De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

“Mien leeve Eènske in mien Twentelaan”

 

Wie de geschiedenis van een stad of een dorp wil beschrijven, moet vooral keuzes maken. Binnen twee hardcovers in een kleurrijk stofomslag, op ruim vierhonderd pagina’s op A4-formaat, is geen ruimte voor elke gebeurtenis, elke ontwikkeling, in de loop van de vele eeuwen.  De schrijver kiest, naar eigen inzicht, tegen de achtergrond van gekende belangstelling van de doelgroep. Er rijzen ook vragen. Schrijf ik een kroniek van al die vele eeuwen, alles keurig gerangschikt op jaartal, of kies ik een andere insteek? Of kan ik een hoofdstuk schrijven over de historie van het stadhuis, van toen tot nu?  Zo zullen chronologieën elkaar kruisen, spannend, afwisselend. Wacht de lezer op een wetenschappelijk verantwoord geschiedenisboek, met voetnoten, zodat elk gegeven controleerbaar is? Beperken we ons tot de vermelding welke boeken voor elk hoofdstuk als bron hebben gediend? Of wordt het een literaire documentaire, zoals het in 2014 verschenen boek Horizon City van Jaap Scholten, waarvoor hij zich op de cover al verontschuldigt: “Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie.” Voor mijn stadsbiografie Geschiedenis van Enschede, stoere stad koos ik voor een wetenschappelijk verantwoorde uitgave, elk feit dient controleerbaar te zijn.

     Geen keuze, maar een onverbiddelijke voorwaarde is dat de verhalen leesbaar moeten zijn, gecondenseerd in de doelgroep ‘mijn buurvrouw’, zoals ik het heb geleerd aan de Langestraat in Enschede, als leerling-journalist van Tubantia. Geen moeilijke woorden, geen ingewikkelde zinnen. Een boek moet vol zijn met verhalen, zo komt  geschiedenis het meest tot haar recht. De auteur is een verhalenverteller. Maar hoe trek je de lezer(es) een verhaal in? Daarvoor kent iedere historicus wel een trucje. Een lieu de mémoire is een ijzersterke binnenkomer, een plek, een gebouw in een stad of dorp, ideaal vertrekpunt voor een boeiend verhaal. Een stadhuis of gemeentehuis, een ziekenhuis, het station, een fabrikantenvilla, een stadswoning van een rijke familie, een gedenkteken, een monument, keus genoeg. Een variant kan ook, een personne de mémoire. Wat hadden de drie koningen Willem I, II en III met Enschede, en Thorbecke, Plesman, Henriette Roland Holst en Alphons Ariëns, wat beleefden ze er? Wat was hun rol in de geschiedenis van de stad?

Autobiografische elementen

Als een auteur in Enschede is geboren en getogen, mag hij dan in zijn geschiedenisboek van de stad vertellen over eigen belevenissen, ervaringen beschrijven, familieverhalen onthullen? Voegen die verhalen iets toe? Het antwoord ontdekte ik toen ik bijna tien jaar geleden mijn onderzoek startte voor de biografie van de Enschedese textielfabrikant, kunstverzamelaar en monumentenminnaar Jan Herman van Heek. Nog wat terughoudend beperkte ik mij toen tot enkele autobiografische elementen in de inleiding: 

Wanneer ik door mijn geboortestad wandel, vliegen de herinneringen me aan. Op de Oude Markt, aan de voet van de Grote Kerk, groeiden Jan van Heek en zijn twaalf broers en zussen op. [...] Ik wandel verder, langs De Pakkerij, nu een sociëteit, vol verlichte bierreclames die studentenjool verraden. Hier beslisten voorheen de ‘hooge heeren’ van Van Heek over welvaart en welzijn van de stad. In het huis met de hoge stoep ernaast leende ik als tiener week in week uit boeken uit de openbare leeszaal en bibliotheek. De stoep op, door de stevige houten deur, in de hal links af waar achter de baliede bibliothecaressen me begroetten als een stamgast in een café. In dit Van Heekshuis woonde Jan van Heek bijna veertig jaar.

