De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

Sociale strijd in een Twents textieldorp, over fabrikanten, arbeiders en katholieken

Wim H. Nijhof

Arnold J. Leppink (1893-1986), jarenlang verkoopleider bij D. Jordaan & Zonen in Haaksbergen, overtuigd vrijzinnig-democraat met enig meegevoel met het gedachtegoed van socialisten, schreef bijna veertig jaar geleden zijn memoires. In enkele rake zinnen schetste hij ‘de dominerende plaats binnen de Gemeenschap Haaksbergen’ van de textielfamilie Jordaan in de gehele negentiende eeuw. Vooral in economisch opzicht waren de Jordaans de baas in het dorp, want ze zorgden voor een flink stuk werkgelegenheid, waarvan ook de middenstand in het dorp profiteerde. Leppink had het gevoel dat als gevolg van deze onbetwiste machtspositie de Jordaans ‘zich wellicht onbewust, superieur zijn gaan voelen boven de mensen die voor hen werkten en daardoor al als ondergeschikt en de mindere beschouwd werden’.

Vaak had Arnold ademloos geluisterd naar de verhalen van zijn vader Gerrit Jan Leppink (1865-1902). Gerrit Jan vormde vanaf 1891 samen met zijn broer Hendrik (1854-1923) de bedrijfsleiding van Jordaan & Zonen. Hij had de weverij onder zijn hoede, waar een paar honderd mensen werkten. Arnold: ‘Mijn vader was [...] voor zijn tijd behoorlijk sociaal voelend met veel begrip voor de arbeiders van de fabriek, die aan het einde van de negentiende eeuw nog onder zeer karige omstandigheden moesten werken en leven. Zijn streven was voor de arbeiders [...] te doen wat in zijn vermogen lag.’ Maar de firmanten van Jordaan handhaafden volgens hem onverkort ‘hun alleenheerschappij’ en hun arbeiders waren nauwelijks in tel. Ze trokken zich weinig aan van de soms barre omstandigheden waaronder hun ondergeschikten leefden, hun schrijnende armoede, hun vaak onaanvaardbare woonomstandigheden. De ‘Heeren Jordaan’ vonden het volgens Arnold vanzelfsprekend dat hun arbeiders hard werkten voor het bedrijf, maar wat de beloning betrof toonden de Jordaans zich ‘steeds even schriel’, want de lonen hielden ze zo laag mogelijk en gunsten kenden ze niet, ‘dat lag nu eenmaal niet in hun behoudende aard’.

In tegenstelling tot Arnold was zijn oom Hendrik een trouwe vazal van de Heeren, voor hem was hun woord wet. Als fabrieksopzichter was hij één van de vijf vertegenwoordigers van Jordaan & Zonen, die werden ondervraagd door de staatscommissie die omstreeks 1890 een parlementaire enquête hield naar de arbeidsomstandigheden in het bedrijfsleven.  Hem werd de vraag gesteld hoeveel de arbeiders van Jordaan verdienden. Vaste arbeiders hadden volgens Leppink ‘een zeker loon’, anderen werkten op stukloon. Een goede wever ging elke week met zeven tot acht gulden naar huis, een ander kreeg vijf tot zes gulden in zijn loonzakje. Gemiddeld was het loon van een goede wever op zes gulden te stellen. Leppinks antwoorden bleken later niet te kloppen, te geflatteerd, want in 1894 lieten de firmanten weten dat het gemiddelde loon van een wever ? 4,47 bedroeg, aanzienlijk minder dus dan Hendrik Leppink tijdens de verhoren van de staatscommissie had verteld.

