De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

bernard en edwina

Bernard van heek en edwina Burr Ewing trouwden in 1900

bernhard

Bernard van Heek nam het initiatief voor het stichten van een museum in Enschede.

 

rijksmuseumT

In 1930 werd het Rijksmuseum Twenthe aan de Lasondersingel in Enschede geopend. Van 1930 tot 1956 was Jan van Heek honorair directeur van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

Foto Rijksmuseum Twenthe: Bibliotheek Enschede
Foto Bernard van Heek:
Stichting Edwina van Heek


 

Het Rijksmuseum van Jan van Heek
Twee bekende Twentenaren stonden aan de basis van het Rijksmuseum Twenthe aan de Lasondersingel in Enschede. Een fabrikant en een fanatieke stadshistoricus die zijn dagelijks brood verdiende bij een textielfabriek. Jan Bernard van Heek (1863-1923) was firmant van Van Heek & Co., de zoon van Gerrit Jan van Heek die het bedrijf in het begin van de twintigste eeuw tot de grootste industriële onderneming van Twente maakte. Zijn vriend Ko van Deinse (1867-1947) was een kenner van de geschiedenis van Twente en vooral van Enschede; hij was sinds 1889 chef de bureau van Gerh. Jannink & Zonen.
Van Deinse, in 1905 één van de oprichters van de Oudheidkamer Twente, nam Jan Bernard – roepnaam Bernard – eens mee naar de ruimte waar de kamer was gehuisvest: een leegstaande schilderswerkplaats aan de Langestraat, tussen het stadhuis en het politiebureau. Bernard zag hoe ‘treurig en gevaarlijk’ dit onderkomen was. Hij beloofde Van Deinse een nieuwe een ‘aan de eischen des tijds zich aanpassende woning.’ Aanvankelijk dacht Bernard aan een openluchtmuseum in de directe omgeving van zijn huis Zonnebeek, niet ver van het Buurserzand. Aanleiding daarvoor waren de in 1921 bekend geworden plannen van boer Gerrit Jan Wissink om zijn uit 1802 daterende Wissinks Mölle af te breken: daar zat zoveel hout aan, dat hij er een mooie schuur van kon bouwen. Het was Twente’s laatste stenderkast, een oud molentype. Bernard besloot de molen te kopen en te laten overplaatsen naar het nabijgelegen heideterrein Roerinkskamp. Van Deinse en Van Heek waren er van overtuigd dat de nieuwe plek niet ideaal was. Maar een andere oplossing was er niet en bovendien paste de molen prima in de plannen van Bernard om Twente te verrijken met een openluchtmuseum, met een traditioneel boerenerf met al zijn bouwsels – een bakspieker, een iemenschoer, een wagenschöpn – en oude landbouwwerktuigen.
Maar Van Deinse stuurde Bernard’s gedachten in een andere richting. Hij wilde het liefst een eigen gebouw voor de Oudheidkamer. ‘Mijn plannen vielen bij den Heer van Heek dadelijk in zeer goede aarde en toen ik hem op zijn verzoek onze verzameling eens nauwkeurig liet bezichtigen, mocht ik van hem de belofte ontvangen, dat hij zou trachten een museum te stichten, waar deze zou kunnen worden ondergebracht’, vertelde Van Deinse later. In het begin van de jaren twintig had Bernard al plannen gemaakt voor het stichten van een museum. Het bleek dat hij in 1921 grond aan de Emmastraat had laten kopen voor een Oudheidkamer en een Kunstmuseum. Bernard wilde het zijn vriend best vertellen: ‘Het is geen gekheid wat jelui van mij krijgt, dat wordt wel een half miljoen.’ De huidige koopwaarde van dat bedrag is ruim 2,7 miljoen euro. Maar hun plan haalde de eindstreep niet.

Museum in Van Heekshuis
Bernard zette zijn plan voor een museum echter wel door, hij wilde niet alleen de Oudheidkamer graag helpen, maar was ook van plan er zijn eigen verzameling schilderijen onder te brengen. Samen met zijn Amerikaanse vrouw Edwina Burr Ewing had hij in de loop van de jaren ongeveer tweehonderd kunstwerken gekocht, vooral romantische schilderijen. Daarnaast bevatte zijn collectie werken uit de zeventiende en achttiende eeuw, de meeste van minder bekende meesters. In de zomer van 1922 schreef Bernard minister dr. J.Th. de Visser van Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen dat hij van plan was ‘het Rijk der Nederlanden gratis aan te bieden een museum voor Kunst enz. met het benodigde terrein en eene verzameling schilderijen’. Maar de financiële situatie van de staat baarde de minister zo veel zorgen, dat hij vooral vreesde voor de exploitatielasten van een nieuw rijksmuseum. Hij adviseerde Bernard dan ook af te zien van de museumplannen en op betere tijden te wachten. Bernard mocht de verdere ontwikkelingen niet meer meemaken, op 31 januari 1923 overleed hij.

