De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

ariens

Alfons Ariëns kreeg een standbeeld in Enschede, op het naar hem genoemde plein.

Bemoedigende rol van buurstad Enschede in ontwikkeling van textieldorp Haaksbergen

Toen Enschede aan het begin van de veertiende eeuw stadsrechten kreeg, was Haaksbergen, zoals een voorbijtrekkende reiziger schreef, ‘een modderig oord, omgeven door woeste gronden en natte veengebieden’. In de volgende eeuwen veranderde er weinig. Haaksbergen bleef een stil, eenzaam boerendorpje, ver weg van Enschede, waar de textielnijverheid floreerde, nadat slimme fabriqueurs  in 1728 het monopolie op de productie van bombazijn hadden binnengehaald.
De weg van Haaksbergen naar Enschede was lang, heel lang, langs de buurschap Rutbeek en de boerderij De Helmer, door onafzienbare venen. Pas op 1 november 1856 ging de met oerkeien en grind bestrate weg naar Enschede open, het Haaksbergerveen en het Haalsbergerveld waren met bruggen en duikers overwonnen. Bijna dertig jaar moest het dorp wachten op een spoorverbinding. In 1884 was het feest, toen de eerste trein het station binnen pufte. Voor Haaksbergen was de wereld dichterbij gekomen.

‘Een solide persoon’
Maar in 1839 moest de 24-jarige kandidaat-notaris Jan Jordaan (1816-1883) nog met paard en wagen naar Enschede reizen, over de lange weg door de overigens schilderachtige venen. Hij was uitgenodigd voor een gesprek met een aantal lokale fabriqueurs die samen een stoomspinnerij wilden opzetten en een directeur zochten. Geen van hen was kapitaalkrachtig genoeg om een eigen stoomspinnerij te beginnen, anderen waren wat huiveriger, durfden geen geld te steken in die ‘nieuwigheid’.  Daarom wilden de fabriqueurs samen een onderneming oprichten, de Enschedesche Katoen Spinnerij (EKS), in Enschede al gauw bekend als ’n Groot’n Stoom. De EKS zou volgens de ondernemende Enschedeërs ‘beslissen of onze stad het middelpunt van de katoennijverheid’ zou blijven. De aandeelhouders hadden alle vertrouwen in hun plan, want hun garens ‘overtreffen alle anderen, die in ons land vervaardigd worden’.  Eén van de aandeelhouders was koning Willem I – Koning Koopman – die voor 24.000 gulden intekende. Een novum in de geschiedenis van de stad, een koninklijke aandeelhouder in het door het familisme geregeerde Twentse textielwereldje.
De fabriqueurs zochten een directeur, een ‘solide, echter minder met de werking der spinnerij bekend persoon’. De naam van Jan Jordaan uit Haaksbergen was gevallen. Hij was nog jong, maar kwam uit een in aanzien staande Haaksbergense fabriqueursfamilie, kende de geur van linnen en katoen van thuis, maar had verder weinig notie van de textielnijverheid. Jordaan werd geacht vanuit een onafhankelijke positie de garens van de EKS eerlijk te verdelen over de fabriqueurs die aandelen hadden in de onderneming. Jan Jordaan bleek een goede keus. Hij ontwikkelde zich tot een vooraanstaande ondernemer in Enschede, die door zijn huwelijk met Geertruid Stroink (1819-1882) zich een plaats verwierf in de textielelite van het stadje. Geertruid was een dochter van Willem Stroink (1783-1845), één van de firmanten van J. Stroink & Zonen.