Arm dorp

Haaksbergen was omstreeks 1900 een arm dorp. Een katholiek dorp ook, want slechts drie van de tien inwoners waren protestanten. Veel gezinnen – zeker de grotere – konden nauwelijks rondkomen. Arbeiders hadden er meestal een klein boerenbedrijfje bij, met een varken, of een koe, soms beide, voor het vlees en de melk. Op een stukje grond verbouwden ze aardappelen en groenten, voor eigen gebruik. Om de kachels in de koude maanden brandend te houden, staken ze turf in het Haaksbergerveen of het Buurserveen. Het waren zware dagen voor de mannen, want al het werk moest vóór en na de werktijd in de fabriek worden gedaan. De vrouwen verzorgden het vee. Werd iemand ziek, dan kwam er geen geld binnen, want wie bij Jordaan niet werkte, kreeg geen geld, een oerwet bijna, die voor iedereen gold, voor hoog en laag. Toen Gerrit Jan Leppink in 1902 overleed, bleven zijn vrouw en kinderen onverzorgd achter. Van de firma Jordaan hadden ze niets te verwachten, want wanneer een werknemer overleed, kende het bedrijf nog steeds geen voorzieningen voor wezen en weduwen. Arnold Leppink schreef hierover in zijn memoires: ‘De Twentse textielfabrikanten in het algemeen en zeker de heren Jordaan, gingen blijkbaar al vanouds uit van hun stelregel, dat waar geen werk werd geleverd, door welke oorzaak dan ook, er op generlei financiële bijstand gerekend kon worden.’

Bij Jordaan & Zonen werkten in 1890 ongeveer tweehonderd arbeiders, onder wie 140 wevers. De meesten kwamen uit het dorp of de omliggende buurschappen; er was weinig ‘boerenvolk’ van buiten Haaksbergen. De huizen van de arbeiders waren klein en vochtig, ‘slecht ingericht’ volgens huisarts Warmond Prins tijdens de verhoren van de staatscommissie, wat nadelige gevolgen had voor de gezondheid. Het hele gezin sliep in een klein kamertje, dat vaak nog een lemen vloer had. Het privaat was primitief, gewoon een ton in een hoek van de deel. Het drinkwater kwam uit putten. Soms moesten twee gezinnen van dezelfde put gebruik maken. Het zou weinig zin hebben woningen voor arbeiders te bouwen, meende Prins, want dat zouden ze niet kunnen betalen en ze spaarden er ook niet voor.

De wevers bedienden meestal twee getouwen, slechts een enkeling werkte op vier getouwen tegelijk, bijgestaan door een hulpje, meestal een jongen die net was begonnen in de fabriek en daarna spoeler werd. Als hij een jaar of achttien, negentien was, kreeg hij werk als wever. Meisjes en vrouwen kwamen meestal terecht in de spoelerij. De jongens en meisjes zagen er bleek uit, zoals Prins de commissie vertelde, ze hadden geen gezonde kleur. De werktijden waren van zeven uur ’s morgens tot zeven uur ’s avonds, met een middagpauze tussen twaalf uur en half twee. Om half negen en half vijf kregen de vaste werklieden en de wevers twintig minuten de tijd om een boterham te eten, maar de machines bleven doordraaien, er mocht geen seconde verloren gaan. Overwerk kwam weinig voor.

De Jordaans waren over het algemeen geen gemakkelijke bazen, een enkeling kon zelfs heerszuchtig genoemd worden. Arnold Leppink kon in de fabriek met iedereen goed opschieten, uitgezonderd met zijn baas meneer Derk Jordaan, die het toen alleen voor het zeggen had in de zaak. ‘Hij was geen gemakkelijk heerschap.[...] Daarbij was hij nors en bekrompen van aard. ’s Morgen prompt om half acht kwam hij de fabriek binnen aan de achterzijde [...] om allereerst even aan te wippen bij mijn oom Hendrik, de bedrijfsleider.[...] Vervolgens draafde hij het hele bedrijf door om te zien of er overal wel gewerkt werd en om blijk te geven van zijn aanwezigheid.’ Na een kwartaal gewerkt te hebben, verwachtte Arnold zijn salaris, maar dat bleef uit. Toen hij verhaal ging halen, hoorde hij van Derk Jordaan dat zijn salaris was bepaald op drie gulden in een week, dat hij dus 39 gulden zou  moeten krijgen, maar hij had het verrekend  met de kleine schuld die moeder Leppink had, van enkele jaren terug, en hij kreeg dus geen cent uitbetaald. Vervolgens kreeg Arnold een preek mee, hij moest goed zijn best blijven doen, dan kwam het wel goed met hem. Arnold: ‘Het was alsof ik een klap voor mijn kop kreeg en het werd mij helemaal duidelijk dat zolang het van Derk Jordaan moest komen ik bitter te weinig te verwachten zou hebben.’

