserieën maar wel aardewerk, Venetiaans glas, kant, weefsels en boekbanden. Fritz Mannheimer, één van de grotere verzamelaars in die jaren, presenteerde 21 inzendingen, waaronder een statuette van een engel uit de werkplaats van Donatello (13860-1466), een portretbuste van een knaapje van de Florentijnse Meester uit de vijftiende eeuw.
Jan van Heek was niet alleen lid van het Eere-comité voor deze landelijke tentoonstelling, hij exposeerde er ook achttien kunstwerken, de hoogste kwaliteit uit zijn verzameling: zeventien schilderijen en één miniatuur: een handschrift op perkament uit de tweede helft van de veertiende eeuw. Trots was hij vooral op de twee Duccio’s, werken van ‘één der grootste primitieven van Italië’ , zoals de catalogus liet weten: het paneeltje De Engel en Heilige Martelares, een bovenstuk van een polyptiek, ‘een prachtig stuk van de Sienesche school’ uit het eind van de dertiende of het begin van der veertiende eeuw. ‘Het was een prachtige tentoonstelling’, vond Jan van Heek, ‘van veel grooteren omvang en kwaliteit dan men in ons land had durven te verwachten.’ Bij de grote brand die in het voorjaar van 1939 Huis Bergh verwoestte, gingen diverse belangrijke kunstwerken uit de collectie van Jan van Heek verloren. Eén ervan was het paneel van Duccio Heilige Martelares, dat op de tentoonstelling in Amsterdam één van de topstukken was geweest.

Museum Van Heek
In oktober 1927 bracht Jan van Heek het kunstwereldje in Nederland in rep en roer. Landelijke kranten meldden dat er grote kans was dat de bekende verzameling van oude, kerkelijke kunst, het Museum Van Stolk in Haarlem, zou worden aangekocht door ‘den heer Van Heek te Lonneker’, die de bedoeling zou hebben de collectie op te nemen ‘in het nieuw te bouwen Museum van Heek te Enschede’. Verheugd schreven Het Vaderland, Centrum en Maasbode (van elkaar over) dat hiermee de dreigende verkoop van deze voor Nederland zo belangrijke collectie naar het buitenland gelukkig zou worden voorkomen. Maar een dag later moesten de kranten hun lezers vertellen dat de overdracht van de verzameling op het laatste moment niet was doorgegaan.
Wat was er aan de hand? Zou er in Enschede een Van Heek Museum komen? Of wilde Van Heek de collectie voor zijn eigen verzameling kopen? Het in 1902 in Den Haag gestichte museum Van Stolk, ondergebracht in een historisch pand in Haarlem, omvatte de verzameling van J.B. van Stolk, een telg uit een bekende, vermogende Rotterdamse familie. Na zijn overlijden wilden de erven de totale verzameling verkopen. Van Heek toonde belangstelling en kon voor een half miljoen gulden (nu 3,5 miljoen euro) de totale verzameling kopen. Na lang beraad zag hij van de koop af, de kwaliteit viel hem tegen. Volgens deskundigen liet hij een unieke kans glippen om een mooie collectie Romaanse en gotische kunst te verwerven voor het nieuwe museum in Twente. Maar Jan had heel andere plannen gehad. Hij had sterk overwogen de collectie te kopen. Zijn plan was geweest de kunstwerken de eerste jaren in het museum te laten en rustig na te denken over een plaats waar de kunstwerken ‘zum allgemeinen Nutzen’ een plek konden vinden. Daarmee weersprak Van Heek de heersende idee, ook geuit in de krantenberichten, dat de verzameling was bestemd voor het in oprichting zijnde museum in Enschede. Maar hij was uitermate teleurgesteld over de kwaliteit en had ook ontdekt dat er vervalsingen in de verzameling zaten. Daarom zag hij van de koop af. Later, in 1956 moest Van Heek bekennen dat hem nog altijd de gedachte achtervolgde dat het anders had gekund en moest hij teleurgesteld constateren hoe weinig begrip er in die tijd was voor de middeleeuwen.