Het hele dorp liep uit
Derk Jordaan (1781-1876), de vader van Jan, was een rechtgeaarde fabriqueur en dus meer koopman dan ondernemer. Hij had weinig vertrouwen in de technische ontwikkelingen die zich in die jaren aandienden. Maar hij was het ook beu steeds bij zijn thuiswerkers langs te gaan om te horen of ze nog wat voor hem konden spinnen en weven, steeds vaker omdat Enschedese fabriqueurs de arbeidsmarkt in de omgeving afstroopten op zoek naar thuiswerkers. Derk kon daardoor zijn vaste afnemers steeds moeilijker op tijd leveren. Liever wilde hij niet langer afhankelijk zijn van thuiswerkers. Zoon Jan had in Enschede de voordelen van de stoommachine ontdekt. Na lange gesprekken waren zijn vader en zijn broers Hendrik en Willem ervan overtuigd dat ook zij op stoom zouden moeten overgaan. Het eerste stapje toonde voorzichtigheid. De Jordaans konden een gebruikte stoommachine overnemen, die slechts een beperkte capaciteit had, maar uitstekend kon worden ingezet ‘om lijnwaad te koken en te drogen’, waardoor het natuurlijke droogproces kon worden versneld. Heel het dorp liep uit toen Jordaan in 1859 voor de eerste keer de stoomfluit liet horen. Twee jaar later volgde een belangrijkere stap, ook weer op advies van Jan. Derk en zijn medefirmanten Hendrik en Willem besloten een stoomweverij op te richten, die in 1862 ging draaien. Het bedrijf was nu niet langer afhankelijk van thuiswevers, de firma kon nu wevers in vaste dienst nemen. Op zijn oude dag mocht vader Derk, inmiddels de tachtig gepasseerd, het begin van het industriële tijdperk in Haaksbergen nog meemaken.

Ariëns, voorvechter
Twente maakte in het midden van de jaren tachtig kennis met de sociale strijd tussen kapitalisten en arbeiders. Ferdinand Domela Nieuwenhuis had eind 1882 tijdens het jaarcongres van zijn Sociaal-Democratische Bond geroepen dat er hard moest worden gewerkt aan de verspreiding van het socialistische gedachtegoed. Geheel ‘Twenthe, ons industriekwartier bij uitnemendheid’, was nog onontgonnen terrein. ‘Overal ligt de brandstof voor de revolutie opgehoopt, maar in Twenthe zal het eerst de vlam van verzet uitslaan. Daar zijn arbeiders minder godsdienstig, dus minder gedwee en meer ontwikkeld dan elders’, meende Domela Nieuwenhuis. 
In Haaksbergen waren de arbeiders wél godsdienstig, drie van de vier inwoners waren katholiek. Evenals hervormden en gereformeerden waren katholieken vanuit hun geloofsovertuiging niet gewend in het geweer te treden tegen hun broodkeren. Ze vertrouwden op de kapelaan en de dominee. De rust en gelatenheid in Haaksbergen  en ook in andere kleinere plaatsen met industriële bedrijvigheid was een gevolg van de economische situatie, die tot omstreeks 1890 nog niet zo was verslechterd dat al kon worden gesproken van een sociale kwestie. De Jordaans, protestanten van huis uit, voelden zich weliswaar superieur boven hun arbeiders die als ondergeschikt en de mindere werden beschouwd, maar de arbeiders konden er mee leven, zolang ze brood op de plank hadden en een dak boven hun hoofd.
In Enschede was Alfons Ariëns, in 1886 kapelaan geworden, de voorvechter voor de belangen van de arbeiders in de stad. Hij keerde zich af van de ‘socialistische drijvers’, al hadden ze hun doelstelling gemeen: het verbeteren van de leef-, werk- en woonomstandigheden van de arbeiders. Maar de katholieken wilden dat doel bereiken met de R.K. Twentsche Arbeidersbond, die in 1891 was opgericht en enkele maanden later ook een afdeling in Haaksbergen kreeg. Deze vakbond had tot doel ‘de godsdienstig en maatschappelijke belangen van den Katholieken Werkman  te bevorderen en hem te vrijwaren tegen anti-christelijke invloeden’. 

