De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

5. Koeien hoeden op de Stadsweide

Burgemeester Edo Bergsma werkte vanaf zijn komst in 1896 samen met zijn wethouders en ambtenaren met elan en inzet aan de ontwikkeling van de stad. Ze maakten een uitbreidingsplan, dat in 1907 door Gedeputeerde Staten van Gelderland werd goedgekeurd. Hun ideeën waren gebaseerd op een jaarlijkse groei van het aantal inwoners met 1.200 zielen in de stad en 375 in Lonneker. Dan zou Enschede over veertig jaar volgens hun prognose 100.000 inwoners moeten hebben. Dat de toenmalige bestuurders een vooruitziende blik hadden, bewijst het inwonertal van 1947, dat omstreeks 100.000 schommelde.

Het uitbreidingsplan hield rekening met de behoeften van een stad van die omvang: hoge gebouwen, althans aan de grote verkeerswegen tussen de oude stad en de buitenstad, de voorsteden en omliggende gemeenten. De burgemeester en zijn medebestuurders introduceerden in dit plan de singels, die weliswaar nog niet zo genoemd werden en gewoon nog rondweg heetten: ‘eene ringvormige straat of ceintuurbaan’, die via uit de binnenstad komende wegen te bereiken was. Bergsma bracht de ideeën van de Duitse stedenbouwer R. Eberstadt in praktijk. Eberstadt stond als ideaal voor ogen dat de uitbreiding van een stad plaatsvond door de oude stad te ontsluiten met een ring van groen, van waaruit opnieuw stroken groen straalsgewijs konden uitlopen naar een wijdere kring, enzovoort. De rondweg werd later het belangrijkste kenmerk genoemd van het Enschedese uitbreidingsplan.

Verkeerswegen moesten volgens het Enschedese uitbreidingsplan ruimte bieden aan een dubbelspoor-tramweg, een dubbele rijweg voor rij- en voertuigen, die ‘voor de trottoirs moeten kunnen blijven staan zonder voor een tramwagen te behoeven weg te gaan en voorts breede voetpaden’. Uiteraard dachten de stadsbestuurders aan de ontwikkeling van handel en industrie. Bestaande fabrieken mochten niet worden ingeklemd door straten, er diende ruimte te zijn voor uitbreiding. Voor nieuwe fabrieken moesten langs de spoorlijnen grote terreinen worden gereserveerd.
   
Stadsmaten
Een bijzondere plaats in het uitbreidingsplan vormde de Stadsmaten, historische grond in Enschede, de Stadswei. in de vijftiende eeuw geschonken door bisschop David van Bourgondië. In het begin van de eeuw schreef H. ter Weele Hzn:

De stadsweide had dien naam omreden ze in de onmiddellijke nabijheid der stad Enschede lag. Overigens behoorde ze toe aan verschillende eigenaars in de gemeenten Enschede en Lonneker. In ’t najaar, wanneer het nagras was gezaaid en ingehaald, werden in september, october en november in deze stadsweide de koeien der stedelingen nog gehoed; men noemde dat ‘ko heun in de Stadsmoate’. Dan ging de ‘koheunder’ door de stad, toeterend op een grooten ossenhoorn en riep dan meteen zoo hard hij kon ‘maak de ko los’ en wanneer hij ze dan alle bij elkaar had, dan had hij zo ongeveer 30 koeien voor den knuppel om ze te laten grazen in de Stadsmoate. Toen werd er heel wat vee in onze goede oude stad gehouden, tot zelfs onze Burgervader, de heer Lambertus ten Cate, hield destijds een koe die meeging naar de weide.

