De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

 

1e ziekenhuis

Dit is één van de eerste foto’s van Het Ziekenhuis aan de Sprengenweg, uit 1894.

Liduina

Zo herinneren zich oudere Apeldoorners het Sint Liduina Ziekenhuis aan de Arnhemseweg. Hier staat nu Kastanjehof.

Lukas

In 1974 werd het Lukas Ziekenhuis in gebruik genomen.

Foto’s: Gelre Ziekenhuis

Juliana Mary Liduina Lukas

Juliana Mary Liduina Lukas: vier namen, van een prinses, een Haagse juffer, een Schiedamse heilige en een evangelist, samen een intrigerende titel voor de geschiedenis van de Apeldoornse ziekenhuizen. Vanaf de eerste acht zwarte, ijzeren kribben in een ziekenhuis in 1886 tot het nieuwe, geavanceerd high level cure ziekenhuis voor heel Apeldoorn en de regio. Spannend verhalen over gedreven directeuren, specialisten en verpleegkundigen, over gemeentebestuurders met dubbele petten en misrekenende architecten, over dappere oorlogshelden en trieste slachtoffers, over nonnen en leken, over oude en moderne technologieën, over technische mankementen en hoogstandjes, over vreugde en verdriet in en om de Apeldoornse ziekenhuizen.

Spionage en ontvoeringen
In 1886 kreeg Apeldoorn, ongeveer zeventienduizend inwoners, het eerste ziekenhuis, aan de Sprengenweg, dank zij giften van koningin Emma, welgestelde Apeldoorners en vijftienhonderd gulden uit een loterij. Vijftig jaar later, in 1936 mocht Het Ziekenhuis, of Het Groote Ziekenhuis, zich tooien met de naam van prinses en later koningin Juliana. In 1887, opende het Kinderziekenhuis Mary, genoemd naar de te vroeg overleden dochter van Marie Bulkley-Bekking, hoofdrolspeelster in een onverkwikkelijk drama met spionage en ontvoeringen, Amsterdamse penozevrienden en hardvochtige maar rechtvaardige rechters, op stoom liggende vluchtboten en verraad.

Zusters op fiets
Vier Zusters Franciscanessen, de eerste nonnenverpleegsters van het in 1928 geopende rooms-katholieke Sint Liduina Ziekenhuis, genoemd naar Liduina of Liedewij, de Heilige Maagd van Schiedam, waren zeven jaar eerder al vanuit Deurningen (Twente) naar Apeldoorn gekomen, om in de wijkverpleging te gaan werken. Heel de dag doorkruisten de nonnen de stad, ‘zo vlug haar voeten haar maar konden dragen’, zoals een geschiedschrijver meldde, tot ze eindelijk een fiets kregen……Tot 1966 verzorgden de nonnen in het Liduina Ziekenhuis aan de Arnhemseweg patiënten en zorgden ze voor het huishouden.

Oorlogsjaren
Boeiende vertellingen bevat het boek over de oorlogsjaren. Over vierduizend gewonde militairen in beideziekenhuizen, scholen, kazerne, Paleis Het Loo en de St. Joseph Stichting. Over het dilemma van artsen: moeten we ook Duitsers helpen? Over moeder-overste die geen vreemde zusters duldde toen er te weinig handen aan het bed waren. Over honderden evacué’s uit Arnhem, gevlucht na de Slag om Arnhem. Over liederlijke drinkgelagen van Duitse artsen in het ziekenhuis. En over de bevrijding, toen de zusters onder een stralende voorjaarszon het Wilhelmus aanhieven.