Geen werkstaking, maar samenwerking
De Haaksbergse bestuurders hoorden op de bondsvergaderingen welke lonen er elders in Twente werden betaald. In elk geval verdienden de werknemers van Jordaan & Zonen aanzienlijk minder dan hun collega’s elders in de streek. Een goede wever kreeg maar vijf gulden in een week, maar in bijvoorbeeld Borne en Enschede bijna het dubbele. Daarom wilden ze een loonsverhoging, maar de firmanten van Jordaan & Zonen meenden dat de arbeiders genoeg verdienden. De Enschedese kapelaan nam het op voor zijn Haaksbergense bondgenoten en besteedde in het bondsblad De Katholieke Werkman uitvoerig aandacht aan de ontevredenheid in het dorp. Hij stookte het vuurtje op, totdat de protestantse firmanten van Jordaan & Zonen een voorbeeld stelden en twee katholieke aanvoerders ontsloegen. Met een beroep op het geweten en gezonde verstand van de firmanten van Jordaan hoopte Ariëns de kwestie te kunnen oplossen. De fabrikanten mochten blij zijn, zo schreef hij, ‘midden onder een echt christelijke bevolking te leven, die zijn bloed voelde koken bij zoveel onrecht, waarop de socialisten kwamen azen, maar zich bij dat alles toch rustig hield’.
De bestuurders van de katholieke arbeidersorganisatie zagen nog maar één uitweg: met een werkstaking Jordaan & Zonen op de knieën dwingen. Maar Ariëns wilde geen staking, onder geen beding, hij had in 1890 slechte ervaringen opgedaan tijdens een grote staking in Enschede, bij de textielfabriek van Ter Kuile & Morsman. De confessionele bonden waren tegen deze staking. De socialisten wilden doorzetten, maar Ariëns brak de staking door toezeggingen te doen aan de firmanten van Ter Kuile & Morsman. Dit was de kapelaan niet in dank afgenomen door de socialisten, die in hem een verrader zagen. Ook in het katholieke wereldje kreeg Ariëns de wind van voren, want zo’n optreden paste een priester niet. De werkstaking bij Jordaan ging niet door. De bondsbestuurders waren kwaad. Gerard Brom, die een biografie van Ariëns schreef, meende: ‘Het was voor de roomse wevers al zwaar genoeg om dag aan dag te horen dat ze aan de leiband van heerooms liepen; en nu had de kapelaan waarachtig de gelegenheid laten voorbijgaan.’

Experiment De Eendracht
Onverwachts ontsloeg Jordaan & Zonen op 23 oktober 1894 37 katholieke arbeiders, onder wie enige vrouwen. Het ongeloofwaardige motief luidde: er was te weinig werk. Kort daarna ontvouwde Ariëns zijn plan. Hij wilde een naamloze vennootschap op aandelen oprichten en de ontslagen werknemers ‘als coöperatie van huiswevers’ organiseren. Op 8 december 1895 meldde  de regionale krant Tubantia dat de ontslagen werknemers van Jordaan & Zonen De Eendracht hadden opgericht, een handweverij met dertig tot veertig getouwen, om voornamelijk bont goed te weven. De arbeiders verdienden een loon, deelden in de winst, kregen beperkte medezeggenschap. Maar het experiment met de productiecoöperatie dreigde te mislukken, want er werd te weinig verkocht. De energieke kapelaan, die heilig geloofde in zijn idee, moest zelf op reis om zijn producten aan de man te brengen. Met zijn valiesje vol stalen van stoffen reisde hij van winkel naar winkel, van het ene klooster naar het andere. Toen De Eendracht noodgedwongen op stoom moest overgaan om de concurrentie aan te kunnen, ontbrak daarvoor het geld. Ariëns moest ervaren dat het ooit zo gulle netwerk van de kapelaan de hand op de knip hield. Uiteindelijk bleek sluiten de beste oplossing. Een Haaksbergenaar had het zien aankomen. Als de arbeiders van Jordaan & Zonen langs kwamen, zaten de wevers van De Eendracht buiten op de stoep voor hun fabriekje en zeiden dan: ‘Daar gaan de slaven. Wij zijn onze eigen baas en werken wanneer we willen.’ Tot ze ontslag kregen en op één na allemaal met hangende pootjes terugkeerden bij Jordaan & Zonen. De kapelaan moest het afleggen tegen de protestantse firmanten, die hu hegemonie in het dorp bevestigd zagen. Zij hielden de lonen laag, gunsten kenden ze nu eenmaal niet, aldus de oud-werknemer, want ‘dat lag nu eenmaal niet in hun behoudende aard’.

