De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

Nederland 200 jaar koninkrijk

De geschiedenis van Het Oude Loo en Paleis Het Loo

Het Oude Loo, het deels uit de late Middeleeuwen daterende kasteel - op enkele bospaden afstand van het Paleis Het Loo, het vroegere lustslot van de Oranjes dat nu een nationaal museum is - heeft iets van een mysterieuze schoonheid. Tien maanden van het jaar verbergt het zich tussen de eeuwenoude bomen in het paleispark, onbenaderbaar, onzichtbaar, afstandelijk. Maar in de twee mooiste maanden van het jaar, in april en mei wanneer de lente ontluikt, gaan de hekken rondom het kasteel open, dat dan – omringd door een slotgracht waarin zijn contouren weerspiegelen, geflankeerd door de harmonieuze kleurenpracht van de bloeiende, kleurrijke rododendrons en de geurende gele en witte azalea’s – onbevangen en bijna gastvrij  zijn uiterlijke, architectonische schoonheid toont.

Hof met weids uitzicht
Even mysterieus als het kasteel zelf is de vroegste bouwgeschiedenis van wat nu het kasteel is, maar in de late Middeleeuwen als Erve int Loe zijn leven is begonnen. F.A. Hoever, die bijna honderd jaar geleden zijn nog steeds geciteerde Mededelingen omtrent het Oude Loo en den Cannenburgh publiceerde, ontdekte delen uit de veertiende en vijftiende eeuw, zoals een muurdeel uit de veertiende dat aansluit op een ongeveer tweehonderd jaar later gebouwd deel van het oude jachtslot. Royaards meende dat het frontgebouw met de twee flankerende ronde torens, en ook de vierkante torens, zeker uit de vijftiende en misschien wel uit de veertiende eeuw stammen. Misschien dat in de veertiende eeuw het fundament werd gelegd voor Het Oude Loo, of in de eerste helft van de vijftiende eeuw toen Udo van Talholt Erve int Loe kocht en mogelijk de vierkante zuidwesttoren en het poortgebouw liet bouwen. Maar het kan ook zijn dat Udo Talholt, ‘averste rentmeister’ van de Veluwe onder hertog Arnold van Gelre, uitsluitend gronden kocht van Gerrit Noetboom uit Harderwijk. Hier kon ‘Udeke’ zoals hij  werd genoemd - of omdat hij klein van stuk was, of omdat hij geliefd was bij de velen op de Veluwe die hij ambtshalve moest bezoeken – een bij zijn stand passend huis laten bouwen. In elk geval een hof met een weids uitzicht over de Veluwe, van de Solseberg bij Garderen langs de torenspits van de Mariakerk tot aan de IJssel, over de bijna onafzienbare heidevelden en de gouden zandverstuivingen, met hier en daar wat kreupelhout waarin het wild schuilde. Het was, zoals hertog Arnold van Gelre het in 1432 verwoordde, een ‘wilt bijster’ land, woest en onbegaanbaar, ook onveilig, geheimzinnig, angstaanjagend. Op de schrale zandgronden verdienden arme boeren een droge boterham, met akkerbouw en veeteelt, in boerengemeenschappen die met de dorpen en buurtschappen de kerspels Apeldoorn en Beekbergen vormden.

Johanna (5) legde eerste steen
Wie het oudste nog bestaande deel van het kasteel, de zuidwesttoren en het poortgebouw heeft laten bouwen, zal één van de geheimen van Het Oude Loo blijven. Zeker is wel dat deze toren dateert uit de vijftiende eeuw, met enkele sporen uit de veertiende, zo bleek uit een in 1971 uitgevoerd archeologisch onderzoek. Deze – toen vrijstaande – toren moet  behoord hebben tot een bescheiden rechthoekig complex, waarbij een enigszins terugwijkende frontgevel aan de oostzijde hoorde, met een in het midden naar voren springende poorttoren; daarvan zijn delen opgenomen in de huidige frontgevel. Er is een vermoeden dat er in de vijftiende eeuw ook al een kleine noordvleugel gestaan zou hebben, maar daarover is geen zekerheid. Maar met het voortschrijden van de jaren wordt er meer bekend over de bouwgeschiedenis van Het Loo. Johan Bentinck, in 1500 aangesteld als jagermeester van de Veluwe, werd na het overzijden van zijn vader Hendrick in 1502 eigenaar van Het Loo. Hertog Karel van Gelre had een zwak voor Bentinck en hij kwam geregeld naar Apeldoorn, om er met Bentinck en anderen op de uitgestrekte Veluwe te jagen. Tijdens een vijfdaags verblijf op het kasteel was hij getuige van het uitbreiden of het verbouwen van het kasteel, mogelijk een versterking want er was oorlogsdreiging: het machtige Habsburgse huis wilde Gelre en Zutphen inlijven. In  1538 begon Bentinck met de bouw van de Nye Sael. Het was zijn vijfjarige kleindochter Johanna van Arnhem ‘welcke den eersten steen gelacht heeft, als het nye sael op het Loe getimmert wordt’; een steen met familiewapens en het jaartal 1538 werd ingemetseld boven de deur van de zuidvleugel. Deze ‘sael’ – zeer waarschijnlijk een uitbreiding of vervanging van de in 1504 gebouwde versterking - moet de zuidelijke vleugel zijn geweest: een grote zaal met een bovengalerij, tussen de zuidwesttoren en het poortgebouw, in latere tijden in gebruik als prinselijke kapel.