 Toen hij alleen deze zinnen nog maar gelezen had, belde schrijver en schilder, mijn leeftijdsgenoot Jan Cremer me op, vol lof, hij voelde in die regels de stad, zijn stad, onze stad. In mijn stadsbiografie van Enschede is mijn schroom autobiografische momenten een plek te geven in mijn boek verdwenen en laat ik de lezer enkele persoonlijke ervaringen meebeleven, vertel eigen belevenissen in de ruim twintig jaar dat ik in Enschede heb gewoond en gewerkt, ben schoolgegaan. Het Enschedese volkslied zegt het, waar je in je leven ook heengaat, waar je huis ook staat, het “härt blif aait weer trekken met nen stearken baand noar mien leeve Eènske in mien Twentelaand”.

     In dit artikel beschrijf ik drie gebeurtenissen die mij als schrijver persoonlijk raken. Was mijn grootvader, geboren in Elsenerbroek en immigrant in Enschede, één van de ophitsers in de sociale strijd? Hoe beleefde ik het bombardement van 10 oktober 1943, de dag dat ik vier jaar werd? Was Enschede echt een beklagenswaardige stad, begin jaren vijftig, toen ik als gymnasiast hoofdredacteur was van de schoolkrant waarin Willem Diemer, leraar Nederlands, de stad in de hoek zette. In mijn boek komen meer van die persoonlijke momenten voor, die naadloos passen in het patroon van het boek vol verhalen uit de geschiedenis van een stoere stad.

Mijn Opa

Laat me u wat vertellen over mijn Opa van moeders kant, Jan Hendrik Assink, die een bescheiden, zeer bescheiden rol heeft gespeeld in de historie van de stad, want hij heeft er gewerkt, gewoond, is er gestorven en begraven, 93 jaar oud. Hij werd op 3 mei 1873 geboren in Elsenerbroek, een buurschap ingesloten door Goor, Markelo, Enter en Ambt-Delden. Jan Hendrik was het zesde kind. Hij zou als vierde en laatste zoon de boerderij De Bosmoat niet erven. Dat voorrecht genoot volgens het oud-Saksische ‘majoraatsrecht’ de oudste zoon. Toen Jan Hendrik de twintig naderde, in het begin van de jaren negentig, zocht hij noodgedwongen zijn heil in de nabije katoenindustrie, die gouden jaren beleefde, vooral in Enschede, in de naargeestige, warme, vochtige en lawaaiige fabriekshallen. Hij vond werk bij Spinnerij B.W. & H. ter Kuile, aan de latere Tubantiasingel.

     De groeiende werkgelegenheid in de textielindustrie, vooral in Enschede, lokte in die jaren vele boeren uit de Twentse dorpen en buurschappen naar de fabrieken. Ook uit de Kop van Overijssel en de Friese veengebieden trokken honderden gezinnen naar Twente. Hier was werk voor voormalige veenarbeiders, voor kleine boertjes en landarbeiders. Ze vonden een baan en een dak boven het hoofd. Enschede en Lonneker groeiden spectaculair. Enschede telde in 1905 ruim dertigduizend inwoners en Lonneker meer dan vijftienduizend.

     Waren deze immigranten de aanstokers  van de troebelen in de Twentse textiel in de twintigste eeuw? Had deze import een ongunstige invloed op de mentaliteit en de opvattingen van de werknemers? Deze groepen zouden volgens sommigen vooral verantwoordelijk zijn geweest voor de radicalisering van de ideeën van de arbeiders en voor het uitbreken van stakingen. Natuurlijk mag de betekenis van deze immigratie niet worden onderschat, maar lagen de werkelijke tegenstellingen van de klassenstrijd niet dieper? Dat nieuwkomers van elders bijdroegen aan het verscherpen van de overigens al bestaande tegenstellingen, lijkt aannemelijk, want velen kwamen uit arme streken in Friesland en Drenthe, waar het socialisme veel aanhangers had verworven. De socioloog Frederik (Fré) van Heek – telg uit de bekende textielfamilie, Rooie Fré, zoals hij in Enschedese kringen werd genoemd – meende dat de immigranten wellicht radicaler werden voorgesteld dan ze wellicht zijn geweest. Want van nature koestert de gesloten Twentenaar ‘het stille wantrouwen’, waarmee hij tegenover vreemden staat. Dat werd bij de fabrikanten volgens Van Heek nog versterkt door een zeker ‘klasse-sentiment’:

 Immers, vooral onder de uit Friesland afkomstige arbeidskrachten waren socialistische stroomingen in sterkere mate vertegenwoordigd dan onder de geïsoleerde, meer passieve arbeiders van Twentsche herkomst.

Ook de paternalistische instelling van de fabrikanten speelde een rol in de relatie fabrikant-arbeider. De fabrikanten zagen alom de ‘moderne’ denkbeelden wortel schieten, maar ze wilden niet graag erkennen, dat ‘hun’ eigen mensen, de oude Twentse bevolking, hier uit eigen overtuiging achter stonden.

Het is als de vader, die de ogen tracht te sluiten voor de misstappen van zijn kinderen en deze in de eerste plaats wijt aan gevaarlijke invloeden van buiten af, waardoor zijn kinderen worden bedorven, in plaats van aan de ‘slechtheid’ dezer kinderen.

De immigranten uit de veengebieden waren zeker door de ervaringen in hun geboortestreek – daar was de victorie van Domela Nieuwenhuis immers begonnen – meer vatbaar voor de socialistische ideeën die in de jaren negentig in Twente tot volle wasdom kwamen. Dat gold zeker ook voor de ‘echte’ fabrieksarbeiders uit de grote Twentse centra, maar niet meer voor de ‘halve agrariërs’, zoals de eerste generatie van de textielarbeiders, die was opgegroeid op het platteland en nog als boer of knecht had gewerkt, zoals mijn Opa Jan Hendrik Assink. De tweede generatie arbeiders had minder het heilige ontzag voor de geijkte verhoudingen, dat de Twentse bevolking van jongs af was ingeprent. De namen van de mannen die in de stakingen tussen 1890 en het begin van de Eerste Wereldoorlog een rol hebben gespeeld, wijzen op hun Twentse afkomst. 

‘Vergissing’ was navigatiefout    

Het tweede voorbeeld van een persoonlijke gebeurtenis in het boek gaat over

de eerste keer dat de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog Enschede voor de Duitse stad Rheine hielden, op zondag 10 oktober 1943. Die dag werd Enschede het slachtoffer van een ‘vergissing’, een navigatiefout van Amerikaanse piloten. Ik was die dag vier geworden en lag in het katholieke ziekenhuis na een operatie, middenoorontsteking. Mijn vader en moeder waren op bezoek, kwamen een presentje brengen, want de verjaardag van je oudste kind moest worden gevierd, ook al was het oorlog. Toen kwamen de bommen, twee ladingen, de eerste – twaalf van 500 kilo, 248 van 50 kilo – op het Hogeland en een klein deel van de binnenstad, de tweede – 166 bommen van 250 kilo – op het Zwik en Schuttersveld.

     Hoe erg het was, kon Enschede twee dagen later lezen in het Twentsch Dagblad. De journalist had het ziekenhuis bezocht en de kinderzalen gezien:

Hier liggen de onschuldige slachtoffertjes, van wie velen verschrikkelijke brandwonden hebben bekomen. We zagen een kindje van een half jaar met een volledig omzwachteld hoofdje dat deerlijk was verbrand. Overal liggen kleine jongens en meisjes te snikken van de pijn welke ze lijden. Wij staan aan het bed van een jongetje. Wanneer we hem naar zijn naam vragen, verstaat hij ons niet en fluistert dat hij drie jaar is. ‘Waar is mammie’, smeekt hij, ‘komt mammie gauw?’ De zuster komt aanlopen en sust het kind. ‘Ja, mammie komt’, zegt ze, maar beneden in het doodenhuis ligt de moeder, wachtend op haar laatste reis.