Redder in de nood
Midden jaren twintig van de vorige eeuw kwam Jordaan & Zonen in financiële problemen. Firmant Derk Jordaan (1854-1925) was in 1925 op 71-jarige leeftijd overleden. Nadat zijn erfenis was afgehandeld en de successierechten waren betaald, bleek dat de oude structuur van het bedrijf niet kon worden voortgezet. De onderneming, die altijd van het eigen geld had kunnen leven, geheel in de lijn van het familistische streven in de Twentse textiel, moest geld van buiten aantrekken om te overleven. Buitenstaanders zouden nu invloed krijgen op het reilen en zeilen van het bedrijf en dat had Derk Jordaan juist willen voorkomen door zijn drie zoons de leiding van de firma te geven. De belangrijkste aandeelhouder werd Ludwig van Heek (1871-1931), die zijn vermogen had verdiend als firmant van Van Heek & Co in Enschede, ooit de grootste industriële onderneming van Nederland. Hij had een hechte vriendschap gehad met Derk Jordaan en zijn dochter Christine Friedrike was getrouwd met diens zoon Jan. Ludwig werd president-commissaris van de nieuwe naamloze vennootschap. Hij ontdekte al gauw dat er orde op zaken moest worden gesteld en nam diverse organisatorische maatregelen, verdeelde de taken onder de drie directieleden, schiep orde in de financiën en kreeg het bedrijf weer op het rechte spoor. In 1930 overleed Ludwig van Heek. Zijn opvolger als president-commissaris, de bankier Derk Jordaan FJzn, memoreerde dat Ludwig ‘met sterke hand’ had geregeerd. Zo redde een Enschedese ondernemer D. Jordaan & Zonen van een dreigende ondergang.

Middenstanders onder fabrikanten
De ‘Van Heeks van Haaksbergen’, zo werd de familie Jordaan vaak genoemd. Maar de vergelijking gaat mank. De Jordaans waren niet zo vermogend als de familie Van Heek. De reden was vrij simpel. De Twentse fabrikanten die gekozen hadden voor massaproductie voor buitenlandse markten – denk aan de katoentjes voor Indië – verdienden vooral in de tweede helft van de negentiende en de eerste twee decennia van de twintigste eeuw hun grote vermogens. Een bedrijf als Rigtersbleek, spinnerij en weverij, geleid door drie broers van Ludwig van Heek, maakte in en rond de Eerste Wereldoorlog grote winsten. De meeste jaren werden de winstcijfers met zeven cijfers geschreven, ze varieerden van bijna een miljoen tot soms meer dan twee miljoen gulden in een jaar. Bedrijven als Jordaan & Zonen, die onder meer huishoudtextiel maakten en vrijwel uitsluitend voor de binnenlandse markt werkten, droomden slechts van zulke omzetten en winsten. Als ze een halve of een hele ton in een jaar verdienden, spraken ze van een uitermate winstgevend jaar.
Van hun rijkdom kochten de Van Heeks landgoederen. Gerrit Jan van Heek, de machtigste en rijkste textielfabrikant van Enschede, verwierf in de laatste jaren van de negentiende eeuw veel gronden in Haaksbergen, zoals Het Lankheet, het Assinkbos en het Honeschbos. Ook andere fabrikanten hadden in Haaksbergen gronden, zoals de families Ter Kuile, Jannink en Elderink. Jan Bernard van Heek, zoon van Gerrit Jan, een oudere broer van Ludwig, bezat een deel van het Buurserzand en bouwde in de buurtschap Rutbeek zijn riante villa Zonnebeek. Ludwig  van Heek was de trotse eigenaar van Schloss Goyen in Zuid-Tirol. Jan van Heek, een jongere broer van Jan Bernard en Ludwig, kon zich uit de winsten van Rigtersbleek, het kasteel Huis Bergh in ’s Heerenberg met twaalfhonderd hectare bos en weiden rondom permitteren en verzamelde een internationaal spraakmakende collectie van laat-middeleeuwse kunst.  In hun villa’s en kastelen hingen de Van Heeks de wanden vol met kostbare kunstwerken. Ze maakten reizen over de hele wereld, om markten te verkennen en tegelijkertijd iets van de wereld te zien. Van de familie Jordaan was niemand buitensporig rijk. De pronk- en praalzucht van een aantal Twentse textielfamilies  waren de Jordaans vreemd. Sommigen staken hun geld in overigens bescheiden landgoederen, kochten soms een boerderij of bouwden een riante villa in het dorp. ‘De Jordaans hadden wel mooie spullen, maar ze leefden bijna calvinistisch’, zei iemand uit hun nabije omgeving. Ze waren de ‘middenstanders’ onder de fabrikanten.





deValkenberg.nl