De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

hoofdkantoor

Hoofdkantoor Van Heek & Co. was gevestigd aan de Markt in Enschede. Het kantoor lag naast het Van Heekshuis waar Gerrit Jan van Heek woonde tot zijn overlijden in 1918 

vollon

J.H. van Heek (1873-1957)

rigtersbleek

In 1897 begon Jan’s fabriek Rigtersbleek, een spinnerij en weverij, te draaien.

Foto’s:
Archief Stichting Edwina van Heek

Het kapitalistische familisme van een Enschedese textieldynastie
Het was een sterke traditie in de Twentse textielwereld: zoons van textielfabrikanten werden na hun lagere schooljaren opgeleid voor een vooraanstaande en vaak een leidende functie in het bedrijf van hun vader, dat hierdoor in het bezit van de familie bleef en een rijke inkomstenbron was voor de nieuwe generatie. Dat was ook de gedachte van Herman van Heek (1876-1930), firmant van Van Heek & Co., en zijn vrouw Bertiena Jannink (1878-1950), die voor hun zoon Frederik (1907-1987) een goede toekomst en misschien wel een firmantenstoel zagen weggelegd bij het bedrijf, dat toen één van de grootste industriële ondernemingen in ons land was. Daarom doorliep Frederik na de openbare lagere school de vijfjarige Hoogere Handelsschool. Maar na één jaar studie aan de Hoogere Textielschool in Enschede kreeg hij andere ideeën en ambieerde geen baan in de katoen. In 1926 ging hij economie studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij mede onder de indruk van de economische crisis in de jaren dertig zich sterk voelde aangetrokken tot het socialisme. De Twentse textielindustrie boeide hem nu wel, maar dan als wetenschapper.
In 1945 publiceerde Frederik – in de familie Rooie Fré genoemd – met zijn Twentse ervaringen en socialistische overtuiging als achtergrond het boek Stijging en daling op de maatschappelijke ladder. Daarin introduceerde hij het fenomeen familisme: een wijze van bedrijfsvoering waarbij het kapitalistische winststreven ondergeschikt werd gemaakt aan de bloei, het aanzien en de continuïteit van de sociale positie van de familie der kapitaalbezitters. De Enschedese textielfabrikanten in Enschede waren volgens hem niet het prototype van de hoogkapitalistische ondernemer, die immers streefde naar ‘sublimering van de meest menschelijke gevoelens in het zakenleven’ en naar persoonlijk succes, want ‘deze twee psychische trekken zijn voor de Enschedese ondernemers niet typerend’. Hij ontdekte bij deze fabrikanten eerder ‘een kapitalistisch familisme van agrarischen oorsprong’.
Fré van Heek zag een verband tussen dit agrarisch familisme en het ‘boerenerfrecht’, dat vooral in de Gelderse Achterhoek en Overijssel zeker tot na de laatste oorlog heeft bestaan: de hoeve moest in de familie blijven, de oudste zoon erfde. Er was volgens hem sprake van een ‘hechte locale traditie’. Van Heek citeerde Cato Elderink, ook een textieltelg, die zich niet aan de indruk kon onttrekken, dat er verband en overeenkomst bestond ‘tusschen het leven en de levensopvattingen in het oud-Saksische huis en den geest, die heerschte in vele 19e eeuwse textielfirma’s in Twente’.
Van Heek onderkende drie kenmerken van het familisme. De belangrijkste was dat de ondernemers de leiding van hun bedrijven wilden veiligstellen voor de toekomstige generaties. Een tweede overweging was dat ze voor de bedrijfsvoering noodzakelijke financieringen en investeringen uit eigen kas wensten te betalen, want vreemd geld zou ook invloed op de onderneming betekenen en dat was niet de bedoeling: de fabrikanten wilden baas in eigen huis blijven. Een derde kenmerk was de onderlinge hulpverlening. In de loop van de twintigste eeuw hielpen Enschedese textielfabrikanten collega’s – ook dikwijls de zwaarste concurrenten – die in financiële nood waren gekomen, individueel of collectief, zodat hun bedrijven zelfstandig zouden kunnen voortbestaan.