Gelre ziekenhuizen
Lukas, één van de vier evangelisten, gaf zijn naam aan het nieuwe ziekenhuis in Ugchelen, het eerste interconfessionele ziekenhuis van Nederland, in 1974 geopend. In 1986 fuseerden Juliana en Lukas, tot Ziekenhuiscentrum Apeldoorn; in 1999 kwam Het Spittaal uit Zutphen erbij, samen heten ze voortaan Gelre ziekenhuizen. De Apeldoornse ziekenhuizen spraken al sinds de jaren tachtig over één groot, centraal ziekenhuis in Apeldoorn. In 2003 pas ging de bouw het van het centrale ziekenhuis, volgens de modernste inzichten van zorg op het hoogste niveau, van start. In 2009 wordt het ziekenhuis geopend.


Het eerste ziekenhuis in Apeldoorn

De geschiedenis van de ziekenhuizen in Apeldoorn gaat terug tot de vijftiende eeuw. Apeldoorn had toen al een hospitaal: aan de Dorpsstraat stond de Sint Anthoniuskapel, genoemd naar Sint Anthonius; hij was één van de populairste heiligen uit de vroege Middeleeuwen, naamgever van talloze kerken, kapellen, altaren en gasthuizen, beschermheilige van de armen. Het is overigens niet bekend of in die jaren de kapel nog voor ziekenverpleging werd gebruikt. In 1806 werd de kapel, na een aantal jaren nog als schooltje te hebben gediend, vervallen tot een bouwval, afgebroken.

Informerie op Het Loo
Al in de tijd van stadhouder Willem V, aan het einde van de achttiende eeuw, was er in Het Oude Loo een apotheek gevestigd, bestemd voor het hof. Lodewijk Napoleon liet in 1808, terwijl de verbouwing van het paleis in volle gang was, in het koetshuis een apotheek en een ‘infirmerie’, een hospitaal inrichten, voor de verpleging van dertig ‘lijders’, ook voor zieken van Apeldoorn en Het Loo, dat onder leiding stond van de hofarts, de ‘eerste doctor’ van de koning van Holland. De zieken in het hospitaal kregen wijn en vlees om weer aan te sterken, intendant Tengnagel had de taak de voorraden bij te houden. De apotheker van het paleis mocht op vertoon van bonnen die ondertekend moesten zijn door Tengnagel, gratis medicijnen leveren aan arme Apeldoorners. Bij het vertrek van Lodewijk Napoleon in 1810 werden de apotheek en het hospitaal gesloten.
Koning Willem III, de weldoener van Apeldoorn in de tweede helft van de negentiende eeuw, gaf in 1870 – toen in Gelderland cholera- en pokkenepidemieën heersten - het gemeentebestuur toestemming de stallen van de in 1851 gebouwde stoeterij achter huize De Veenkamp te gebruiken als noodhospitaal, maar Apeldoorn bleef gelukkig gespaard van de cholera, slechts een enkeling kreeg de pokken.

‘Op den vloer een parket’
In de jaren zestig van de negentiende eeuw, in 1864, het laatste jaar van zijn ambtsperiode, kaartte burgemeester mr. P.M. Tutein Nolthenius de discussie aan over de noodzaak van een ziekeninrichting. Kennelijk had hij goede contacten met zijn ambtgenoot in Arnhem, die al bijna vijftien jaar kon bogen op het Gemeenteziekenhuis. In 1844 had de gemeente Arnhem besloten tot het bouwen van een stedelijk ziekenhuis, of beter gezegd: een verpleeginrichting voor de armen. [...] In1847 ging het ziekenhuis open, aan de Eusebiusbinnensingel, op het Slakkengat.