De familie Van Heek, onder aanvoering van Bernard’s tien jaar jongere broer Jan (Herman) van Heek (1873-1957), directeur van de textielfabriek Rigtersbleek en een gedreven verzamelaar van laatmiddeleeuwse kunstwerken, wilde de plannen van Bernard doorzetten. De eerste vraag die moest worden beantwoord: waar kunnen we het museum bouwen? Een terrein bij het Volkspark bleek niet geschikt. Maar in de zomer van 1923 wees de gemeente de Van Heeks op een stuk grond aan de Korte Steeg, het begin van de Deurningerstraat, maar de familie Van Heek vond het te klein. Ook de Nederlandse regering dacht mee. Namens de Rijkscommissie van advies inzake de musea kwam prof.dr. Jan Veth, directeur-hoogleraar aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten, begin 1924 voor overleg naar Enschede. De volgende dag schreef Veth een enthousiaste brief, waarin hij opperde het museum onder te brengen in het Van Heekshuis – aan de voet van ’n oalen stadstoren, ‘het huis met de hoge stoep’ – aan de Markt, met veel verve schilderde hij de voordelen.
Maar dat idee stuitte op weerstand van de familie. Jan van Heek’s moeder Christine Meier had in 1919 al laten vastleggen, dat ze graag zou zien dat na haar dood één van de kinderen het huis achter de Grote Kerk – later bibliotheek, nu een welzijnsinstelling – ging bewonen. Het moest volgens haar ‘een Van Heekshuis blijven, waarin de eenvoudige geest, het streven naar alles goed en groote harmonie moge voortleven’. In de voorbije jaren was in familievergaderingen enkele keren gesproken over de bestemming van het ouderlijke huis. Tijdens één van deze bijeenkomsten had Jan al laten weten dat Moeder hem ‘op verschillende tijden’ had verteld het huis na het overlijden van Vader – Gerrit Jan van Heek stierf in 1915 – te willen schenken aan de Oudheidkamer ‘voor het onderbrengen harer verzameling’. Maar later kwam ze van dat plan terug en had ze herhaalde malen ‘de innige hoop uitgesproken dat een van de kinderen de traditie zou voortzetten, dat vooral geen vreemden in het huis zouden komen, of dit verkocht zoude worden.’ Toen Jan Veth de gedachte had geopperd Bernard’s museum in het ouderlijke huis onder te brengen, kwam de familie weer bijeen. Enigen waren het met Veth eens, anderen wilden het huis ‘als middelpunt der familie Van Heek’ behouden. Jan van Heek vond het huis niet geschikt voor museum en oudheidkamer, ook niet wanneer de tuin erbij getrokken werd: ‘Nooit zoude zich hier het perspectief van een belangrijk Twentsch Museum, zooals onze broeder Bernard zich dat gedacht heeft […] kunnen ontwikkelen. Het zou wel te overwegen geweest zijn wanneer de kinderkamer en het pakhuis erbij gebleven zouden zijn’, maar dat is niet het geval.

‘Representatief Twentsch Museum’
Het bestuur van de Oudheidkamer hielp de familie uit de impasse door te wijzen op de aantrekkelijke mogelijkheden voor de bouw van een museum aan de Lasondersingel. Als het museum rondom een ruime binnenplaats werd gebouwd, kon het licht vanaf die binnenplaats en de straatkanten de schilderijenkabinetten binnenkomen. ‘Hoeveel beter schilderijen uitkomen in goed belichte en gerangschikte kabinetten dan in grote zalen, daarvan geeft het Rijksmuseum in Amsterdam na zijn gedeeltelijke hervorming blijk’, aldus het bestuur. ‘Wanneer tot stichting van het museum te dezer plaats wordt besloten, wordt het perspectief geopend van een waardig, representatief Twentsch Museum, zoals de legataris heeft bedoeld.’ Op 19 februari 1926 werd, na vijf jaar onderhandelen, in het Van Heekshuis de acte van schenking aan de staat getekend. Het werd niet het Van Heek Museum, maar het Rijksmuseum Twenthe. De familie Van Heek schenkt het Rijk het terrein, een museum waarin een verzameling schilderijen – waaronder de collectie van Bernard van Heek – en de collectie van de Oudheidkamer Twente plaats krijgen.