Tweespalt in de familie
Binnen het beperkte kader van dit artikel zullen we ons voor de ontwikkeling van het familisme beperken tot Van Heek & Co. in Enschede, waarbij we vooral de schijnwerper op Jan Herman van Heek (1873-1957) zetten, die een belangrijke rol heeft gespeeld in dit bedrijf en de Enschedese textielindustrie. A.L. van Schelven beschreef de opkomst, de bloei en de neergang van dit bedrijf in zijn boek Onderneming en familisme, dat ook één van de bronnen voor dit artikel is. Soortgelijke verhalen zouden overigens ook over andere fabrikantenfamilies kunnen worden geschreven.
De geschiedenis van Van Heek & Co. begon in 1778, toen Hendrik Jan van Heek en zijn vrouw Engelbertha Lasonder, dochter van een vermogende Enschedese linnenhandelaar, besloten uit Delden naar Enschede te verhuizen, aangelokt door de voorspoedige ontwikkeling van de katoennijverheid in die stad. In de jaren tachtig en negentig van de achttiende eeuw bloeide de textielnijverheid in Enschede en omgeving namelijk sterker dan in overig Twente. Op marktdagen kon je in Enschede tientallen boeren ontmoeten, met een mars op de rug op weg naar de ‘reider’. Ook Hendrik Jan van Heek werd zo’n reider. Hij kocht van de boeren in de omgeving hun gesponnen en geweven garens, bleekte, verfde en kalanderde ze. De zaken gingen goed. In de zomer van 1781 betrok de familie het huis aan de Markt 21. In 1792 kocht Hendrik Jan het achter zijn huis gelegen perceel aan de Achterstraat, om meer opslagruimte te hebben. Zo legde hij de grondslag voor een textielimperium dat in de komende eeuw en nog lang daarna zijn stempel zou drukken op zijn nieuwe woonstad.
In de lijn van het Saksische boerenerfrecht zette Hendrik Jan’s oudste zoon Gerrit Jan (1780-1851) samen met de tweede zoon Helmich (1785-1847) de zaken voort onder de naam firma H.J. van Heek & Zonen. De onderneming bleef gevestigd in het huis aan de Markt; later werd het bedrijf overgebracht naar het Van Heekshuis achter de Grote Kerk dat Helmich in 1818 had gekocht. Aan de voorkant van het huis waren de kantoren, het pakhuis lag in de tuin. Maar met de komst van de stoommachine kwamen de eerste scheurtjes in de familistische traditie. Er ontstond tweespalt in de leiding van Van Heek & Zonen, doordat niet iedere firmant overtuigd was van de noodzaak om op stoomkracht over te gaan. Hein, de zoon van Gerrit Jan, wilde ‘in ’t klein alleen doen’, de drie zoons van Helmich – Hendrik Jan (1814-1872), Herman (1816-1882) en Gerrit Jan (1837-1915) – waren van plan een grote stoomweverij op te richten. Daarom maakte Gerrit Jan in het najaar van 1857 een studiereis naar Engeland. Hij zag dat de textielindustrie het daar moeilijk had, want de handel liep slecht en overal was werktijdverkorting ingevoerd. Maar bijzonder enthousiast was hij over de technische innovaties in de machineparken van de fabrieken in Lancashire, het Engelse Twente van die tijd.
In Twente floreerde de textiel daarentegen wel, 1858 werd zelfs een topjaar. Van Heek & Zonen maakte een rendement van twaalf procent op het eigen vermogen. Het bleek echter het laatste jaar van het bedrijf te zijn, want op Oudejaarsdag 1858 – dit jaar dus anderhalve eeuw geleden – gingen de zoons van de beide families in alle vriendschap uit elkaar en dat betekende het einde van de firma H.J. van Heek & Zonen. Het was dus niet gelukt het bedrijf voor de komende generaties te behouden, toch de belangrijkste doelstelling van het familisme.
Er werd een nieuwe firma opgericht, onder de naam Van Heek & Co. Op 29 maart 1859 werd de definitieve acte getekend. De firma had tot doel de vervaardiging van bombazijn, pillow, calicot, enzovoort. De leiding kregen Helmich’s zonen Hendrik Jan (1814-1870), Herman (1816-1882) en Gerrit Jan (1837-1915). De nieuwe onderneming startte vanuit een gunstige positie. In het binnenland werden steeds meer katoenen afgezet, de tijden waren economisch gunstig. Er waren zeshonderd klanten en een veelvoud van huiswevers en niet het minst belangrijk: de firma had bekwame leiders. De positieve financiële resultaten, de ervaring in het textielvak en het opgebouwde relatie- en klantennetwerk hielpen het nieuwe bedrijf door de altijd zware eerste jaren.

