De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

 

 

 

 

 

 

 

 

Familie Van Heek

Wim H. Nijhof

Van Heek, Gerrit Jan (Enschede, 10 november 1837 – Enschede, 28 december 1915). Ouders:  Helmich van Heek (1785-1847), textielfabrikant, en Maria Geertruid ten Cate (1794-1837). Religie: Nederlands-Hervormd. Opleiding:  Latijnsche School en Athenaeum in Deventer. Webeschule in Mülheim. Woonplaats: Enschede. Gehuwd met 1. Julia Blijdenstein (1836-1867) in 1861; 2.Christine Friedrike Meier (1842-1920) in 1869. Kinderen:  zes dochters, zeven zoons. Onderneming: Van Heek & Co., textielfabriek te Enschede

.

  Gerrit Jan van Heek (1837-1915) maakt Van Heek & Co. in Enschede in 1910 tot de grootste industriële onderneming van Nederland. Foto: Archief Stichting Edwina van Heek, Enschede.

 

Van Heek, Jan Herman (Enschede, 20 oktober 1873 – Doetinchem, 25 januari 1957).
Ouders: Gerrit Jan van Heek (1837-1915), textielfabrikant, en Christine Friedrike Meier (1842-1920). Religie: Nederlands-Hervormd. Opleiding: Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel, stages in Lancashire. Woonplaatsen: Enschede, ’s Heerenberg.  Gehuwd met: Anna van Wulfften Palthe (1892-1977) in 1913. Kinderen: drie dochters, drie zoons. Onderneming: G.J. van Heek & Zonen (Rigtersbleek) te Enschede.

.

 

In 1938 heeft de Franse kunstenaar Alexis Vollon deze crayon gemaakt van Jan Herman van Heek (1873-1957). Foto: Archief Dr. J.H. van Heek, ’s Heerenberg.

Voormannen in textiel, actieve bestuurders
Gerrit Jan van Heek en zijn zoon Jan Herman zijn in de bijna honderd jaar tussen de jaren vijftig van de negentiende en twintigste eeuw de voormannen van de textielindustrie in Enschede. Van Heek & Co. groeit vanaf 1859 uit tot de grootste industriële onderneming in Nederland in 1910. Het bedrijf van zoon Jan Herman, in 1897 van start gegaan, behoort tot de grootste van de Twente. Niet alleen in hun woon- en werkstad Enschede geven zij de toon aan en zijn ze vaak de leiders en woordvoerders van de fabrikanten, ook in het maatschappelijke leven hebben beiden belangrijke functies bekleed. Gerrit Jan is van 1869 tot 1895 lid van de gemeenteraad van Enschede en lid van Provinciale Staten van Overijssel en vanaf 1895 negen jaar lid van de Eerste Kamer. Jan Herman heeft nooit openbare functies gehad, hij is vooral bestuurlijk actief geweest in natuurbescherming en monumentenzorg.  Zijn verzameling laatmiddeleeuwse kunst in zijn kasteel Huis Bergh in ’s Heerenberg, dat hij in 1912 heeft gekocht en waar hij na de Tweede Wereldoorlog tot aan zijn dood woont, mag bogen op internationale erkenning.
Gerrit Jan van Heek is het tiende kind in het gezien van Helmich van Heek. Zijn moeder heeft hij nooit gekend, zij sterft bij zijn geboorte. Als Jantje tien is, overlijdt zijn vader. Zijn oudere broers en zusters voeden hem op. Vooral Hendrik Jan, de oudste van de broers, 23 jaar ouder dan Gerrit Jan, ontfermt zich over hem en neemt in feite de vaderrol over. Na de lagere school volgt Gerrit Jan de Latijnsche School. Kinderen van Enschedese fabrikanten bezoeken deze school, want op het lesprogramma staan de ‘Hoog-Duitsche’ talen, Engels, wiskunde ‘en hetgeen verder tot een beschaafde opvoeding gehoort’. Daarna studeert hij met stadgenoten Willem Joan Blijdenstein en Benjamin Willem Blijdenstein, ook fabrikantenzonen, aan het Athenaeum in Deventer. Zijn vakopleiding krijgt Gerrit Jan aan de Webeschule in Mülheim. Met Willem Joan Blijdenstein trekt hij tussen 1857 en 1859 langs diverse cotton mills in Lancashire, om daar de praktijk van de textielindustrie te beleven en kennis te nemen van de nieuwste technologische ontwikkelingen in de textielindustrie.