 In lange rijen lagen gewonden op de gangen, er was geen bed meer vrij. Daartussen dromden angstige burgers, zoekend naar verwanten die gewond of gedood waren. De doden werden naar het lijkenhuisje aan de Emmastraat gebracht. In zijn rapport meldde de korpschef van de politie dat de lijken niet op korte termijn konden worden gekist, omdat de fabriek die werkte aan honderd kisten voor de luchtbeschermingsdienst, in vlammen was opgegaan. Elk jaar, op 10 oktober, mijn verjaardag, denk ik terug aan die vreselijke dag, aan de trieste verhalen van mijn moeder, herdenk ik in stilte de 151 stadgenoten die op die mooie herfstdag de dood vonden of enkele dagen later overleden aan opgelopen verwondingen. Er werden 450 gewonden geteld. De materiële schade was groot: 158 huizen verwoest, 231 zwaar beschadigd en meer dan tweeduizend woningen liepen lichte schade op.

Beklagenswaardige stad

Tot slot het verhaal over Enschede in de jaren vijftig. Op een boekenplankje in mijn werkkamer bewaar ik enkele kostbaarheden die ik koester, zoals een boekje over Enschede, verpakt in een beschermend bruin stukje kaftpapier. ‘Enschede, 18 juli 1952’, schreef ik ruim zestig jaar geleden op de eerste pagina, twaalf jaar oud. Op de omslag staat op de rechterhelft het stadhuis, met daarachter rokende fabrieksschoorstenen. Op de linkerhelft zien we essen met golvend goudgeel graan en grijze rookwolken die aan de horizon opstijgen en ons de nijvere stad wijzen, zoals het Twentse volkslied wil. Het boekje draagt als titel Enschede, de nieuwe stad in het oude land, ik kreeg het van het gemeentebestuur, ter herinnering aan zes jaar Tweede Prinseschool, ‘Enschede wil trots op je blijven!’

Was Enschede begin jaren vijftig al een nieuwe stad? Het leek eerder een kreet van hoop, misschien zou Enschede wel een nieuwe stad worden, dat was de wens, de hoop geweest van burgemeester Meine van Veen, die een half jaar na zijn aantreden in Enschede als reactie op wederopbouwplannen gesproken had over ‘een nieuwe stad in het oude landschap’. Maar het Enschede van begin jaren vijftig was nog de oude stad. Weliswaar waren verwoeste huizen en gebouwen hersteld, maar een nieuwe stad was het zeker nog niet, de rook van de textielstad was nog niet verdwenen, stromen arbeiders trokken elke dag de fabrieken in. Jan Cremer, schilder en schrijver, geboren en opgegroeid in Enschede, vond het Enschede van het begin van de jaren vijftig ‘de lelijkste stad van Nederland’, zeker geen ‘Stad van Fleur en Vlijt’, zoals het boekje ons schoolverlaters wilde aanpraten, mooi gevonden, die allitteratie, maar ver bezijden de werkelijkheid. Lees maar wat Jan Cremer van zijn stad vond:

Enschede, een stad met een immer grijze hemel, waar het vaak regende en mistte en een doordringende vettige nevel in de straten hing. Of de bittere rook van de in brand gestoken veengebieden rondom die, slechts voor even, de stank van de fabrieken verdreef. Alleen de mist kon de grauwheid van deze troosteloze plaats verhullen.

 De schrijver Willem Brakman, bedrijfsarts voor Rigtersbleek, schreef ook over de stad waar hij toen werkte en woonde: ‘Wat ’n hinderlijk lelijke stad’. In dat ‘onlieflijke stadje kon je je naam schrijven in het roet van de lucht’. De stad greep hem aan: ‘In deze van lelijkheid nauwelijks te begapen omgeving die de voortdurende uitstraling van een ijskou heeft, raakte ik de wanhoop steeds meer nabij.

     Cabaretier Henk Elsink, getogen aan de Janninksweg in Enschede, wond er geen doekjes en vertelde televisiekijkend Nederland en Koos Postema in 1990, in het programma Klasgenoten, hoe hij dacht over de stad van de jaren veertig, vijftig: ‘Het was een afschuwelijke stad, de smerigste van West-Europa. Er hing een nare sfeer, het was er onaangenaam’. Vergoelijkend voegde hij er aan toe, in 1990 dus: ‘Maar het is nu een leuke en mooie stad geworden.’