Eeg’n steumke
Hendrik Jan van Heek maakte de nieuwe onderneming in de eerste tien jaar van haar bestaan tot de grootste van Enschede. Gerrit Jan legde daarvoor de organisatorische en technische basis. Hun bedrijf beleefde in de tweede helft van de negentiende eeuw jaren van grote voorspoed en groei. Sinds 1850 was de binnenlandse afzet sterk toegenomen, katoenen stoffen kwamen steeds meer onder het bereik van de massa en de nieuwe firma ging in een economisch gunstige tijd van start. Na 1850 begon in Nederland de industriële revolutie, het fabriekswezen nam sterk toe en overwon de oude vormen van industriële productie, ook in de katoenspinnerij in Twente.
In 1888 begon Gerrit Jan na te denken over de toekomst. Hij had naast zes dochters zeven zoons, die hij ieder een kans op een riante toekomst wilde bieden. Daarover had zijn tweede vrouw Christine Meier – zijn eerste echtgenote Julia Blijdenstein was al jong overleden – echter een ander idee. Christine en ook haar vader Ludwig Arnold Meier – uit een Duitse familie van hoge militairen en vooraanstaande ambtenaren en juristen die tot het Bildungsbürgertum behoorde – zagen graag dat in elk geval één van de zoons rechten zou gaan studeren. Maar vader Gerrit Jan wilde dat ieder zou bouwen aan een carrière in de textielindustrie. Jan van Heek (1873-1957), de vijfde zoon in het gezin, kon die keuze billijken, zoals hij later in zijn memoires zou schrijven, want hijzelf wilde ook liever de praktijk in dan verder studeren.
Gerrit Jan dacht ieder van zijn zonen zou een ‘eeg’n steumke’ toe, omdat hij vanuit de traditie van het familisme meende dat een succesvolle familieonderneming een garantie was voor maatschappelijk aanzien en financiële zekerheid. Daarom bouwde hij in 1888 in Boekelo een eigen bleekafdeling voor Van Heek & Co, de Boekelosche Stoombleekerij, zodat Van Heek & Co. voor het bleken van het doek uit de eigen weverij niet alleen afhankelijk was van andere blekerijen in de regio. Zoons Henny (1864-1930) en Helmig (1865-1929) kregen de leiding. In dat jaar werden ook afspraken gemaakt over de opvolging van Gerrit Jan als firmant van Van Heek & Co. Op 23 november meldde deze aan zijn medefirmanten, dat er vijf vennoten in de firma zouden worden opgenomen: twee zonen van medefirmant Bram Ledeboer, één zoon van medefirmant Helmich van Heek Hzn en twee van hemzelf, ieder met een gelijk aandeel op nader te bepalen voorwaarden. Gerrit Jan kreeg het recht zijn twee zoons Bernard (1863-1923) en Ludwig (1871-1931) tot firmant te benoemen, als ze tenminste blijk hadden gegeven van voldoende vlijt, kennis van zaken, toewijding en goed gedrag.
In zijn brief liet hij ook weten hoe hij de toekomst van zijn drie jongste zoons – Jan, Gerrit Jan (1880-1958) en Arnold (1882-1972) – zag: ‘Het gevolg hiervan is dat mijn aandeel in de zaak belangrijk vermindert. Daartegen richt mijn zoon Jan met zijn beide jongere broeders in de toekomst eene nieuwe firma op, die zich toelegt op het fabriceren van fijne bleekgoederen als cambrics, shirtings en calicots.’ Het moest een onderneming worden die nieuwe producten ontwikkelde en nieuwe afzetmarkten aanboorde, om zo het productiepakket en de afzetmarkten van de beide bedrijven uit te breiden, waardoor Van Heek door het stringente familistische beleid van Gerrit Jan van Heek de textieldynastie van Enschede werd. In 1897 gingen de nieuwe spinnerij en weverij G.J. van Heek & Zonen van start. Al snel kreeg het bedrijf de naam Rigtersbleek naar de historische grond waarop de fabriek was gebouwd.