‘Slavenlijke arbeid’
Haaksbergen was vooral ook een rooms dorp, zeven van de tien inwoners waren katholiek. De Reformatie had hier nauwelijks aanhangers gekregen. In 1810 kregen de katholieken zelfs hun Pancratiuskerk terug, die jarenlang het bedehuis van de protestanten was geweest, omdat koning Lodewijk Napoleon vond dat de protestanten in het dorp ver in de minderheid waren. Dat bracht onrust, de protestanten verzetten zich, de roomsen hadden immers al een goede kerk, al was het maar een noodkerk. ‘Snikkend en wenend van aandoening’ trokken de roomsen in een plechtige processie naar hun kerk. De protestanten hadden wel het orgel en de grafstenen weggehaald.  Dat de protestantse Heeren van Jordaan het in het dorp voor het zeggen hadden en aan heel veel touwtjes trokken, deerde de katholieken nauwelijks. Ze hadden werk, al waren de lonen laag en de arbeidsomstandigheden even slecht als in alle Twentse dorpen en stadjes waar katoen de voornaamste bron van inkomen was.

Eén kwestie was er, die veel Twentse katholieken bezig hield, de zondagsrust en het werken op christelijke feestdagen. In Haaksbergen en ook in andere overwegend katholieke steden en dorpen als Delden, Oldenzaal Borne en Ootmarsum hadden textielarbeiders op christelijke feestdagen vrijaf. In Haaksbergen was het nog wel eens een probleem of de roomsen op de toen nog katholieke feestdagen mochten werken. Als de pastoor had laten weten dat de katholieke arbeiders wel verplicht waren de eerste H.Mis bij te wonen, konden ze tegen een uur of negen op hun werkplek zijn. In de Jordaantraditie was het overigens vanzelfsprekend dat de roomse arbeiders geen loon kregen uitgekeerd, wanneer ze op een kerkelijke feestdag verzuimden. Wie niet werkte, kreeg geen geld, was immers het aloude adagium.

Werden dus in Haaksbergen de zon- en feestdagen niet ‘door slavenlijke arbeid’ ontwijd, in Enschede waar katholieken een onaanzienlijke minderheid vormden, werd in de meeste bedrijven op elke christelijke feestdag gewerkt, zeer tot ongenoegen van de katholieke arbeiders. Als een katholiek dat niet wilde, was er voor hem geen plaats in de fabriek. Alfons Ariëns, sinds 1886 de ‘rode kapelaan’ van de Sint Jacobusparochie in Enschede, vond werken op zondagen en feestdagen ‘geheel in strijd met elk begrip van vrijheid’. Hij schreef in 1888 in een pleidooi in het Weekblad voor Oldenzaal en omstreken: ‘Mochten alle Twentse fabrikanten kunnen besluiten hunne Katholieke Werklieden op de weinige feestdagen, die tevens rustdagen zijn, volkomen vrijstelling van arbeid te schenken opdat deze hunnen godsdienstige verplichtingen zouden kunnen nakomen! Hoe meer zij de godsdienstige belangen hunner arbeiders behartigen, des te meer zal dit den fabrikanten zelf ten goede komen.’

Opstandjes tegen directie
De firmanten van Jordaan & Zonen waren weliswaar de ongekroonde koningen van het textieldorp, maar dat betekende niet dat de arbeiders alles slikten. Dat bleek tijdens de verhoren door de staatscommissie. Eén van de ondervraagden – getouwbaas G.B. Klein Gebbink, in het dorp bekend als Stroaters Bernard, die al vijfentwintig jaar bij het bedrijf werkte – herinnerde zich enkele opstandjes. In 1863, toen Willem Hendrik Jordaan (1828-1902) de leiding had gekregen, maakte Jordaan & Zonen veel geweven katoenen stoffen. De arbeiders werden voor elk stuk apart betaald: vijftien cent voor het eerste stuk, een kwartje voor het tweede, ‘en zoo verder, altijd iets meer. Toen werd het kettinggaren zóó slecht dat wij niet meer zooveel stukken konden maken en daardoor werd het loon lager. De arbeiders wilden meer loon hebben, vooral van de eerste stukken en zoo ontstond de werkstaking’, aldus Klein Gebbink.