     De advocaat Ties Schmidt vroeg zich op 3 november 1952 in een bijeenkomst van de Rotaryclub Enschede af waarom Enschede eigenlijk zo weinig sfeer had. Hij gaf zelf antwoord:

 Enschede is materialistisch behoorlijk ontwikkeld, maar geestelijk achtergebleven. Er is onder de bevolking geen eenheid en elk gevoel van gezond chauvinisme ontbreekt.

 Als eersteklasser van Het Enschedees Lyceum aan de Haaksbergerstraat in Enschede was me ontgaan hoe leraar Nederlands dr. Willem Diemer in januari 1953 in de schoolkrant De HEL uitlegde, waarom Enschede ‘de meest beklagenswaardige stad’ was die er voor hem bestond. Kennelijk had de propaganda van de gemeente, over de nieuwe stad in het oude land, de stad van fleur en vlijt, de niet gedoofde vlam der cultuur, hem ook bereikt. Diemer:

Enschede was mij geschilderd als een interessante stad, één en al bedrijvigheid, een stad waar het bruist van mogelijkheden, een stad waar wat g e b e u r t. De leidinggevende kringen, zo zei men, hadden er een sterk cultureel verantwoordingsgevoel, het onderwijs stond er in hoog aanzien, er waaide een progressieve wind en mensen op culturele sleutelposities kon men horen zeggen, dat zij enkel ‘streefden naar stijlvolle persoonlijkheid binnen een cultuurbewuste gemeenschap’. Wat zou men meer wensen?

 Willem Diemer was bij zijn komst gepaaid met beloftevolle, lonkende vergezichten, de ronkende verhalen uit het boekje, dat iedere schoolverlater rond zijn elfde, twaalfde levensjaar kreeg uitgereikt. Maar Diemer voelde zich ietwat bedrogen. Cultureel gesproken vond hij Enschede nog steeds niet meer dan een gemeente van 20.000 inwoners:

Het aantal middelbare scholen en scholieren, de standing van het stedelijk dagblad, de eenzijdigheid van het cultuurbezit (schilderijen en muziekkorpsen), het ontbreken van culturele ‘high brow’-met-invloed, betekenis van bioscopen bij gebrek aan andere mogelijkheden (literair leven, toneelbloei, schildersgroepen, wekelijkse concerten, omroep, hoger onderwijs, traditie) – het wijst allemaal precies in de richting van dát getal.

Een dorp dus, waar volgens Willem Diemer, de vlam van de cultuur wél was gedoofd. Diemer:

Ik ben het voor mezelf steeds meer gaan samenvatten in dit ene zinnetje: ‘Men ziet het niet.’ Men mist t.a.v. cultuur het juiste begrip, het niveau, de ‘instelling’. Men is zo eenzijdig de ‘homo economicus’ [...] dat men de cultuurdragers en de cultuurbewusten al decenniën aan zijn laars lapt, en eruditie beschouwt als ‘buiten model’.

In hetzelfde nummer van de schoolkrant gaven vooraanstaande stadgenoten hun mening over de visie van Diemer. Fré van Heek, hoogleraar sociologie in Leiden, gaf aan waarom ‘vele aspecten van het Enschedese cultuurleven nog weinig bevredigend’ waren. Een belangrijke reden was de excentrische ligging van Enschede, op grote afstand van de grote steden en de universiteiten en hogescholen van ons land. Enschede was ook geen bestuurscentrum. Er ontbrak een academisch gevormde researchstaf in de plaatselijke textielindustrie, in tegenstelling bijvoorbeeld met de elektrotechnische industrie in Eindhoven en de metaalindustrie in Hengelo. En de ‘Tukkers’:

 Het groepskarakter der Twentse bevolking met haar weinig emotioneel en sterk secundair functionerend (moeilijk voor nieuwe indrukken openstaand) temperament, dat een zich gemakkelijk uiten op verschillende culturele gebieden niet bevordert. 