Afscheid van familisme
Rigtersbleek ontwikkelde zich voorspoedig, na een aanvankelijk zwakke start met veel aanloopverliezen. Ook in de oorlogsjaren 1914-1918 kon de fabriek blijven functioneren en waren de resultaten uitstekend. Maar Jan van Heek zag in het voorjaar van 1916 de toekomst somber in. De Eerste Wereldoorlog was nog lang niet voorbij, Duitsland en Frankrijk vochten door. Daarom trof hij voorzieningen, ‘voor het geval Nederland in den oorlog betrokken raakt en ik zoude komen te vallen, of wanneer ik […] kom te overlijden’ en hij schreef zijn ‘Beschikkingen en Wenschen’ op. Hij wilde dat voor alles zijn kinderen in grote eenvoud zouden worden opgevoed. En hij gaf zijn kinderen de vrije hand wat hun toekomst betreft. In feite nam hij toen afscheid van het familisme:

‘Een zoon zal eventueel zijn eigen richting moeten kiezen, doch worde hem op het hart gedrukt niet zonder noodzaak te veranderen. Doet hij een keuze, zo moet dat na rijp beraad geschieden, doch hij moet de eenmaal ingeslagen weg niet licht verlaten. Dat geldt voor iedere carrière, zij deze militair, industrieel, juridisch of gouvernementeel. Op nagelaten rijkdommen mag niet alleen geteerd worden. Ieder moet in de maatschappij een werkzaam en nuttig aandeel nemen en zich zijne positie waardig maken. Blijft men teeren op naam of rijkdom, zoo is iedere familie vroeg of laat tot achteruitgang en ondergang gedoemd.’

In 1916, toen hij dit document opstelde, hadden Jan van Heek en zijn vrouw Annetje twee dochters. Daarna werd het gezin uitgebreid met nog een dochter en drie zoons. Volgens deze beschikking zouden mannelijke nakomelingen dus niet automatisch – zoals vader Gerrit Jan wel had nagestreefd – een ‘eeg’n steumke’ krijgen. Jan van Heek garandeerde de volgende generatie niet bij voorbaat materiële en sociale zekerheid, wat zijn voorouders in feite wel hadden gedaan. Hij zag Rigtersbleek niet als een familiaal bezit en een inkomensbron voor het nageslacht.

