De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

   

Jan Herman van Heek

Jan Herman van Heek
1873-1957, textielfabrikant, kasteelheer, kunstverzamelaar, beschermer van natuur en monumenten

Jan Herman van Heek werd op 20 oktober 1873 geboren in Enschede, als zoon van de voornaamste en meest vermogende textielfabrikant in Enschede Gerrit Jan van Heek (1837-1915) en zijn Duitse echtgenote Christine Friedrike Meier (1842-1920). Hij trouwde in 1913, kort voor hij veertig werd, met de bijna twintig jaar jongere Anna van Wulfften Palthe, een dochter van de Almelose textielfabrikant Arnold Albertus Willem van Wulfften Palthe (Oldenzaal, 1852 – Wassenaar, 1929) en Maria Aurelia Egberts (St. Petersburg, 1853 – Haarle, 1911). Jan van Heek en Annetje, zoals zijn vrouw in de familie werd genoemd, kregen zes kinderen (drie dochters, drie zonen).

Jan van Heek kwam ter wereld in het gezin van de machtigste en rijkste textielfabrikant van Enschede, Gerrit Jan van Heek. Dat gezin telde dertien kinderen, zes dochters en zeven zonen. De vermogende elite van het stadje woonde in die jaren rondom de Grote Kerk. G.J. van Heek had zijn villa laten bouwen aan de Hondenkolk, waar Jan van Heek werd geboren maar slechts een jaar woonde, want al snel verhuisde de familie naar het Van Heekshuis, achter de kerk, dat sinds 1818 in bezit was van de familie. Tot zijn veertigste woonde Jan van Heek in het ouderlijke huis, tot 1913, toen hij trouwde met Annetje van Wulfften Palthe, die hij een jaar eerder op de tennisbaan had ontmoet. Het was een huwelijk volgens de mores in hun wereldje: textiel trouwt textiel, want Annetje was de dochter van één van de directeuren van het textielveredelingsbedrijf Gebr. Palthe in Almelo. Ze woonden in Enschede op het landgoed ’t Roessingh, aan de rand van de stad.

Jan’s lagere school, de Eerste Openbare School, was de opleidingsschool voor de Twentsche Industrie- en Handelsschool, die een speciale textielopleiding voor fabrikantenzonen kende. Daarna vertrok hij naar Engeland – zijn tweede vaderland, zei hij later – dat hij leerde kennen tijdens de stages die hij als aankomend fabrikant doorliep in machinefabrieken en cotton mills in Lancashire, hét textielgebied van Engeland. Want dat hij fabrikant zou worden was voor zijn vader Gerrit Jan een vast gegeven. Jan’s moeder, opgegroeid in het Duitse Bildungsbürgertum, de gestudeerde elite, had liever gezien dat haar lievelingszoon een studie voor een juridische loopbaan of voor het openbaar bestuur zou volgen.

Maar vader Gerrit Jan volgde de tradities van het familisme, een wijze van bedrijfsvoering waarbij het kapitalistische winststreven in dienst werd gesteld van de bloei, het aanzien en de continuïteit van de sociale positie van de kapitaalbezitters. De industriëlen wensten geen pottenkijkers, geen vreemd geld in de zaak, ze zorgden voor zichzelf en hun familie. Iedere zoon een ‘eeg’n steumke’, was de wens van Jans vader. De twee oudste zonen kregen een riante firmantenzetel in Van Heek & Co., het grootste textielbedrijf in Enschede en in 1910 zelfs de grootste industriële onderneming in Nederland. Voor de volgende twee zoons bouwde Van Heek de Boekelosche Stoombleekerij. Jan kreeg in 1897 de leiding over de splinternieuwe, met het modernste materieel uitgeruste spinnerij en weverij Rigtersbleek in Enschede. In tegenstelling tot zijn collega’s in Twente koos hij niet Gerrit Beltman, die fabrieken en villa’s ontwierp voor vrijwel alle grotere textielbedrijven in Oost-Nederland en de huisarchitect was van Van Heek & Co., maar voor de Engelse architect Sidney Stott die nu zijn zelf ontwikkelde, weinig brandgevoelige Lancashire Mill in Twente kon introduceren. Voor het aandrijfsysteem gaf Jan de voorkeur aan tandwielen en niet met aandrijfriemen uigeruste machines die in vrijwel alle katoenfabrieken draaiden. Jan van Heek werd een succesvolle ondernemer. Draaide zijn fabriek – waarin later zijn jongere broers Gerrit Jan en Arnold als firmant werden opgenomen – de eerste jaren met grote aanloopverliezen, in de jaren tien werden de winsten telkens met zeven cijfers geschreven. Hij verwierf aanzien en invloed in de Oost-Nederlandse textielindustrie en wierp zich in de economisch zwakke jaren twintig en dertig, toen de bedrijfstak met grote problemen kampte, op tot woordvoerder en belangenbehartiger. Niet tevergeefs schakelde hij zijn Haagse netwerken in om te proberen samen tot oplossingen te komen.