Familisme
In de textielwereld in Twente is het overeenkomstig de spelregels van het familisme gebruikelijk dat zonen hun vader als firmant in het bedrijf opvolgen. Familisme is een wijze van bedrijfsvoering waarbij het kapitalistische winststreven in dienst wordt gesteld van de bloei, het aanzien en de continuïteit van de sociale positie van de kapitaalbezitters, zoals socioloog prof.dr. Frederik van Heek, zelf telg uit de Enschedese textielfamilie, dit fenomeen omschrijft. Hij ziet een verband tussen het familisme en het ‘boerenerfrecht’, dat vooral in Overijssel en de Gelderse Achterhoek zeker tot na de laatste oorlog heeft bestaan: de hoeve moet in de familie blijven, de oudste zoon erft have en goed. 

Grootste van Nederland
De Van Heeks, stammend uit Duitsland, waar ze in de eerste helft van de zeventiende eeuw als protestanten niet langer gewenst zijn en verjaagd worden, komen uit Delden, waar ze als vermogende inwoners tot de kring van notabelen behoren. Hendrik Jan van Heek (1759-1809) verhuist in 1778 naar Enschede en legt de basis voor het textielimperium. Twee zoons zetten zijn zaak voort onder de naam H.J. van Heek & Zonen. Eén van hen is Helmich van Heek, de vader van Gerrit Jan die in 1859 met zijn broers Hendrik Jan en Herman de firma Van Heek & Co. opricht. Tien jaar later is het de grootste textielfabriek van Enschede. Gerrit Jan heeft daarvoor de organisatorische en technische basis gelegd. Na het overlijden van Hendrik Jan, in 1872, wordt hij eerste firmant. In 1910  is Van Heek & Co de grootste industriële onderneming in Nederland; er werken 2.639 mannen en vrouwen in de fabriekshallen in de  binnenstad van Enschede dat dan ruim 34.000 inwoners telt. Van hen werken ruim tienduizend mannen, vrouwen, jongens en meisjes in de katoenindustrie.

 

In 1910 is Van Heek & Co. in Enschede uitgegroeid tot de grootste industriële onderneming in Nederland. Foto: Archief Stichting Edwina van Heek, Enschede.