De vraag was nu wie het nieuwe museum ging ontwerpen. Uit een grote groep kandidaten werd tenslotte de architectencombinatie van Karel Muller en A.K. Beudt uit Hengelo gekozen, hun ideeën boden ‘de meeste aanknopingspunten’. Het kon nauwelijks een opmerkelijke keuze worden genoemd. Karel Muller, het meest bekend geworden door zijn ontwerpen voor het Tuindorp Het Lansink in Hengelo, had in Twente al voor veel fabrikanten landhuizen en villa’s gebouwd. Ludwig van Heek, een broer van Jan van Heek, had de van oorsprong Amsterdamse architect in 1902 gevraagd zijn villa aan de Hengelosestraat 40 te ontwerpen. Voor de schoonouders van Jan van Heek had hij een jaar later De Sprengenberg in Haarle gebouwd. Gerrit Jan van Heek, een jongere broer van Jan van Heek, had zijn villa De Wigwam aan de Boddenkampsingel 40 door Muller laten tekenen en voor Jan’s jongste broer Arnold van Heek had hij begin jaren twintig ’t Stroot in Twekkelo ingrijpend uitgebreid en verbouwd. Toen Karel Muller de opdracht kreeg voor het museum, was hij bijna zeventig, het was zijn laatste grote werk, dat hij uitvoerde met zijn compagnon K. Beudt.
De bouw verliep voorspoedig en op 17 juni 1930 kon de familie Van Heek – in aanwezigheid van onder anderen minister mr. J. Terpstra, sinds driekwart jaar minister van OK&W – het museum overdragen aan de staat, nadat er maandenlang hard was gewerkt aan de inrichting van zowel de schilderijenafdeling met twaalf zalen en kabinetten en de tien ruimten voor de Oudheidkamer Twente. De leidende gedachte was geweest ‘een Museum te scheppen, dat vrij van overlading, door logische rangschikking in opvolgende vertrekken en zoveel mogelijk in tijdsvolgorde, den bezoekers het verzamelde op bevattelijke wijze als een samenhangend geheel doet zien’, zoals Jan van Heek later schreef. Doelstelling van het museum was ‘aan de bezoekers in onzen bewogen en jagenden tijd een oogenblik van rust en verpoozing en een terugblik in het verleden te geven.’ Daarom was gekozen voor de bouw rondom een binnenplaats in den geest van een hofje of een middeleeuws klooster. ‘Zoodanige bouw maakt het mogelijk voor een oogenblik de verbinding met de buitenwereld te verbreken en zich opgenomen te voelen in een interieur, sprekende van andere tijden, van andere levenswijzen, van andere idealen’, aldus Jan van Heek, die vanaf het begin tot 1956 honorair directeur was van het museum.