In 1871 was er weer een werkstaking, die Klein Gebbink meemaakte, ‘ook over premiën op stukken, voor het eerste stuk 60 cents, voor het tweede 70 cents, voor het derde 85 cents en voor het vierde ? 1,00 tot ? 1,15. Toen werd het loon veranderd. Het loon op het eerste stuk werd 2½ cent hooger, maar bleef op de overige stukken hetzelfde, zodat men altijd schade leed. Daarop volgde de werkstaking, waardoor ik ook 14 dagen van de fabriek ben geweest. Ik leed, als een goed wever, de meeste schade.’ Na terugkomst op de fabriek had Klein Gebbink genoegen genomen met het mindere loon.

Maar in het algemeen hadden de arbeiders van Jordaan & Zonen weinig te vertellen. De lonen die het bedrijf betaalde, behoorden tot de laagste in Twente, maar de werknemers waagden het niet tegen te sputteren. Dat had alles te maken met hét grote probleem dat de katholieken in Haaksbergen hadden: de economische en bestuurlijke macht in het dorp was in handen van de protestanten en het waren vooral de Heeren van Jordaan die vooraanstaande functies vervulden in de diaconie, kerkenraad en kerkvoogdij, en in het openbaar bestuur. Van hun geloofsgenoten die in de fabriek werkten, verwachtten de Heeren onverkorte solidariteit en trouw. Katholieken zwegen, omdat ze vanouds in het dorp tot een minderheid behoorden die niet voor de belangrijke functies in aanmerking kwam. Bij Jordaan & Zonen was in de leidinggevende functies en op het Heerenkantoor geen plaats voor roomse dorpsgenoten. Tot ver in de twintigste eeuw werkten op het hoofdkantoor van Jordaan & Zonen geen katholieken. Lang hadden de katholieken vrede met hun lot, ze vertrouwden op de pastoor en zijn kapelaans. Evenals de hervormden en gereformeerden waren katholieken vanuit hun geloofsovertuiging niet gewend in het geweer te treden tegen hun broodheren.

Een tweede reden voor de rust en gelatenheid in Haaksbergen en ook in andere kleinere plaatsen met industriële bedrijvigheid was dat daar tot 1890 de economische situatie nog niet zo was verslechterd, dat er al gesproken kon worden van een sociale kwestie. Hier bestond nog de ‘harmonie der sociale opvattingen’. In deze kleine leefgemeenschappen kende iedereen elkaar, ook in de fabrieken, waar nog steeds patriarchale verhoudingen heersten, want de fabrikanten vonden dat ze goed zorgden voor hun arbeiders. In grote steden als Enschede, Hengelo en Almelo had de overgang naar het grootbedrijf zich omstreeks 1890 al voltrokken en waren de patriarchale verhoudingen zo goed als verdwenen. Bij die ondernemers had de zorg voor de arbeiders plaats gemaakt voor een vaak niets en niemand ontziend winststreven. Maar de sociale strijd zou Haaksbergen niet onberoerd laten, integendeel.

Ariëns kapelaan in Enschede
In de jaren tachtig van de negentiende eeuw veranderde er veel in Twente. Tijdens het tweede jaarcongres van de in 1881 opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB), op zondag 24 december 1882, had Ferdinand Domela Nieuwenhuis, de onvermoeibare Friese dominee die het socialisme had gepromoveerd tot de nieuwe heilsleer die de arbeiders de weg wees naar een betere wereld, zijn volgelingen aangespoord: ‘Er moet meer gewerkt worden om nieuwe banen te openen. Daar ligt nog geheel Twente, ons industriekwartier bij uitnemendheid, onbebouwd [...].’  De grote steden Enschede en Hengelo waren de eerste speerpunten voor het socialistische zendingswerk. In 1885 werd de Enschedese afdeling van de SDB opgericht, een jaar later de Hengelose.