‘Pootjes geven en doodliggen’
De firmanten van Van Heek & Co zijn de rijkste inwoners van Enschede. Gerrit Jan ziet tussen 1877 en 1912 zijn jaarinkomen vertienvoudigen van ruim dertigduizend gulden naar drie ton. Het weekloon van een arbeider ligt in die jaren tussen zes en acht gulden. In de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig is het louter hosanna in Twente en dus ook in Enschede, de textielindustrie groeit, alom verrijzen nieuwe fabrieken. De fabrikanten zorgen als vertrouwenwekkende patriarchen goed voor hun arbeiders. Ze stichten zieken- en pensioenfondsen en beijveren zich voor goed onderwijs. 
Gerrit Jan van Heek neemt in 1867 het initiatief voor de oprichting van een ziekenfonds. Op 11 maart 1867 overlijdt zijn eerste vrouw, Julia Blijdenstein, enkele maanden nadat een tweeling hun kindertal op vijf  heeft gebracht. Het wordt een zware tijd voor de jonge weduwnaar. ‘Het was in die moeilijke jaren dat Vader sterk de behoefte heeft gevoeld voor anderen die in levensmoeilijkheden verkeerden, opbouwend en verlichtend werk te verrichten’, aldus zoon Jan Herman. Zo komt Gerrit Jan vermoedelijk op het idee van het ziekenfonds. Op zijn initiatief wordt een uitgewerkt reglement voor zo’n fonds opgesteld, dat was gegrond op bepaling van ziekenfondsen in de fabrieksstad Mülhausen in Elzas-Lotharingen. Aanvankelijk maken de arbeiders bezwaar, omdat ze premie moeten betalen en hun loon daardoor vermindert, maar vooral omdat ze menen wel voor zichzelf te kunnen zorgen, daar hoeft de baas zich niet mee te bemoeien. Het komt zelfs tot opstootjes die Blauwe Huzaren uit Deventer echter snel de kop indrukken. Het Ziekenfonds Enschede-Lonneker, later uitgebreid met een pensioenfonds wordt een succes: bij de start zijn er al ruim 1.500 leden, in 1892 is dat aantal gestegen tot bijna zesduizend.
Maar hoe goed de fabrikanten ook willen zijn voor hun arbeiders, de onrust groeit, de sociale strijd ontvlamt in Twente en vooral in Enschede. Als twee Enschedese fabrikanten in 1886 de weeflonen met tien procent willen verlagen, weigeren tweehonderd arbeiders aan het werk te gaan.  In Enschede is dan het socialisme begonnen aan een opmars in Twente, een jaar eerder is een afdeling van de Sociaal-Democratische Bond van Ferdinand Domela Nieuwenhuis opgericht. Deze  afvallige dominee predikt het socialisme als de nieuwe heilsleer die een betere wereld belooft. Een jaar later komt de jonge kapelaan Alfons Ariëns naar Enschede die gesterkt door Italiaanse ervaringen – hij heeft arbeiders zien zweten en zwoegen in de marmergroeves in Carrara en in de zwavelmijnen op Sicilië – al gauw merkt dat de arbeiders weinig in tel zijn: ‘Het was opzitten, pootjes geven en doodliggen.’

Angstige voorgevoelens
Gerrit Jan probeert in die tijd vol dreigingen de relatie met zijn personeel goed te houden en zo mogelijk te versterken. In 1887 wordt hij bevorderd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Op stel en sprong wordt een groots feest georganiseerd, ‘zooals dat in mensenheugenis alhier niet had plaatsgehad’, meent het lokale advertentieblad. Om half negen ’s avonds paraderen behalve vijftienhonderd arbeiders afgevaardigden van allerlei verenigingen, organisaties en instellingen langs de stadsvilla van Van Heek, het Van Heekshuis, dat tegenwoordig een restaurant herbergt. Het advertentieblad onderstreept de mening van velen. Het feest toont aan dat Enschede ‘ware verdienste op prijs weet te stellen en niet vergeet wat zij aan de familie Van Heek verschuldigd is.’
Op 14 juli 1888 gaan de vlaggen weer uit in Enschede, wanneer Gerrit Jan een imponerend feest geeft in het Volkspark, een geschenk van zijn oudere broer Hendrik Jan aan de bevolking van de stad, om zich op de vrije zondagen te vermeien in het groen. Redenen: zijn koninklijke onderscheiding en het huwelijk van dochter Julia met de fabrikant Jan van Delden uit Gronau. Drank en sigaren, spelletjes en muziek in overvloed. Maar een arbeider, Herman Lunter, heeft kennelijk angstige voorgevoelens. Hij hoopt dat deze dag de band tussen fabrikant en arbeider zal verstevigen. Hij maant echtgenote Christine Meier om in de harten van haar kinderen te prenten dat niet geboorte en stand, maar arbeid en liefde van belang zijn, aldus de lokale krant. Opmerkelijk is overigens dat in de jaren dat Gerrit Jan de eerste man is bij Van Heek & Co. bij het bedrijf niet wordt gestaakt. Wel zal hij de komende jaren een hoofdrol spelen in de aanwakkerende sociale strijd in Enschede en ervaart hij dat het patriarchaat heeft afgedaan en socialisme en emancipatie terrein winnen.