Van Heek concludeerde overigens dat Diemer een te ongunstig beeld had geschilderd van het culturele leven in Enschede.

     De HEL was mijn schoolkrant, niet alleen dat ik ‘m van begin tot eind las, elke keer bij verschijnen, maar ik werd ook hoofdredacteur van het leerlingendeel. Ik zat in de vierde klas van Gym-B, toen we de beste schoolkrant van Nederland werden, trots als een pauw waren we, zeker toen Anne van der Meiden, die bij een landelijke uitgeverij werkte, ons een grote beker kwam uitreiken.

     Ik heb Willem Diemer niet als leraar gehad. Niet lang nadat hij de stad in oproer had gebracht, verliet hij – in 1955 – Enschede, om leraar in Groningen te worden. Zeven jaar later kwam hij terug in Enschede, als leraar aan de gemeentelijke HBS. Hij was verliefd geworden op het fraaie, oude burgemeestershuis van Delden, dat toen al jaren leegstond. In 1994 overleed Diemer. Wie van zijn oud-leerlingen herinnert zich hem niet? Met Enschede is het uiteindelijk goed gekomen, de stoere stad richtte zich in de jaren vijftig en zestig op, Enschede kreeg een nieuw hart, een Universiteit Twente, mooie woonwijken, nieuwe industriële activiteiten, theaters, een voetbalstadion waar veel steden jaloers op zijn. Het is nog steeds “Mien leeve Eènske in mien Twentelaand”, een nieuwe stad in het oude land, zoals de brochure in 1952 beloofde.



 

[1] Jaap Scholten, Horizon City, Enschede/Doetinchem, 2014.

Wim H. Nijhof, Kunst, katoen en kastelen. J.H. van Heek (1873-1957), Zwolle, 2008.

Adriaan Buter, Portret van Enschede, Enschede, 1975, 157. De tekst van dit Enscheder Volkslied is geschreven door Bert Mutter.

Wim H. Nijhof, Boer, baas en Bosmoat. Het leven van Jan Hendrik Assink (1873-1966) in Elsenerbroek en Enschede, Apeldoorn, 2007, 11. Dit boekje (niet in de handel) is in een kleine oplaag verschenen ter gelegenheid van een familiereünie van nakomelingen van J.H. Assink, grootvader van de auteur.

Nijhof, Boer, baas en Bosmoat, o.c., 29.

Wim H. Nijhof, Troebelen in de Twentse textiel, Zwolle, 2012.

Th. J. IJzerman, Beroepsaanzien en arbeidsvoldoening, Leiden, 1959, 65-66.

F. van Heek, Stijging en daling op de maatschappelijke ladder. Een onderzoek naar de verticale sociale mobiliteit, Leiden, 1945, 339.

IJzerman, o.c., 295-296.

M.W. Heslinga, Twentse textielarbeiders, een sociografische schets, Utrecht, 1954, 16, geciteerd in: Van Schelven, o.c., 54.

Deze cijfers komen uit Amerikaanse bronnen en zijn geciteerd in: Adrie Roding, Halve eeuw geleden Enschede door een ramp getroffen, in: n Sliepsteen, nummer 35, najaar 1993, 3-4.

In zijn boek over Enschede in de Tweede Wereldoorlog besteedt Ties Wiegman uitvoerig aandacht aan de gebeurtenissen op 10 oktober 1943. Ties Wiegman, Enschede 1940-1945, Enschede, 1985, 193-218.

Jan van den Dungen, ‘Spot’ op Enschede. Rotaryclub Enschede 1936, 21 maart 1986, Enschede, 1986, 65.

Het artikel van Diemer verscheen het eerst in de schoolkrant van Het Enschedees Lyceum, H.E.L., in het nummer van 23 december 1953, ter gelegenheid van zijn afscheid van het Lyceum. Zie ook: Paul Abels/Georg Hartung, Kom op verhaal in Overijssel. Enschede, z.p., 1996, 108-109.





deValkenberg.nl