Helaas, in Apeldoorn duurde het wat langer, want pas 22 jaar na de verzuchting van burgemeester Tutein Nolthenius kon de Apeldoornsche Courant haar lezers melden dat op Maandag 18 October 1886 het ziekenhuis zou opengaan, een historisch moment voor Apeldoorn, zouden we nu zeggen, toen geen aanleiding voor enig officieel vertoon, zoals we al vertelden. Alleen het bestuur van de Vereeniging Het Ziekenhuis te Apeldoorn kwam bijeen om zakelijk, alsof er niets bijzonders aan de hand was, te vergaderen, onder leiding van voorzitter dr. A. Zaaijer, die in 1877 als eerste gepromoveerde arts naar Apeldoorn was gekomen. In de directiekamer van het nieuwe ziekenhuis, ‘voorzien van een tafel met kleed, acht stoelen, een kast en op den vloer een karpet’, zoals A.J. Risseeuw, secretaris-penningmeester van de Vereeniging in 1936 schrijft in Vijftig jaren in dienst van de volksgezondheid, werd besloten te trachten enige dames te vinden die bereid waren toezicht te houden op de keuken en de linnenkast. Eén van de bestuurders verstoutte zich voor te stellen hiervoor de dames van de getrouwde bestuursleden te vragen, maar de bestuursleden konden niet hun echtgenoten voor die functie vragen, ‘omdat de bestiering van een huishouding met kinderen bezwaarlijk tijd overlaat voor werk buitenhuis’, zoals de notulen van die vergadering vermeldden.

Overheid of filantropie?
Voor gemeentegeneesheer Johannes C. Vlaanderen Czn. ging op die herfstige oktobermaandag een langgekoesterde en herhaald uitgesproken wens in vervulling. In 1872, toen na een cholera-epidemie de pokken in Nederland heersten, een jaar voor zijn zilveren ambtsjubileum, drong Vlaanderen in zijn jaarverslag bij het gemeentebestuur aan op een instelling voor het verplegen van zieken in Apeldoorn, in het bijzonder voor lijders aan besmettelijke ziekten. Hij herhaalde zijn hartstochtelijke pleidooi, gevoed door zijn ervaringen als gemeentearts, in zijn jaarverslagen over 1874, 1876 en 1877.
De klaagzangen van Vlaanderen vonden de volgende jaren weinig weerklank. In 1881 kwam er wel een barak voor verpleging van lijders aan besmettelijke ziekten, maar een ziekenhuis leek nog een droom. In 1883 rook Vlaanderen zijn kansen, toen hij met onder anderen zijn collega-gemeentegeneesheer dr. A. Zaaijer, opvolger van Walter, en apotheker Romijn werd benoemd in de gemeentelijke Gezondheidscommissie. Nauwelijks anderhalf jaar later adviseerde deze commissie een ziekenhuis op te richten, zes maanden later ging de Vereeniging Het Ziekenhuis Apeldoorn van start.
In een vergadering, op vrijdagavond 20 februari 1885, onder voorzitterschap van Vlaanderen zelf, hield deze volgens de Apeldoornsche Courant, een hartstochtelijk betoog: alleen met grote geldelijke opofferingen konden gemeenten en diaconieën zieken en gewonden elders doen opnemen, anderen lagen volgens Vlaanderen door onvoldoende verpleging vaak maandenlang in hun woning te wachten op herstel. Met een goede verzorging zou een ziekbed van enkele weken voldoende geweest zijn. Vlaanderen stelde de vergadering drie vragen: Moet er een ziekenhuis komen? Moet de oprichting uitgaan van de overheid of van het particuliere initiatief? En als filantropie de aangewezen weg is, hoe kunnen we het doel dan bereiken? De aanwezigen waren van oordeel dat particulier initiatief de beste weg was, want - zo stelde burgemeester H.P.J. Tutein Nolthenius – voor filantropische doeleinden zou gemakkelijker en sneller geld bijeenkomen dan voor een zaak die van de gemeente uitging.