Weerzin tegen socialisten
Als conservatief liberaal, die geen inmenging van derden duldt in zijn bedrijfsvoering, ontwikkelt Gerrit Jan een afkeer van socialisten, die volgens hem een groot gevaar vormen voor het bedrijfsleven en de samenleving. Hij vreest dat de arbeiders zich laten overvleugelen door de socialisten en ‘die willen niet de zaken op vredelievende wijze schikken, maar wel strijd uitlokken’. Met hen wil hij niets van doen hebben en daarom richt hij met enige collega’s in 1888 de Fabrikanten Vereeniging Enschede (FVE) op. Hij ziet kans zijn weerzin tegen socialisten in de doelstellingen te vertalen. De FVE is de gesprekspartner voor overleg met goedwillende arbeiders, om zonder stakingen of andere vormen van verzet geschillen tussen fabrikanten en arbeiders te voorkomen of uit de weg te ruimen. Maar de praktijk leert al snel dat de nadruk ligt op het bestrijden van het rode gevaar. 
De FVE  voert naar Engels voorbeeld  ‘lock out’ de uitsluiting in, het zogenoemde Twentse stelsel. Bij arbeidsconflicten trekken werknemers voortaan één lijn: een staking bij de één wordt beantwoord met een sluiting bij de andere, bij de FVE aangesloten fabrikanten. Twee jaar later wordt deze maatregel voor het eerst toegepast bij de staking bij de fabriek van Ter Kuile & Morsman, waar op 8 en 9 mei 1890 de textielbedrijven de poorten sluiten. Vierduizend man staan op straat. Kapelaan Alfons Ariëns bereikt uiteindelijk een compromis en de staking wordt beëindigd.

Staking in 1902
Vanaf 1890 beleeft de Nederlandse industrie na jaren van zwakte en zorgen jaren van voorspoed. Ook Van Heek & Co., dat de moeilijke jaren vrij ongeschonden heeft doorstaan, ziet de toekomst weer met vertrouwen tegemoet. Het bedrijf ontwikkelt een nieuwe activiteit, dekens weven, een winstrijk product uit afval van katoen, voor de Afrikaanse en Aziatische markt. De dekenwevers verdienen een hoger loon dan de andere wevers, omdat hun werk zwaarder en inspannender is. Maar Van Heek & Co. wil om de productiekosten te drukken en de winst te verhogen de lonen van de wevers gelijkschakelen. Dat accepteren de dekenwevers niet. Op 13 januari 1902 breekt er staking uit in de dekenweverij; alleen een kleine jongen, een zoon van de portier, gaat aan het werk. Twee dagen later worden vijftig arbeiders ontslagen, omdat ze weigeren de plaats van de stakende collega’s in te nemen.
Ook nu wordt het Twentse Stelsel toegepast. Behalve Van Heek & Co en Rigtersbleek, het bedrijf van drie zonen van Gerrit Jan onder aanvoering van Jan Herman, zetten zeventien fabrieken de machines stil. Dan is de staking snel voorbij.  Op maandag 16 juni 1902 gaan de arbeiders weer aan het werk. De wevers hebben deels hun zin gekregen, na bijna een half jaar staken, maar Van Heek & Co. staat vanaf heden in de regio en in het land bekend als een doctrinaire en hebzuchtige firma. Dat betekent een aanzienlijk gezichtsverlies voor Gerrit Jan van Heek, die begin mei 1902, als het conflict hoog is opgelopen, verklaart dat hij liever alle fabrieken sluit dan zich door de vakbonden te laten voorschrijven welke lonen de firma moet betalen.  Zoon Jan Herman van Heek schrijft later in zijn memoires dat bij iets meer tegemoetkomendheid het conflict niet zo heftig en langdurig zou zijn geweest.

 

Jan Herman van Heek (links) in 1898 bij zijn nieuwe fabriek Rigtersbleek. Foto: Archief Stichting Edwina van Heek, Enschede.