Maar hoe zat dat met het Van Heek Museum in Twente? Wilde Jan van Heek, die in de Enschedese buurgemeente Lonneker woonde, zijn collectie naar zijn geboortestad Enschede verhuizen? Jan was niet de enige kunstverzamelaar in de familie, ook zijn oudere broer Bernard had in de loop der jaren een interessante kunstcollectie opgebouwd. Samen met zijn Amerikaanse vrouw Edwina Burr Ewing had hij ongeveer tweehonderd schilderijen verzameld, vooral romantische, maar ook werken van minder bekende meesters uit de zeventiende en achttiende eeuw. In de zomer van 1922 schreef Bernard aan minister J.Th. de Visser van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen dat hij van plan was ‘het Rijk der Nederlanden gratis aan te bieden een museum voor Kunst enz. met het benodigde terrein en eene verzameling schilderijen’. Maar de minister had geen geld en stelde voor op betere tijden te wachten. Bernard maakte de verdere ontwikkelingen niet mee, hij overleed op 31 januari 1923.
Maar de familie Van Heek, onder leiding van Jan als pater familias, zette de plannen van Bernard doorzetten. Er kwamen onderhandelingen met het departement op gang, die ertoe leidden dat op 19 februari 1926, na vijf jaar onderhandelen, de acte van schenking aan de staat werd getekend. De textielfamilie Van Heek schonk het Rijk een terrein, een museum, een verzameling schilderijen en de collectie van de Oudheidkamer Twente. De bouw verliep voorspoedig en op 17 juni 1930 kon de familie – in aanwezigheid van onder anderen minister mr. J. Terpstra, sinds driekwart jaar minister van OK&W – het museum overdragen aan de staat, nadat er maandenlang hard was gewerkt aan de inrichting van zowel de schilderijenafdeling met twaalf zalen en kabinetten en de tien ruimten voor de Oudheidkamer Twente. De leidende gedachte was geweest ‘een Museum te scheppen, dat vrij van overlading, door logische rangschikking in opvolgende vertrekken en zoveel mogelijk in tijdsvolgorde, de bezoekers het verzamelde op bevattelijke wijze als een samenhangend geheel doet zien’, zoals Jan van Heek later schreef. Doelstelling van het museum was ‘aan de bezoekers in onzen bewogen en jagenden tijd een oogenblik van rust en verpoozing en een terugblik in het verleden te geven.’ Daarom was gekozen voor de bouw rondom een binnenplaats in den geest van een hofje of een middeleeuws klooster. ‘Zoodanige bouw maakt het mogelijk voor een oogenblik de verbinding met de buitenwereld te verbreken en zich opgenomen te voelen in een interieur, sprekende van andere tijden, van andere levenswijzen, van andere idealen’, aldus Jan van Heek, die vanaf de opening tot 1956 honorair directeur was van het museum.

Holbein
Ter gelegenheid van de overdracht van het museum wilde de familie Van Heek het museum een groots cadeau schenken. Gerrit Jan, een jongere broer van Jan van Heek, stelde voor een Rembrandt kopen, een publiekstrekker die het Twentse museum op de kaart moest zetten. Jan had echter via zijn Engelse relaties gehoord, dat er in 1931 in het landhuis van een echtpaar in Belgravia, een stadsdeel van Londen, een Holbein was ontdekt. Twee Amsterdamse kunsthandelaren, E.J.M. Douwes en J.F. Minken, hadden het werk begin 1932 aangekocht. Het was vooral interessant, omdat er in Nederland op dat moment maar twee authentieke werken waren van de schilder, in het Mauritshuis in Den Haag. Daarom betekende aanschaf van het werk niet alleen een belangrijke aanwinst voor het museum, ook zou het ons nationale kunstbezit verrijken. Een werk van deze 16e-eeuwse schilder sloot volgens Van Heek beter aan op de laatmiddeleeuwse collectie en het zou het beleid van het museum meer onderstrepen een schilderij van de Gouden Eeuwer Rembrandt.
Zoals vaak gaf ook nu de mening van Jan in de familieraad de doorslag. De Holbein werd gekocht. Het werk van Hans Holbein (de Jongere), geschilderd in 1533, toont het portret van Richard Mabott, 48 jaar, master of St. Thomas Hospital in Southwark Londen. Het is een borstbeeld, driekwart naar links gewend, de man is in het zwart gekleed, op zijn hoofd een zwarte bonnet. Hij draagt een ordeteken in de vorm van een Grieks kruis. Het schilderij kreeg een plaats in kabinet 12, bij de Vroege Portretten, die ‘behooren onder het beste, wat het museum heeft aan te bieden’, maar de Holbein vond Jan de mooiste. ‘De peinzende, ietwat melancholieke uitdrukking, die ligt in de fijne trekken van den met het teeken der Kruisheeren versierden geestelijke zal men niet licht vergeten.’ De aankoop – het schilderij kostte ongeveer twee ton (nu ruim anderhalf miljoen euro) – werd vooral mogelijk gemaakt door een aanzienlijke financiële bijdrage van Jan’s schoonzuster Edwina van Heek-Burr Ewing. Kunsthandel Douwes had van twee buitenlandse deskundigen en van professor Vogelsang de bevestiging gekregen dat het werk kon worden toegeschreven aan Hans Holbein de Jongere. Latere onderzoekingen wierpen de vraag op of het werk een echte Holbein is of dat het is geschilderd door een kunstenaar uit zijn omgeving. Tot op dit moment is er geen zekerheid of het museum zich mag beroemen op een echte Holbein.
