De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

9. Kinderen op klompen, maar liever pantoffels
Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog telde School B2 aan de Prinsestraat 252 leerlingen. Het schoolleven veranderde nauwelijks, slechts af en toe ontstonden wat problemen omdat de omstandigheden toch wat anders waren dan in vredestijd. De schoolvergaderingen gingen over alledaagse onderwerpen. Zo bleek dat de ingevoerde verkorting van de schooltijd gunstig was voor de gezondheid van de jongens en meisjes. Het gemeentebestuur had problemen met deze vier middagen voor de eerste twee klassen, want er waren ouders die bezwaar hadden, sommigen stuurden hun kinderen zelfs naar de fröbelschool. Maar gelukkig waren er ook vele ouders die de maatregel toejuichten. Het idee voor schoolwandelingen buiten schooltijd, om kinderen meer kennis van planten en dieren bij te brengen, viel, niet in goede aarde. Weliswaar leerden de jongens en meisjes de omgeving van hun school beter kennen – ‘er zal een beschavende invloed van uitgaan’, aldus het verslag – maar er stonden te veel bezwaren tegenover. Er moesten geschikte leiders zijn en het duurde erg lang voordat een hele klas één keer had gewandeld. Het plannetje ging niet door.
    In 1916 en 1917 waren er kennelijk weinig aandacht vragende zaken, want de onderwijzers kwamen maar twee keer bijeen. Belangrijke onderwerpen waren onder meer het idee de leerstof voor Frans te verzwaren in de vijfde en zesde klasse van de scholen B1 en B2. Een hard besluit werd hierover niet genomen, even afwachten hoe het dat jaar ging, was ieders mening.
    B&W van Enschede wilden de schooltijd gedurende de middagen van november tot maart wijzigen: van half twee tot half vier. Voordelen waren, ‘behalve besparing van kunstlicht’, dat alle kinderen voor donker konden thuis konden zijn, ook de jongens en meisjes die veraf woonden. Niet iedereen was het eens met dit plan. Velen vonden het ongewenst dat de middagpauze werd verkort. Anderen merkten op dat een middagpauze van twee uur normaal was in het gehele land. Het verslag vermeldt niet wat er besloten werd.
    De oorlog bracht schaarste aan brandstoffen. Daaronder leden onder meer de textielfabrieken. Ook op de scholen moesten maatregelen worden genomen om brandstoffen te besparen. School B2 vergaderde er in 1917 over. Algemeen was het oordeel dat de bezuiniging kon worden gevonden in het stopzetten van de centrale verwarming gedurende één of meer maanden. Het verlies van lesuren kon dan worden ingehaald door ook op de woensdagmiddagen les te geven en het aantal lesuren op een dag te verlengen met ‘in geen geval meer dan een half uur per dag’. Enkele vakken konden tijdelijk worden geschrapt, bijvoorbeeld gymnastiek en zingen. De school zou dan een dag gesloten kunnen worden.
    Aan het begin en aan het einde van het laatste oorlogsjaar hield School B2 een vergadering, waarin getuige het verslag weinig ingrijpende onderwerpen aan de orde waren. In de rondvraag in de januari-vergadering, toen het buiten ijskoud was, zei voorzitter U. Postma bij de rondvraag, dat het naar zijn oordeel wenselijk was dat alle leerlingen die op klompen naar school kwamen, te vragen of ze pantoffels wilden meenemen. Het verslag: ‘Brengen de leerlingen geen pantoffels mee, dan moeten ze de klompen in de klas maar aanhouden.’ De vergadering was het daarmee eens.

Stotteraars en stamelaars
In de zomer van 1918 bleek uit een onderzoek dat een aantal leerlingen van Enschedese lagere scholen problemen had met praten. Spraaklerares mej. F. Schwemmer vormde twee groepen uit de door verschillende scholen opgegeven ‘spraakgebrekkigen’, een groep voor 24 stotteraars en één van 18 stamelaars. Na de zomer begonnen de lessen, op woensdagmiddag en zaterdagmiddag van half twee tot half vier. Het verslag over dat schooljaar meldde dat mej. Schwemmer zich ‘met bijzondere toewijding en ijver’ kweet van haar moeilijke taak en ‘zeer goede resultaten’ boekte. De laatste regels vormden een aansporing voor het onderwijzend personeel: ‘Opdat deze [lessen] een blijvend karakter mogen hebben, werd het onderwijzend personeel uitgenoodigd de lessen bij te wonen, zoodat bij het gewone schoolonderwijs de spraakgebrekkige leerlingen zooveel mogelijk op dezelfde wijze behandeld konden worden.’

Openluchtspelen
In het verslag over 1918 werd ruimschoots aandacht besteed aan de openluchtspelen. Het bleek dat 941 kinderen uit de gehele stad zich hiervoor hadden opgegeven, 541 jongens en 400 meisjes die elf jaar oud waren of in de loop van het jaar werden. Maar de ‘cursus’ eindigde met maar 490 kinderen, bijna de helft was weggebleven.
    Wat was er aan de hand? Het eerste probleem was dat er in het centrum van de stad geen geschikt speelterrein was te vinden, omdat het terrein aan de Bisschopstraat voor tuinbouw was aangewezen. De schoolspeelplaatsen die de gemeente had aangewezen, van School B2 aan de Prinsestraat en van de scholen aan de Vondelstraat (later Kortenaerstraat), Madoerastraat en Lipperkerkstraat waren te klein, bij regenachtig weer te nat en bij lange droogte te stoffig. Vijf groepen speelden op het terrein van het Volkspark, maar hadden te veel last van kijklustigen. De oorlog had ook invloed, mogen we concluderen uit het verslag:

In de tweede plaats deden de bezwaren voortvloeiende uit de abnormale tijdsomstandigheden zich geducht gevoelen, als teveel slijtage aan schoeisel en kleding, in de rij staan voor vleesch bij den slager, voor visch aan een kraam of bij een venter, voor aardappelen of groenten aan de veiling, braambessenbladeren, beukenoten en eikels zoeken, vader helpen op ’t land of met oudere broers die geen werk hadden, “den boer op”.

Ook speelde de zeer lange zomervakantie de organisatoren parten. Toen na vier weken rust de spelen weer zouden beginnen, moesten de scholen wegens een roodvonkepidemie nog drie weken gesloten blijven. Sommige kinderen waren uit logeren gegaan, anderen hadden verschillende bezigheden. De gebeurtenissen toonden wel aan, aldus het verslag van School B2, dat er een grote behoefte was aan een flink speelterrein aan de oost- en zuidzijde van de stad, want ook het plein van de school aan de Prinsestraat bleek te klein. Op 28 september werd de cursus afgesloten met 490 deelnemers, maar ‘wegens de slechte tijden’ ging de sluiting niet met feestelijkheden gepaard.
    We mogen vaststellen dat in de Eerste Wereldoorlog op vele fronten het leven gewoon door ging, ook in het onderwijs. Een jaar na de oorlog, aan het eind van 1919, telde Enschede zestien scholen voor gewoon lager onderwijs. Daarnaast waren er acht bijzondere scholen voor lager onderwijs, zo meldt het Gemeenteverslag over 1919, namelijk de Fabrieksschool en de scholen op confessionele grondslag.





deValkenberg.nl