Het einde
Nam Jan van Heek in 1916 al afscheid van het familisme, het formele einde kwam echter pas bijna twintig jaar later. De slechte resultaten in de crisisjaren dertig leidden tot belangrijke veranderingen in de organisatiestructuur van diverse Twentse textielbedrijven. Op 1 januari 1935 werden ook de firma’s Van Heek & Co en G.J. van Heek & Zonen (Rigtersbleek) omgezet in een naamloze vennootschap. Als de Enschedese textielfabrikanten niet zo vasthoudend waren geweest om de juridische vorm van de vennootschap onder firma tot het midden van de jaren dertig te handhaven, hadden ze door een eerdere omzetting van de organisatievorm zeker acht miljoen gulden aan belastinggelden bespaard, meende Fré van Heek.
Altijd hadden beide bedrijven alles binnenshuis kunnen regelen, nooit hadden zij een beroep hoeven te doen op externe financiers, zware investeringen waren steeds met eigen geld gefinancierd. Want zo vertaalde de familie Van Heek het familisme vooral: alles zelf betalen, geen geld van buiten aantrekken, geen pottenkijkers in het bedrijf, de familie houdt het alleen voor het zeggen. Dat was immers nooit een probleem geweest. Hun fabrieken waren winstmakers. De firmanten van Van Heek & Co. waren de rijkste inwoners van Enschede. Uitbreidingen en deelnemingen – ook de bouw van de nieuwe fabriek van Rigtersbleek – werden probleemloos met eigen kapitaal gefinancierd, dat was opgebouwd uit in de firma geaccumuleerde winsten. Het vermogen van de firma, nodig voor financiering van de aankoop van katoen en van consignatiezendingen, groeide voortdurend. Weloverwogen beleid bij de termijnaankopen op de katoenmarkten en een scherpe bedrijfsvoering leverden stevige winsten op. Gedurende vrijwel haar hele bestaansperiode hoefde Van Heek & Co. nooit gebruik te maken van bankkrediet.
De belangrijkste overweging om de firma’s in een NV om te zetten vormden de verliezen in de eerste helft van de jaren dertig, die volledig werden verhaald op het eigen vermogen van de onderneming. Jan van Heek, in die jaren uitgegroeid tot een invloedrijke man in de Twentse textiel, begeleidde de ombouw van Van Heek & Co. Tegelijkertijd werkte hij aan de structuurverandering van zijn eigen bedrijf Rigtersbleek. Betekende de NV-vorm formeel gezien dus het einde van het familisme, de praktijk toonde echter aan dat de nieuwe bestuursvorm zeker in de eerste jaren, toen de economische problemen ieders aandacht en inspanning opeisten, weinig veranderde. De familiale banden, hier en daar gekruist met zakelijke, bleven sterk, de zeggenschap was nauwelijks verschoven.
Jan van Heek werd vanaf 1 januari 1935 gedelegeerd commissaris van Rigtersbleek, commissaris van de Boekelosche Stoombleekerij en president-commissaris van Van Heek & Co. Direct na zijn aantreden probeerde hij wat overblijfselen van het familisme bij Van Heek & Co. op te ruimen. Hij wilde bijvoorbeeld de oligarchische clausule die in de statuten van de nieuwe vennootschap was opgenomen, wegstrepen. De oprichters van de NV hadden namelijk voor zichzelf het recht gereserveerd na raadpleging van commissarissen de voordrachten op te maken voor benoemingen van commissarissen en directeuren. Deze procedure leidde meestal tot de benoeming van familieleden op de hogere posities in het bedrijf. Jan van Heek vond deze regeling funest, volgens hem moest het mogelijk blijven de ‘beste directie’ te benoemen. Bij de aanpassing van de statuten in 1938 verviel de clausule. ‘Toch bleven de hang naar het eigen nest en de angst voor de intocht der vreemden nog lange tijd bestaan’, meende Van Schelven. Formeel was het familisme begraven, maar het duurde te lang voordat de textielfabrikanten er daadwerkelijk afstand van konden doen.
Wim H. Nijhof publiceerde eind 2008 de biografie Kunst, katoen en kastelen. Jan van Heek (1873-1957). Het boek is verschenen bij Waanders Uitgevers in Zwolle.





deValkenberg.nl