Passie voor de middeleeuwen
Na het tekenen van de schenkingsacte werd er binnen de familie heftig gediscussieerd over het museale concept. ‘De richting, die het Museum insloeg, is die der Middeleeuwsche kunst in hare verschillende uitingen’, verklaarde Jan van Heek in de Museumgids van 1941, een ‘uitvloeisel van den persoonlijken smaak en aanleg van den schrijver.’ De familie had wel een meer algemeen profiel gewild, maar Jan van Heek wilde beslist een eigen stempel drukken op de collectie. Hij had vanaf zijn jeugdjaren een passie ontwikkeld voor bouwwerken en kunstwerken uit de middeleeuwen, vooral de laatmiddeleeuwse schilderkunst van de vroeg-Italiaanse meesters en de Vlaamse Primitieven trokken hem aan. In zijn kasteel in ’s Heerenberg, Huis Bergh, had hij een interessante particuliere verzameling bijeengebracht. Voor het museum had hij in de jaren vóór de opening al een aantal belangrijke laatmiddeleeuwse schilderwerken werken gekocht.
Jan van Heek en het bestuur van de Oudheidkamer Twente, onder de inspirerende leiding van Ko van Deinse, streefden ook naar een kwalitatief hoogstaande presentatie in het museum van de geschiedenis van stad en streek. In de tweede helft van de jaren dertig ging voor beiden een grote wens in vervulling. Er dreigde groot gevaar voor het bijna twee eeuwen oude Saksische ‘lösse hoes’ Groot Bavel in de Lutte. ‘Het lag daar op een kleine verhevenheid aan den oever van een smalle, heldere beek […] die door lage, eenigszins moerassige weiden stroomt’, aldus Jan van Heek. In 1936 hoorde hij dat de eigenaar overwoog Groot Bavel af te breken. De man had een nieuw huis gebouwd. De boerderij, die hij gebruikte als schuur, bergplaats en kalverstal, wilde hij verbouwen of afbreken. Van Heek had een beter idee: Groot Bavel moet blijven, in de tuin van het Rijksmuseum Twenthe. Hij vond het Saksische huis een lös hoes pur sang en daarmee zo karakteristiek Twents, een sieraad in het landschap.
De onderhandelingen met de eigenaar slaagden en in het voorjaar van 1936 werd het koopcontract getekend. In de herfst van 1936 en het volgende voorjaar braken werkloze bouwvakkers het huis af en bouwden het steen voor steen weer op aan de Lasondersingel in Enschede, op de plaats van het vroegere erve Het Laersonder. Alles gebeurde onder leiding van Jan Jans, architect in Almelo, bouwmeester en kenner van het zogenoemde Nedersaksische boerenhuis. Jan van Heek, zeer verbonden met het Saksische gebied, met zijn liefde voor de historie van het Twentse land waarin het boerenleven zo centraal staat, heeft zich bijzonder ingezet om deze boerderij te behouden en een plaats te geven bij het museum. Hij schonk ook het geld voor de aankoop. Op 11 mei 1937 kon Van Heek de waardevolle aanwinst in de tuin van zijn museum aan de staat overdragen.

Eigen stempel op collectie
Het volgende jaar, 1938, was ‘een tweede belangrijk jaar in het derde decennium’, zoals de latere directeur van het museum Adam Hulshoff vertelde in het gedenkboekje dat verscheen bij het vijftigjarige bestaan van het Rijksmuseum Twenthe in 1980. Op 15 september werden twee grote en twee kleine zalen aan het museum toegevoegd, op kosten van Gerrit Jan van Heek, een jongere broer van Jan van Heek, ook firmant van Rigtersbleek. In de door Beudt ontworpen uitbreiding aan de Vluchtestraat kreeg de kunstcollectie van Jan’s broer een plaats: werken uit de 19e eeuw, onder de titel Schilderijen uit het rijk der dieren. In datzelfde jaar beleefde Jan ook het heuglijke moment dat hij een begin kon maken met de inrichting van een kabinet dat was gewijd aan de boekverluchting van de middeleeuwen, zoals hij ook in Huis Bergh een bijzondere collectie manuscripten had aangelegd. De verzameling in het museum was niet zó groot, ‘doch er valt uit te zien hoe uit de boekversieringskunst op perkament de schildering op paneel groeide, zoowel in de richting van het portret als van de landschapsschilderkunst der 16de eeuw. Uit deze “Kleinkunst” ziet men den overgang naar de landschapsschilderkunst in groot formaat der 17de Eeuw’, doceerde Van Heek in zijn jaarverslag over 1938.
De grote laatmiddeleeuwse werken werden overgebracht naar de eerste zaal met bovenlicht. In verband met deze veranderingen was het nodig verschillende schilderwerken uit de verzameling van Bernard van Heek, hoofdzakelijk uit de 17de eeuw en de romantische school, in depot te plaatsen, waarmee Jan van Heek nog eens benadrukte dat hij zijn eigen stempel op de verzameling wenste te drukken. ‘Het lijdt echter nauwelijks twijfel, dat het peil der schilderijenafdeeling door de wijziging zeer verhoogd en de chronologische opvolging verbeterd is’, meende hij. Dertig jaar later constateerde Adam Hulshoff, in 1967 aangetreden als directeur, dat de middeleeuwse manuscripten een educatief gerichte inleiding vormden op de verzameling schilderijen uit de late middeleeuwen. Trots en tevreden stelde Hulshoff vast, dat de collectie laatmiddeleeuwse schilderijen ‘de meest kostbare en best geselecteerde’ was geworden ‘die met de grote Nederlandse musea in kwaliteit en gerichtheid kan wedijveren’. Een groter compliment had Jan van Heek niet kunnen krijgen.





deValkenberg.nl