Lid Eerste Kamer
Enschedese textielfamilies vervullen vanuit het besef van hun sociale verantwoordelijkheid vaak functies in de lokale, provinciale of landelijke politiek. Gerrit Jan is volgens zijn zoon Jan een liberaal van de oude stempel, die vast gelooft in de idealen van het liberalisme en de vrije handel. Een kwart eeuw is hij lid van de gemeenteraad van Enschede en van Provinciale Staten van Overijssel. In 1895 volgt hij zijn Enschedese collega-fabrikant Albert Blijdenstein op als lid van de Eerste Kamer. Of hij met hart en ziel politiek heeft bedreven is de vraag. Hij heeft altijd het idee  gehad dat zijn andere werkzaamheden hem beletten voldoende aandacht te besteden aan dit ambt. Zoon Jan: ‘Hij was altijd verheugd wanneer hij na een zitting van de Eerste Kamer weer  in ’t oosten des lands terug was en zich wijden kon aan landerijen en bosschen.’  Want Gerrit Jan heeft een grote belangstelling voor land- en bosbouw, die hij bedrijft op zijn buitengoed ’t Stroot en zijn overige bezittingen, vooral rondom het nabijgelegen dorp Haaksbergen. Hij behoort in 1888 tot de oprichters van de Heide Mij. Eén van zijn liefhebberijen is de jacht op kleinwild. Van Heek heeft ook een inspirerende bijdrage geleverd aan de totstandkoming van spoorwegen in Twente en Oost-Gelderland. En dat Enschede in 1884 is aangesloten op het landelijke telefoonnet, is voor een belangrijk deel te danken aan zijn inzet.

Opvallend buitenbeentje
Jan (Herman) van Heek is op 23 oktober 1873 geboren in Enschede, in het royale stadshuis Hondenkolk 19, aan de rand van de oude binnenstad van Enschede. Hij is de vijfde zoon van Gerrit Jan van Heek. Een jaar later verhuist het gezin naar het Van Heekshuis, sinds 1818 in het bezit van de familie, aan de voet van de toren van de uit de middeleeuwen stammende Grote Kerk op de Oude Markt. Het staat er nog; het is tegenwoordig een restaurant met een fijne keuken. In de kille, koude maanden van het jaar gaat hij naar de Eerste Openbare Lagere School in de stad, in de warmere maanden, wanneer de familie op ’t Stroot woont, naar het boerenschooltje in de buurschap Twekkelo.
Jan is een opvallend buitenbeentje in het gezin, hij overtreft zijn broers en zussen in vele opzichten. Hij blinkt in alles uit, stelt een jongere broer later vast, en is het troetelkindje van moeder Christine Friedrike. Hij speelt wel eens buiten, op het marktplein rondom de Grote Kerk, maar het liefst leest hij thuis een boek, op de bank voor het raam. Na de lagere school volgt hij de hbs-opleiding aan de Nederlandsche School voor Nijverheid en Handel en krijgt ook tekenlessen, op aandrang van zijn moeder. Zijn bruinleren tekenkoffertje – met een schetsboek, pennen en inkt – vergezelt hem in zijn latere leven op al zijn tochten door Nederland en zijn buitenlandse reizen. In ruim zestig jaar maakt hij ruim tweeduizend tekeningen, in meer dan negentig schetsboeken, die getuigen van zijn artistieke talent. Omdat hij is voorbestemd evenals zijn broers firmant te worden van de textielfabriek die zijn vader voor hem en zijn twee jongere broers laat bouwen, loopt hij na zijn schooljaren praktijkstages in Lancashire, hét textielgebied van Engeland, waar de allesdoordringende rook hem verrast: ‘De rook vervolgt ons in het hotel, in de writing-room, in de slaapkamer. Alles is blauw en om 10 uur scheen het dag te zijn.’