De Enschedese textielfabrikanten, conservatieve liberalen en dus overtuigde tegenstanders van staatsbemoeienis, kregen er nieuwe vijanden bij, de socialisten en de vakbonden. Ze poogden de opkomst van het socialisme, gepropageerd door Ferdinand Domela Nieuwenhuis, tegen te houden. Maar vergeefs, de SDB kreeg ook in Twente aanhangers. Een tegenzet van de ondernemers was de oprichting van de Fabrikanten Vereeniging Enschede in 1888. Volgens de statuten was de FVE de gesprekspartner voor overleg met goedwillende arbeiders, maar al gauw bleek dat de nadruk lag op het bestrijden van het rode gevaar, het oprukkende socialisme. De gezamenlijke fabrikanten spraken af, dat ze het voorbeeld volgend van de Engelse lockout, bij stakingen één lijn zouden trekken. Kreeg een collega te maken met stakende arbeiders en kwamen partijen niet tot een akkoord, dan sloten de FVE-leden hun fabrieken, het zogenoemde Twentse Stelsel.

Op 30 september 1886 kwam Alfons Ariëns (1860-1928) naar Enschede, volgens hem de ‘lelijkste stad in Nederland’.  Hij was benoemd tot kapelaan van de Sint Jacobusparochie, zijn eerste standplaats na zijn vierjarige verblijf in Rome. ‘Het achterlijk Twente werd algemeen voor een negorij gehouden, omdat een geestelijke, die met vetlaarzen door de modderige buitenwegen moest baggeren, er levend begraven scheen’, meende Gerard Brom die een biografie over Ariëns schreef.  Velen hadden zich verbaasd over de benoeming. Hij was in Rome gepromoveerd tot doctor in de godgeleerdheid en zou zeker worden geroepen tot wetenschappelijke of geestelijke taken op hoog niveau. Zelf beweerde hij verheugd te zijn met deze benoeming in het centrum van de Twentse katoenindustrie. Niet dat hij enige invloed had gehad op zijn benoeming, dat was uitgesloten bij het toenmalige kerkelijke benoemingsbeleid. Onverklaarbaar vond menigeen het dan ook dat de aartsbisschop van Utrecht mgr P.M. Snickers – overigens zelf een sociaal bewogen geestelijke – de geleerde Ariëns had geplaatst ‘in een onaanzienlijke functie in een uithoek van het diocees’.

Waarom toonde Ariëns zich blij met deze standplaats? Na zijn promotie in Rome was hij door Italië gereisd. Wat hij zag en hoorde, bracht hem tot het besef, dat zijn toekomst lag in het sociaal apostolaat. Hij had in Rome in een arbeidersbuurt op kamers gewoond en gezien hoe het Romeinse stadsproletariaat leefde. In Turijn had hij Don Bosco en zijn Salesianen leren kennen, die in deze fabrieksstad een einde wilde maken aan de sociale wantoestanden die er heersten onder vooral de jongeren. Ook trok hij door Sicilië waar hij de arme sloebers in de zwavelmijnen bezocht, ‘wier lot weinig verschilde van dat der slaven’. In Carrara zag hij de mannen in de marmermijnen zweten en zwoegen. Deze ervaringen brachten Ariëns tot de overtuiging, dat hij zich wilde inzetten voor de onderste laag van de samenleving, de arbeiders. In Enschede troffen hem vooral de overeenkomsten met Italië, ook in deze Twentse textielstad zag hij de sociale nood van de arbeiders, hun armoede, hun erbarmelijke woon- en arbeidsomstandigheden.