Roerige tijden vol ‘paepsche stoutigheden’
Toen Johanna van Arnhem het kasteel bewoonde, werd in 1582 het protestantse geloof de enige godsdienst die in het openbaar mocht worden beleden. Altaren, wijwatervaten en heiligenbeelden moesten verdwijnen, ook uit de huiskapel van Het Loo, dat altijd in bezit was geweest van katholieke adellijke families. Maar dat weigerde Johanna pertinent en tot de komst van stadhouder-koning Willem III bleef Het Loo een katholieke enclave, met net als andere kastelen in de buurt, zoals Cannenburch in Vaassen en Huis Ter Horst in Loenen, een schuilkapel voor besloten katholieke erediensten, in de Nye Sael of Ridderzaal, later bekend als de ‘capelle’. In deze roerige tijden vol ‘paepsche stoutigheden’, waartegen de schout niet wilde optreden, was er weinig aandacht voor belangrijke andere zaken, zoals uitbreiding van Het Loo. Wel werden in een inventarisatie van 1663 apart van het kasteel als bijgebouwen genoemd een bouwhuis, een stal, een melkhuis en een korenzolder. In 1678 was Het Loo in elk geval in oppervlakte aanzienlijk groter geworden, zo kon Johan Carcelis van Ulft bij zijn aanvaarding van het goed tevreden constateren.
Hoe groot Het Loo inmiddels was, bleek uit de Coop-cedulle van 27 november 1684, ter bekrachtiging van de verkoop aan de stadhouder-koning Willem III, van ‘die adellycke Havesate of Huijs Loo bestaende in ’t olde adel-Huijs ende alle nieuwe ende olde daertoe gehorende getimmerten, grachten, hoven, boomgaerden, bouw- ende weylanden, holt-gewas, plantagien, wateren’. Willem III en Mary besteedden al hun tijd en aandacht, op de dagen dat ze op Het Loo verbleven, aan de nieuwbouw en vooral aan de inrichting. Willem woonde een tijdje in het kasteel, toen de nieuwbouw nog in volle gang was, maar hij verbleef het liefst op zijn jachtslot, het kasteel – inmiddels omgedoopt tot Het Oude Loo - was bestemd voor hofbeambten en gasten voor wie in het nieuwe paleis geen plek was. Voor de hofhouding was er zo weinig ruimte dat Constantijn Huygens, de secretaris van Willem III, zelfs eens bij een medehoveling in bed moest kruipen…..Om ruimte te scheppen liet Willem III de Nye Sael ombouwen tot een aantal logeerkamers, per slot van rekening moest hij zijn – veelal Engelse – jachtvrienden wel een goed bed voor de nacht kunnen aanbieden.