Het werk van Holbein kreeg een ereplaats in het boekje – paginagroot naast de titelpagina – dat vrienden van Jan van Heek maakten ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag op 20 oktober 1938. Het boekje bevat afbeeldingen van alle 15e- en 16e-eeuwse schilderijen die op dat moment in het museum waren geëxposeerd onder de titel Rijksmuseum Twenthe Enschede, de meesters der 15e en 16e eeuw. In een kort voorwoord werd benadrukt dat alle ‘primitieven’ – de ‘rechtvaardige trots’ van het museum – waren verworven op initiatief van de directeur. Jan van Heek had uiteindelijk ‘zijn’ Rijksmuseum Twenthe gekregen, een museum dat niet alleen schilderkunst toonde met een sterk accent op laatmiddeleeuwse kunstwerken, maar de bezoekers ook terugvoerde in de geschiedenis van de streek die hem aan het hart was gebakken. ‘Vasthoudendheid aan eenmaal opgevatte voornemens’ is een karaktertrek van het Saksische ras, zoals Jan van Heek in zijn toespraak bij de overdracht van het museum maar weer eens vertelde. Hij heeft in elk geval een beslissende invloed gehad op het ontstaan en voortbestaan van het museum. In zijn dagboek onderschreef hij dat nog eens. ‘Bernards plan werd totaal geëlimineerd om van nieuwe ideeën, door mij aangegeven uit te gaan.’ Ook had hij beslist over de plaats van het museum. Een groot deel van de familie was van mening dat het Van Heekshuis – Jan’s ouderlijk huis, aan de voet van de Grote Kerk in Enschede – bijzonder geschikt was voor het museum. Het kostte Jan grote moeite de familie daarvan af te brengen en nieuwbouw te verkiezen. De overdracht van het museum aan de staat was voor Van Heek dan ook ‘de afsluiting voor mij zelf van een stuk levenswerk.’

Passie voor de middeleeuwen
Na het tekenen van de schenkingsacte werd er binnen de familie heftig gediscussieerd over het museale concept voor de toekomst. ‘De richting, die het Museum insloeg, is die der Middeleeuwsche kunst in hare verschillende uitingen’, verklaarde Jan van Heek in de Museumgids van 1941, een ‘uitvloeisel van den persoonlijken smaak en aanleg van den schrijver.’ De familie had wel een meer algemeen profiel gewild, maar Jan van Heek wilde beslist een eigen stempel drukken op de collectie. Hij had vanaf zijn jeugdjaren een passie ontwikkeld voor bouwwerken en kunstwerken uit de middeleeuwen, vooral de laatmiddeleeuwse schilderkunst van de vroeg-Italiaanse meesters en de Vlaamse Primitieven trokken hem aan. In zijn kasteel in ’s-Heerenberg, Huis Bergh, had hij een interessante particuliere verzameling bijeengebracht. Voor het museum had hij in de jaren vóór de opening al een aantal belangrijke laatmiddeleeuwse schilderwerken werken gekocht. Dertig jaar later constateerde Adam Hulshoff, in 1967 aangetreden als directeur van het Rijksmuseum Twenthe, dat de collectie laatmiddeleeuwse schilderijen ‘de meest kostbare en best geselecteerde’ was geworden ‘die met de grote Nederlandse musea in kwaliteit en gerichtheid kan wedijveren’. Een groter compliment had Jan van Heek niet kunnen krijgen. Jan van Heek overleed in 1957. De statuettes in Huis Bergh en het Rijksmuseum Twenthe houden de herinnering aan de vooraanstaande kunstverzamelaar en kunstkenner Jan van Heek levendig, ook al heeft hij in beide musea een te bescheiden plekje gekregen.





deValkenberg.nl