Ziekenhuis ‘veel te kostbaar’
De situatie in de gezondheidszorg in Apeldoorn, met ongeveer zeventienduizend inwoners, was van dien aard dat een ziekenhuis langzamerhand noodzakelijk werd. ‘Wat in schier alle steden bestaat en gewaardeerd wordt, waarom zou dat te Apeldoorn niet worden begeerd?’, stond er aan het einde van de brief die aan zeshonderd plaatsgenoten werd gezonden, met een verzoek om een financiële bijdrage. Want er moest wel geld komen, omdat voor de ‘oprichting van een ziekenhuis, dat aan de behoeften van deze gemeente volkomen voldoet, eene som van ƒ 12.000,-- noodig is….,’ zo onthult de brief, met het verzoek voor ‘eene gift in ééns van minstens ƒ 50,-- of voor eene jaarlijksche bijdrage van minstens ƒ 5,-- .’
Maar op algemene bijval mocht het plan niet rekenen, de Apeldoornsche Courant vond het plan voor een ziekenhuis ‘voor een plattelandsche gemeente als Apeldoorn’ veel te kostbaar. De redacteur oordeelde dat ‘de hulpvaardigheid van buren en de opbeurende toespraken van huisgenoten in staat (waren) om de halve genezing ook wel thuis te garanderen.’ Verstandiger zou het zijn een fonds te stichten waaruit behoeftigen konden worden gesteund om bij uitzonderlijke gevallen een ziekenhuis in een stad te bezoeken. Men zou geneigd kunnen zijn, zo schrijft Risseeuw, ‘een hard oordeel te vellen over degenen die niet dadelijk het ziekenhuisplan bijvielen en met hart en ziel aanhingen. Als we echter lezen hoe het in de algemene ziekenhuizen gesteld was en uit welke categorieën de menschen, die voor de zieken hadden te zorgen, werden genomen, dan kan het niet anders of er moet een tegenzin, ja afkeer in de voorstelling van het publiek zijn gekweekt.’

Vorstelijke gift van Emma
De geldinzameling in Apeldoorn werd geen succes. De burgerij bracht maar 4.300 gulden bijeen, het Koning Lodewijkfonds, in 1808 gesticht door Lodewijk Napoleon, gaf duizend gulden en eenzelfde vorstelijke gift schonk H.M. koningin Emma. ‘Hoe is deze edele Vrouwe zich in latere jaren steeds gelijk gebleven’, schrijft de heer D. Gosker in 1936, als voorzitter van de Vereniging Het Ziekenhuis, in de inleiding van Vijftig jaar in dienst van de volksgezondheid. ‘Het is een bewijs dat reeds van den aanvang af Haar zorg uitging naar lijdenden en ongelukkigen. Hoe talloos vele malen daarna heeft Zij op dezelfde en soms op nog sterker sprekende wijze blijk gegeven van Haar diep meegevoel en Haar deernis met hen, die door ziekte en nood getroffen waren.’
Maar deze eerste giften stimuleerden te weinig mensen om een financiële bijdrage te geven, twaalfduizend gulden was te hoog gegrepen, dus moest het oorspronkelijke plan voor een ziekenhuis voor ‘on- en minvermogenden’ met twee grote ziekenzalen, één voor mannen en één voor vrouwen, beide met zes tot acht kribben (want over bedden sprak men toen nog niet), gewijzigd worden. Dat nieuwe plan, voor ƒ 6.700,--, iets meer dan de helft van het oorspronkelijk geraamde bedrag, omvatte twee grote zalen met elk drie kribben en een kleine zaal met twee kribben. De aanbesteding vond plaats in september 1885, de bouw begon - met het oog op de naderende winter – in het volgende voorjaar.
In de tussentijd zat het bestuur niet stil en zette een loterij op: ‘Een achttiental dames sloegen de handen aan den ploeg en plaatsten niet minder dan 3.000 loten. De prijs per lot bedroeg 50 cents. De opbrengst was ƒ 1532,67.Als dit geen daverend succes heeten mag!’, roept de chroniqueur uit. Een half jaar later ging Het Ziekenhuis open, op maandag 18 oktober 1886, twee dagen later werd de eerste patiënt opgenomen, een alleen wonende ‘bedeelde’ vrouw met een maagkwaal.

Deze citaten zijn afkomstig uit het tweede hoofdstuk van het boek.

 

 





deValkenberg.nl