Drieduizend schurftige soldaten
Na het overlijden van Willem III in 1702, na een ongelukkige val van zijn paard op Hampton Court, ontbrandde een heftige en langdurige strijd om de erfenis, dus ook over de vraag wie het kasteel onder zijn hoede zou krijgen. Uiteindelijk werd in 1710 besloten dat Het Loo en het hof te Dieren zouden toevallen aan prins Johan Willem Friso, die overigens een jaar later bij Moerdijk in het Hollands Diep verdronk, op weg naar een gesprek over de erfeniskwestie in Den Haag…….Zes jaar had Frederik I, koning van Pruissen, het op Het Loo voor het zeggen. Omstreeks 1757 vonden wat herstelwerkzaamheden plaats, waarschijnlijk om Het Oude Loo bewoonbaar te maken, maar vóór de Franse tijd veranderde er verder weinig aan het kasteel.
Bij de komst van de Franse overheersers, aan het einde van de achttiende eeuw, verklaarden timmerlieden dat zij het paleis hadden ingericht als lazaret, als hospitaal dus: ‘dat wij meede zijn gebruykt geworden tot het vervaardigen van het hoff voor een lasaret van sieke fransche troupes (….)’,  een hospitaal ‘voor de verzorging van om en nabij 3000 schurftige soldaten’. Dieven sleepten er later alles weg, zodat er weinig overbleef, buiten een oude keukentafel en de resten van een houten ledikant. Toen koning Lodewijk Napoleon in 1806 naar Nederland kwam, besloot hij in de wintermaanden in Amsterdam te wonen en in de zomermaanden in Apeldoorn te verblijven. Nauwelijks gearriveerd op Het Loo liet hij de gracht rondom het oude kasteel dempen, om te verhinderen dat de voorspelling dat hij ooit door verdrinking zou sterven, zou uitkomen….. Op bevel van zijn broer keizer Napoleon moest Lodewijk Napoleon enkele jaren later al vertrekken en Nederland werd kort daarna ingelijfd als Franse provincie.

Liever in het Londense societyleven
In 1815 werd Willem I tot koning gekroond, Het Loo zou zijn zomerresidentie worden, aan Het Oude Loo heeft hij weinig veranderd, ook al was het vervallen, ook al was de gracht gedempt en de tuin in een landschapsachtig park veranderd; alleen broodnodige reparaties liet hij uitvoeren. Willem II was weinig in Apeldoorn, voornamelijk verbleef hij in Tilburg (waar ze zelfs later een voetbalclub naar hem noemden) of in het Londense societyleven. Maar als hij zijn gezicht op Het Loo moest laten zien, verbleef hij op Het Oude Loo, dat voor bewoning geschikt gemaakt was. Hij woonde dan in de noordoosttoren, boven de kamer waar de leden van de Royal Loo Hawking Club vergaderden. Overigens was Willem zelf geen liefhebber van de jacht, zijn rol in de valkeniersclub beperkte zich tot beschermheer vanaf zijn troonsbestijging in 1840. De zoon van koning Willem III, kroonprins Willem, woonde – als hij in Nederland was, want het liefst verbleef hij in Parijs -  in de zuidelijke vleugel van het kasteel die daarom de naam Prinsenkwartier kreeg. Maar de jongeling had geen enkele ambitie om zijn vader op te volgen, hij maakte liever plezier in de Franse hoofdstad. Hij overleed in 1879 aan longontsteking.

Koninklijke opdracht voor Cuypers
Koningin Wilhelmina, gekroond in 1898, had een sterke band met het paleis en zijn bouwer, ze verbleef er meestal van het vroege voorjaar tot het late najaar. Het was dan ook niet verwonderlijk dat ze zich inzette voor de restauratie, van het paleis en ook van Het Oude Loo. Ze wilde in elk geval de oude gracht rondom het kasteel terug en ongeduldig als ze was namen prins Hendrik, haar echtgenoot, en zij op een zonnige zomerdag zelf de schop ter hand en begonnen het Oude Loo te ontgraven, er stroomde nog slechts een bescheiden sprengetje om het kasteel. Ze wilde het kasteel terugbrengen in de stijl uit de tijd van de stadhouder-koning.
Daarom gaf ze in 1904 Pierre J.H. Cuypers, die we in het eerste hoofdstuk al ontmoetten als architect van het Centraal Station en het Rijksmuseum, opdracht tot een complete restauratie. Waarschijnlijk wist Wilhelmina dat hij en zijn zoon Jos (die in 1901/1902 de Mariakerk aan de Hoofdstraat voltooide) werkten aan de restauratie van kasteel De Haar, waarvoor vader en zoon een indrukwekkend plan hadden ontworpen om uit de middeleeuwse ruïnes een ‘Gesamtkunstwerk’ te creëren, een restauratie die veertig jaar duurde. Of Cuypers, om deze koninklijke opdracht te verwerven, ook zo’n luxueus diner gaf zoals bij de presentatie van zijn plannen in 1893 voor De Haar, vermeldt de historie niet……
In elk geval ontvingen vakgenoten de plannen van Cuypers voor het Oude Loo niet met veel enthousiasme: hij wilde het kasteel restaureren en daarnaast verfraaien, in een voor velen wat overdreven romantische stijl, voorbijgaand ook aan de wens van Wilhelmina zoveel mogelijk de oorspronkelijke stijl terug te brengen. Eén plan ging in elk geval niet, vermoedelijk uit geldgebrek: Cuypers wilde, uit overwegingen van symmetrie, de noordgevel verlengen, van het kasteel een vierkant gebouw maken. Hij gaf het kasteel blauw met gele luiken en poortdeuren, hij veranderde de zuidwesttoren, de muren werden gerestaureerd door rode en gele baksteen tussen de oude kloostermoppen te stoppen en de schietgaten in het kasteel werden hersteld. Toen Cuypers op 94-jarige leeftijd in 1921 overleed, waren de restauratiewerkzaamheden nog in volle gang. Of er in de oorlogstijd tussen 1912 en 1918 aan het kasteel gewerkt is, is twijfelachtig, volgens Kroon zijn er geen stukken aanwezig die daarop wijzen. Zoon Jos nam het werk van zijn vader over. Na de restauratie werd het paleis nauwelijks gebruikt en raakte het geleidelijk in verval.