In 1907 werd een begin gemaakt met de aanleg van een villapark op twaalf hectare grond van de Stadsweide, een terrein begrensd door de oude stad, de Parkweg, het Volkspark en de Emmastraat. Er werd eerst een nieuwe weg aangelegd tussen de oude stadskern en het te bebouwen gebied, waarvoor de stadsvilla van Helmich van Heek Hzn moest worden afgebroken. ‘Voor ƒ 35.000,-- werd een huis met tuin aan de Hengeloschestraat aangekocht en afgebroken’, memoreerde Op ten Noort in 1913. In deze nieuwe Brammelerstraat – genoemd naar de stadswei Brammelen – werd een riolering aangelegd, omdat het vuile stadswater niet langer kon worden geloosd op de sloten van de Stadsweide. Daarna volgden Hoedemakerplein, Piet Heinstraat, Nijverheidsstraat , het eerste deel van de Bisschopstraat dat later Van Galenstraat gaat heten, en de Rembrandtlaan, nu de H.M. Tromplaan.
   
Sieraad voor Stadsmaten
Op ten Noort was enthousiast in zijn boekje voor de internationale congresgangers, hij wilde ze graag laten weten dat Enschede weliswaar woningnood had, maar dat de verkoop van gronden voor ‘de grootere heerenhuizen en villa’s’ in Stadsmaten, ‘een buitengewoon succes’ hadden opgeleverd. Op de verkochte terreinen verrezen naast de gebouwen voor de Twentsche Bank en van het Zieken- en Pensioenfonds voor Enschede en Lonneker, 39 fraaie woonhuizen voor de rijken der stad. Hier bouwden diverse fabrikantengezinnen hun riante stadsvilla. De eerste was het statige herenhuis van Harry ter Kuile aan de Piet Heinstraat 1, die het ontwerp had laten maken door Karel Muller, die in Twente voor menige fabrikant had gebouwd en ook de bouwmeester werd van het Rijksmuseum Twente. Andere bekende namen van fabrikantenfamilies die hier bouwden, waren Scholten, Blijdenstein, Van Gelderen, Ledeboer en Menko.

Een sieraad voor Stadsmaten werd de villa Sonnevanck, een vrijstaand herenhuis, aan het De Ruyterplein, in 1911 gebouwd voor burgemeester Edo Bergsma, naar een ontwerp van Op ten Noort. Duidelijk vertoont het huis, schuin tegenover de Hogere Textielschool, invloeden van de Amsterdamse bouwmeester H.P. Berlage, die met zijn Beurs van Berlage aan het begin van de eeuw zijn rationalistische ideeën had geïntroduceerd. De gemeenteraad had op 25 september 1910 besloten een ambtwoning te bouwen voor het ‘Hoofd van het Bestuur, dat meer dan eenig ander in de gemeente den bouw van goede woningen voor hare ingezetenen heeft bevorderd’. De kosten mochten ƒ 17.000,- bedragen, geen cent meer. Centrale verwarming was te duur, parketvloeren en fraaie betimmeringen kwamen niet in het bestek voor. Alleen in de hal werd een eiken parketvloer gelegd, in alle andere woonkamers waren de vloeren van vurenhout. De begroting werd uiteindelijk maar met duizend gulden overschreden. Nog steeds is de villa voor oudere Enschedeërs de ‘burgemeesterswoning’. Tegenwoordig is er een opleidingsinstituut gevestigd en is er aan de villa aan aanbouw gerealiseerd.

Jhr. Op ten Noort vertrok in 1914 naar Utrecht, waar hij ook directeur der gemeentewerken werd. De reden was waarschijnlijk, dat hij het niet eens was met bepaalde ontwikkelingen en ideeën die er in Enschede leefden over de verdere stedelijke ontwikkeling. In zijn laatste Enschedese jaren schreef hij niet alleen het kostbare boekje, dat in mijn boekenkast prijkt, maar ontwierp hij ook drie scholen, de Volksparkschool aan de Borstelweg, de Kortenaerschool aan de Kortenaerstraat en School B2.

 

Jhr. Op ten Noort bouwde in de Stadsmaten twee rijksmonumenten, de Prinseschoool, en het burgemeestershuis Sonnevanck aan het Dr. Ariënsplein.





deValkenberg.nl