‘Gezonde en gefundeerde zaak’
Gerrit Jan van Heek wil dat zijn zeven zonen ieder een firmantenstoel krijgen. Voor Bernard en Ludwig staat een zetel klaar bij Van Heek & Co., voor Hendrik Jan en Helmich bouwt hij in 1888 de Boekelosche Stoombleekerij en voor zijn jongste drie zonen Jan Herman, Gerrit Jan jr en Arnold een nieuwe fabriek met een spinnerij en weverij, die in 1897 van start gaat. Jan heeft in zijn leertijd in Engeland kennis gemaakt met nieuwe ontwikkelingen in de fabrieksbouw. In die jaren vliegen in Twente en het Duitse grensgebied veel textielfabrieken in brand. De Engelse architecten Stott & Sons ontwerpen een minder brandgevaarlijk gebouw, de zogenoemde Lancashire Mill. Daarom kiest Jan voor zijn nieuw te bouwen fabriek niet de huisarchitect van Van Heek & Co., Gerrit Beltman in Enschede, maar Sidney Stott. Kenmerkend voor de nieuwe fabriek is de markante rechthoekige sprinklertoren, een aandachtvragend architectonisch kunststukje. In 1897 is de nieuwe fabriek van G.J. van Heek & Zonen klaar en begint het leven van Jan van Heek als fabrikant; hij is dan 24 jaar. Na twee verliesgevende beginjaren komen de spinnerij en weverij op stoom en drie jaar later is het aantal spillen in de spinnerij van vijftienduizend tot dertigduizend gestegen en staan in de weverijen ruim zeshonderd getouwen. Rigtersbleek is nu het tweede textielbedrijf in Enschede, achter het moederbedrijf Van Heek & Co. Vanaf 1903 is Rigtersbleek volgens Jan van Heek ‘een gezonde en gefundeerde zaak’. Het gaat Rigtersbleek in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw voor de wind. Het bedrijf maakt elk jaar forse winsten, variërend van ongeveer acht ton tot ruim twee miljoen gulden in een jaar. Jan van Heek behoort daarmee tot de rijkste Enschedeërs.

‘Een nieuw leven en interesse’
Als Rigtersbleek naar zijn mening ‘goed geconsolideerd’ is en Jan – nog steeds ongehuwd – de veertig nadert, bekruipt hem het verlangen ‘eene groote landbezitting’ te kopen. Weer toont hij zich de tegendraadse textielbaron. Hij koopt niet zoals veel van zijn Twentse collega’s een buitengoed in Twente om stank en stoom van de stad in de weekeinden en in de zonnige maanden te ontvluchten, maar een uit de middeleeuwen stammend kasteel in ’s Heerenberg, Huis Bergh. Het is eigendom van Fürst Wilhelm August von Hohenzollern-Sigmaringen. Voor een half miljoen gulden wordt Jan van Heek de nieuwe eigenaar van het kasteel, dat op dat moment weinig meer dan een ruïne is. Hij heeft lang geaarzeld, maar uiteindelijk besluit hij het te kopen: ‘Ik, die alleen stond, wilde met voorbedachten rade mij een nieuw leven en interesse scheppen. Ten goede of ten kwade, ik meende den stap te moeten wagen.’ Maar niet lang staat hij alleen, want niet uitsluitend het kasteel verandert zijn leven. In 1912 ontmoet hij ook de vrouw van zijn leven, de bijna twintig jaar jongere Anna (Annetje), de jongste dochter van Arnold van Wulfften Palthe, één van de firmanten van Palthe’s Textielveredelingsbedrijven in Almelo. In de zomer van 1913 trouwen ze.
Kort na de aankoop van het kasteel begint de restauratie, die tot het begin van de jaren twintig heeft geduurd. De ontdekking van enkele achtergebleven en weggestopte schilderijen in het kasteel brengt hem op het idee Huis Bergh met schilderijen van laatmiddeleeuwse kunstenaars in een bij het middeleeuwse verleden passende sfeer te brengen. Zijn liefde voor de religieuze kunst van de late middeleeuwen en met name het werk van de zogenoemde vroege Italianen heeft hij in de voorbije jaren ontwikkeld. Als hij in 1919 hoort dat de schilderijencollectie van de recent overleden kunstenaar en verzamelaar Friedrich Wilhelm Mengelberg te koop is, aarzelt hij weliswaar, maar besluit uiteindelijk toch voor 195.000 gulden de verzameling met meer dan tweehonderd schilderstukken en 55 sculpturen over te nemen. In de loop der jaren breidt hij zijn verzameling uit. In 1934 neemt hij deel aan de tentoonstelling Italiaansche Kunst in Nederlands Bezit in het Stedelijk Museum in Amsterdam, waar alle belangrijke verzamelaars van ‘vroege Italianen’ elkaar treffen. Hij exposeert er achttien kunstwerken, waaronder het paneeltje Engel van de Italiaanse kunstenaar Duccio de Buoninsegna (ca 1255- 1318). Dit topstuk is tegenwoordig te zien in Huis Bergh, waar de kunstverzameling van Jan van Heek is ondergebracht. Zijn voorkeur voor de laatmiddeleeuwse kunst is vanaf 1930, wanneer hij honorair directeur wordt van het met familiegelden gestichte Rijksmuseum Twenthe in Enschede,ook zijn leidraad voor de verzameling van dit museum.