De kleine ruitjes kwamen terug
Pas in de jaren zestig kwamen er nieuwe plannen voor een restauratie van paleis en kasteel op tafel, van de hand van architect C.W. Royaards die vakbekwaam, creatief en met uiterste zorgvuldigheid onder meer het kasteel van Wijk bij Duurstede en het stadhuis van Elburg had gerestaureerd. Helaas kwam Royaards in 1968 bij een auto-ongeluk om het leven. Zijn ideeën over het Oude Loo waren zeer de moeite waard. Zo wilde hij een rankere brug, simpel, van hout. Typerend vond hij dat het kasteel eigenlijk uit twee delen bestond, gescheiden door poort en binnenplaats die op de begane grond niet verbonden zijn, een situatie die om een creatieve oplossing vroeg. In het gebouw wilde hij de oorspronkelijke balklaag herstellen, zodat deze verdieping weer gasten kon herbergen, Daarnaast moeten er vertrekken worden gereserveerd voor het personeel, onder wie een conciërge, want vaste bewoning was wel een vereiste om na de restauratie verval tegen te gaan. Royaards verlaagde in de twee jaar die hem waren gegeven om aan zijn plan te werken, de door Cuypers opgehoogde zuidwestgevel, Cuyper’s dakkapellen kregen weer net als vroeger kleine ruitjes, met hun houten roeden en kozijnen herinnerend aan de zeventiende eeuwse situatie.

Het kasteel was groot genoeg
Kort nadat hij de restauratie van Slot Zeist – omstreeks 1677 ontworpen door Jacob Roman die bijna tien jaar later ook Het Loo zou bouwen – had voltooid, kreeg ir. J.B. baron van Asbeck de opdracht de restauratie te voltooien. In zijn uitvoerige restauratieplan, in maart 1976 gepubliceerd, besteedde Van Asbeck geen letter aan zijn plannen met het kasteel, alle aandacht ging – logisch, dat wel – uit naar zijn ideeën voor het paleis. Het is bekend dat Van Asbeck, evenals Cuypers, het complex wel wilde aanvullen, niet uitsluitend om symmetrie te creëren, maar op basis van archeologisch onderzoek uit 1971, dat aantoonde dat de oudste toren, de zuidwesttoren dus, vroeger behoorde tot een klein rechthoekig complex, waar ook de kortere noordgevel op wijst. Maar het Rijk vond het kasteel groot genoeg, het idee van Van Asbeck werd verworpen. Het kasteel kreeg wel een nieuwe toegangsbrug, met een middendeel dat met kettingen opgehaald kan worden, en aan de noordkant leidt een brug naar de woning van de kasteelbeheerder. Opmerkelijk – want nooit ontdekt op oude tekeningen – is de houten toren tegen de zuidgevel, een noodtrap gebouwd op last van de brandweer, van hout en niet van steen want dat zou te massief zijn geworden. Aan de achterkant van het kasteel gaf de architect de noord- en zuidgevel met een nieuwe verbindingsmuur, de vroegere muur was door koning Lodewijk Napoleon gesloopt. De Sael werd evenals vroeger weer de ontvangstruimte waar koningin Beatrix en haar familie die vrij geregeld gebruik maken van het Oude Loo. En zestig dagen in het jaar, meestal in april en mei, is het park rondom het Oude Loo, met zijn doolhof, rododendrons, azalea’s en oude bomen toegankelijk voor het publiek, maar de kasteeldeuren blijven gesloten……  Dit artikel is in 2005 gepubliceerd als een hoofdstuk van het boek Van ‘t Loe tot La Tour. Zie voor meer informatie onder Boeken elders op deze website.





deValkenberg.nl