Zijn groeiende vermogen stelde Jan van Heek in staat in 1912 voor bijna een half miljoen gulden het verwaarloosde kasteel Huis Bergh in ’s-Heerenberg te kopen. Niet als andere textielfabrikanten kocht Jan van Heek een bezitting in de Twentse dreven, maar een kasteel in De Liemers. Want Jan van Heek was altijd al een buitenbeentje geweest in de familie en in de streek. Als klein kind al blonk hij in alles uit, zoals een jongere broer ooit vaststelde. Jantje speelde wel met zijn vriendjes en broertjes op straat, maar het liefst zat hij thuis op de bank met een boek. Toen hij ouder was en zijn broers hun leven met het fototoestel vastlegden, pakte Jan zijn tekenkoffertje, dat hij altijd, waar hij ook ging, bij zich had. In meer dan negentig schetsboeken vertellen nu ruim tweeduizend tekeningen spannende verhalen over de vele reizen die hij op vrijwel alle continenten maakte. Smukten de vermogende Twentse families hun huizen op met schilderkunst uit de Gouden Eeuw, Jan van Heek, de tegendraadse textielbaron, verkoos de religieuze kunst uit de late middeleeuwen. In de oorlogsjaren 1914-1918 begon hij oude schilderijen en meubelen te kopen, om Huis Bergh in een bij het rijke, middeleeuwse verleden passende sfeer te brengen. In de zomer van 1919 ontpopte kasteelheer Van Heek zich als kunstverzamelaar, toen hij voor twee ton de kunstcollectie van Friedrich Wilhelm Mengelberg kocht: 91 religieuze en 21 profane schilderstukken, 55 sculpturen en zeven monstransen en een ciborium.

De volgende jaren verwierf Jan van Heek uit collecties en bij kunsthandelaren vele vroeg-Italiaanse schilderijen en handschriften. Hij veroverde hij een plaats in de selecte groep verzamelaars die Nederland in het interbellum opwerkte tot het internationale centrum van de handel in en het verzamelen van vroeg-Italiaanse kunst. Tot deze groep behoorden onder anderen Otto Lanz, Fritz Mannheimer, Jacques Goudstikker en George van Beuningen. Van Heeks collectie groeide uit tot de belangrijkste particuliere collectie van laatmiddeleeuwse kunst in ons land. In 1930 werd Jan van Heek benoemd tot honorair directeur van het met familiekapitaal gestichte Rijksmuseum Twenthe in Enschede, waar hij tot zijn aftreden in 1956 vooral werk uit zijn geliefde late middeleeuwen verzamelde en exposeerde.