Voorman in Oost-Nederland
In de jaren twintig dalen de bedrijfsresultaten van de Twentse textielondernemingen, als gevolg van de teruglopende economie. De achilleshiel is de afhankelijkheid van de export naar Nederlands Oost-Indië: bijna zestig procent van de totale uitvoer is bestemd voor deze voormalige kolonie. Jan van Heek signaleert de problemen al vroeg. De bedrijfstak kan het niet langer stellen zonder hulp van buiten, daarvan is hij overtuigd. Als eerste firmant van Rigtersbleek en op grond van zijn financieel-economische kennis en interesse heeft hij zich ontwikkeld tot een invloedrijke textielfabrikant. Hij treedt in de voetsporen van zijn vader die in zijn generatie de voorman in Oost-Nederland is geweest en maakt zich tot spreekbuis van de Twentse textiel. Hij zoekt begin 1930 de publiciteit. De problemen zijn het gevolg van de verhevigde concurrentie van Japan in Nederlands-Indië. Twente kan onmogelijk zo goedkoop leveren als de Japanners, met hun lagere lonen, langere werktijden en nauwelijks drukkende sociale lasten. En tot overmaat van ramp devalueert de Engelse regering het pond sterling, waardoor de Twentse producten in één klap twintig procent duurder worden dan de Engelse. De komende jaren spant Jan van Heek zich in voor de Twentse textielindustrie en bereikt dat de regering besluit tot een tijdelijke contingentering, de regering bindt de invoer in Nederlands-Indië per land aan een maximaal volume. De textielfabrikanten krijgen even lucht. De devaluatie is de volgende tegenstander. De crisispolitiek van minister –president Hendrikus Colijn betekent: vasthouden aan de harde gulden. De Nederlandse textielprijzen blijven daarvoor veel hoger dan de Engelse en de Japanse. Pas op 27 september 1935 zwicht de regering en devalueert de gulden. Na het loslaten van de gouden standaard verbeteren de resultaten van de Twentse textielindustrie enigszins. Productie, afzet en het aantal werknemers groeien, maar de goede jaren zijn voorbij.

Behoudende opvattingen
Na de Tweede Wereldoorlog beleeft de textielindustrie in Twente goede jaren. In de eerste jaren vijftig lijken zelfs gouden jaren aan te breken, mede door modernisering van de fabrieken en de toenemende rationalisatie. Maar de concurrentie groeit en Japan wordt weer de meest geduchte concurrent. Maar de industrie kampt met één belangrijk structureel probleem: de al van voor de Tweede Wereldoorlog daterende overcapaciteit. Samenwerking en concentratie lijken de oplossing. Door fusies ontstaan grote concerns, zoals Nijverdal-ten Cate en de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU). Jan van Heek, inmiddels president-commissaris van Van Heek & Co. en de Boekelosche Stoombleekerij en gedelegeerd commissaris van Rigtersbleek – alle drie Van Heekbedrijven – ziet niets in vernieuwingen. Hij luistert te weinig naar raadgevingen van collega’s en adviseurs, en verkiest zijn eigen conservatieve inzichten die schuil gaan onder zijn opvatting dat zoals vaker is gebeurd, de textiel wel weer op eigen kracht de crisis te boven komt en overleeft. Jan van Heek’s visie staat een langer voortbestaan van Van Heek & Co. en Rigtersbleek in de weg. In 1967 valt het doek voor beide ondernemingen.

‘U deed het dan ook!’
Jan van Heek is behalve ondernemer en kunstverzamelaar ook als bestuurder van vele organisaties op het terrein van natuurbescherming en monumentenzorg zeer actief geweest. Jarenlang is hij bestuurslid van Natuurmonumenten. In tal van plaatsen is hij betrokken bij restauratie van kerken en andere monumentale gebouwen, vooral kastelen en kerken, voornamelijk in Overijssel en Gelderland.
Velen overheden en organisaties onderscheiden hem in de jaren na de oorlog, met een ereburgerschap, erepenningen en overstelpen hem met loftuitingen. Hij is één van de eerste vier dragers van de Zilveren Anjer van het Prins Bernhard Cultuurfonds, voor zijn werk als directeur van het Rijksmuseum Twenthe en zijn aandeel in de nationale monumentenzorg en het natuurbeheer in Nederland. Prins Bernhard, met wie Jan van Heek en zijn familie een warme relatie onderhouden, prijst hem bij de uitreiking van de Zilveren Anjer: ‘Uw arbeid voor het behoud van culturele waarden ons door het voorgeslacht toevertrouwd, was gratis. Men zal misschien zeggen: U was hiertoe in staat. Maar hierop zou ik willen antwoorden: U deed het dan ook!’ Het meest trots is Jan van Heek op zijn benoeming tot doctor honoris causa in de Letteren en Filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Bij de erepromotie op 15 september 1952 noemt prof.dr. J.FG. Niermeyer Van Heek’s zorg voor de middeleeuwse kastelen het meest spectaculaire deel van zijn activiteiten. De verzameling middeleeuwse kunst is één van de belangrijkste, zo niet de belangrijkste particuliere verzameling in ons land.
Vrijdagavond 25 januari 1957 is Jan Herman van Heek overleden in het ziekenhuis in Doetinchem. Enkele honderden mensen, uit het gehele land, vertegenwoordigers van organisaties en overheden, wonen de begrafenis bij. Hij rust op het kleine kerkhof, naast het kerkje bij de ingang van Huis Bergh in ’s Heerenberg, het kasteel dat zijn herinnering levend houdt.

 

Archieven
Archief Dr. J.H. van Heek, ’s Heerenberg.
Archief Stichting Huis Bergh, ’s Heerenberg
Archief Nederlandse Kastelenstichting, Wijk bij Duurstede
Archief Rijksmuseum Twenthe, Enschede
Historisch Centrum Overijssel (HCO), Zwolle
Stichting Edwina van Heek, Enschede.
Diverse privécollecties.

Literatuur
J.H. van Heek, Herinneringen aan en rondom het Van Heekshuis (’s Heerenberg, 1942); Wim H. Nijhof, Kunst, katoen en kastelen (Zwolle, 2008); Siebe Rossel, G.J. van Heek (1837-1915). Protestant, liberaal of patriarch, in: Overijsselse Historische Bijdragen (2006); A.L. van Schelven, Onderneming en familisme. Opkomst, bloei en neergang van de textielonderneming Van Heek & Co. te Enschede (Leiden, 1984).





deValkenberg.nl