Vanaf de herfst van 1944, toen zijn kleine landgoed ’t Roessingh in Enschede gevorderd werd door de Duitse bezetters, woonde Jan van Heek in Huis Bergh. Het kasteel was in 1938 afgebrand – een groot deel van zijn kunstcollectie ging daarbij verloren – maar vier jaar later was Huis Bergh gerestaureerd en waar mogelijk teruggebracht in de laatmiddeleeuwse bouwstijl. Middeleeuwse kastelen en kerken hadden Van Heek’s grote liefde. Daarom zette hij zich in voor de restauratie van De Doornenburg en het kasteel Hernen bij Wijchen. In de jaren twintig restaureerde hij in ’s-Heerenberg de Pancratiuskerk, naast de ingang van Huis Bergh. Toen na de Tweede Wereldoorlog geallieerde bommen de St. Vituskerk in Hochelten zwaar beschadigd hadden, nam Van Heek het initiatief voor de door velen voor onmogelijk gehouden restauratie van de kerk. Het lukte hem, met eigen geld en overheidssteun, de kerk te laten restaureren. De St. Vitus prijkt in volle glorie op de Eltenberg. Een gedenksteen in de hal eert Jan van Heek.

Vader Gerrit Jan en moeder Chistine hadden hun kinderen liefde voor de natuur bijgebracht, vooral in de zomermaanden wanneer het gezin op hun buitengoed Het Stroot in Twekkelo woonde. Jan van Heek behoorde dan ook tot de eerste leden van Natuurmonumenten, de vereniging die in 1906 was opgericht en waarvan huisvriend Piet van Tienhoven jarenlang de toonaangevende leider was. In 1930 schonken Jan van Heek en zijn jongere broer Gerrit Jan 166.000 gulden aan Natuurmonumenten, om de Rheder- en Worthrehderheide te kopen. Daarmee werd De Veluwezoom met bijna 1.500 hectare het eerste nationale park van Nederland. In 1938 moesten de broers in actie komen, toen het Rijk het idee had een deel van het park te gebruiken als militair oefenterrein. Dat was ongepast, de staat moest zelf maar in haar oefenterreinen voorzien. De Hoge Veluwe was volgens hen een betere plaats, want al was dit park in 1935 omgezet in een stichting, in feite was het staatsbezit, en er was voldoende ruimte voor militaire activiteiten.

Als grootgrondbezitter – rondom zijn kasteel lag 1.200 hectare bos en landbouwgrond – was Jan van Heek in 1929 één van de oprichters van Het Gelders Landschap. In de jaren dertig was hij betrokken bij de oprichting van de Vrienden van de Geldersche Kastelen, die nu samen met het Landschap één organisatie vormt. Zijn betekenis voor Gelderland ligt vooral in zijn passie voor middeleeuwse kastelen en kerken, voor laatmiddeleeuwse kunst en de Gelderse natuur. Hij werd ereburger van de gemeenten Bergh, Doesburg – waar de Stichting Huis Bergh bij diverse restauraties was betrokken – en Zutphen. Zijn geboortestad Enschede eerde hem met de gouden erepenning en ook kreeg hij in 1952 de eerste gouden erepenning van de provincie Gelderland. Buitengewoon trots was Van Heek op zijn benoeming tot doctor honoris causa in de Letteren en Philosophie aan de Universiteit van Amsterdam, vooral voor zijn zorg voor middeleeuwse kastelen, die het meest spectaculaire deel van zijn activiteiten werd genoemd. Onderstreept werd ook dat zijn verzameling middeleeuwse kunst in Huis Bergh de belangrijkste particuliere collectie van laatmiddeleeuwse kunst in Nederland was. Deze is tegenwoordig te bekijken in Huis Bergh in ’s-Heerenberg.

Literatuur
Wim H. Nijhof, Kunst, katoen en kastelen. J.H. van Heek (1873-1957), Zwolle, 2009.
Wim H. Nijhof, Hard als het staal van hun brandkast. De Van Heeks als hoofdrolspelers in de sociale strijd in Twente, in: Textielhistorische Bijdragen, nummer 49, 2009.
Wim H. Nijhof, Jan Herman van Heek (1873-1957), Hartstochtelijke passie voor kastelen, in: Jaarboek Achterhoek en Liemers, 2010.
Wim H. Nijhof, Jan Herman van Heek (1873-1957). De tegendraadse textielbaron, in: Overijssels Historische Bijdragen, 124e stuk, 2009.
Wim H. Nijhof, Het einde van de Gouden Eeuw in de Twentse textiel, in: Jaarboek Twente 2010.





deValkenberg.nl