Begin katholieke arbeidersbeweging
Nauwelijks een jaar nadat hij in Enschede was begonnen, ontdekte Ariëns dat hij om een kans te maken in de strijd met het kapitalisme van de Twentse textielfabrikanten, de katholieke arbeiders moest organiseren. In huisgesprekken met parochianen, onder wie veel textielarbeiders die in de sloppenbuurten van Enschede woonden met huiveringwekkende namen als de Krim en Sebastopol, had hij de armoede en ellende van de arbeiders leren kennen. In die jaren was het arbeidersvraagstuk internationaal een veelbesproken onderwerp in de kringen van katholieke leiders in landen als Duitsland, België en Frankrijk en ook in Zwitserland, Oostenrijk, Italië en Engeland. Ervaringen werden uitgewisseld op de zogenoemde Luikse congressen, waar sociaal-katholieken bijeenkwamen. Ariëns zelf volgde deze internationale ontwikkelingen op de voet.

Opmerkelijk is dat het Weekblad voor Oldenzaal en omstreken in 1888 en 1889 een aantal artikelen publiceerde over werkliedenverenigingen. Het is vrijwel zeker dat deze waren geschreven door Ariëns, mogelijk op initiatief en met medewerking van kapelaan G.H.F. Groothuis uit Rossum, een sociaal-katholiek van het eerste uur in Twente, redacteur van het weekblad. Op 5 oktober 1889 schreef het weekblad over Katholieke Werklieden Vereenigingen. Op de eerstvolgende zondag, na de hoogmis, kwamen een aantal werklieden en kapelaan Ariëns inEnschede bijeen in het huis van Jan Winkels. Ariëns vertelde enthousiast en met vuur over zijn plan: de katholieke arbeiders moesten een vereniging stichten. Op zondag 3 november tegen de avond kwamen ongeveer 150 arbeiders samen in de katholieke school aan de markt. De volgende zondag zetten tachtig mannen hun handtekening en veertien dagen later, op 24 november 1889, vond de formele oprichtingsvergadering plaats van de R.K. Arbeidersvereeniging-Enschede, met Sint Jozef als patroonheilige.

De RKAV-Enschede was het begin van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland.  Aartsbisschop Snickers stortte een flink geldbedrag in de nog lege verenigingskas en benoemde Ariëns tot geestelijk adviseur, een bewijs dat de vereniging alle steun had van de clerus in Utrecht, maar ook dat het episcopaat de baas was en altijd het laatste woord had. ‘Geen besluit kan worden genomen dan in tegenwoordigheid van den adviseur. Bij staking van stemmen beslist zijne stem’, zo meldde artikel 7 van de statuten.  Bij twijfel kon de adviseur altijd te rade bij de bisschop. De vereniging was dus een standsorganisatie, opererend onder de vleugels van Utrecht, en nog geen vakbond die wilde ijveren voor het verbeteren van de levens- en werkomstandigheden van de arbeider. De ethisch-religieuze doelstelling van de RKAV Enschede was ‘de godsdienstige en maatschappelijke belangen van den katholieken arbeider te bevorderen en hem te vrijwaren tegen anti-christelijke socialistische invloeden’, door gezellig samenzijn, zang, toneel en anti-socialistische vorming.

De katholieken hadden het niet begrepen op de socialisten, vooral omdat deze alle privaatbezit wilden afschaffen. ‘De grootste dwaalleer van onzen tijd’, het socialisme, had het privaatbezit tot ‘de grondslag dier socialistischen leer’ bestemd, aldus Ariëns, en dat was volgens hem ‘een groot ongeluk’, want ‘daar komt de ellende vandaan, zooveel armoede’. Wat schamper voegde de kapelaan er aan toe: ‘En als dat private bezit maar verdween, als die heeren (de particulieren met eigendommen-whn) maar geen eigenaar meer waren, maar de gemeenschap van alle menschen, dan zou je eens zien, dat alle armoede verdween.’  Een groot succes werd de nieuwe vereniging niet, want een jaar na de oprichting waren er nog slechts vijftig leden.

Eerste katholieke vakbond in Nederland
Als geestelijk adviseur van de RKAV-Enschede kreeg Ariëns ongewild een hoofdrol in de staking die op 27 februari 1890 uitbrak bij de textielfabriek Ter Kuile & Morsman in Enschede. Een jonge wever, die na de loting voor militaire dienst uit blijdschap te diep in het glaasje had gekeken en ’s middags in de fabriek zijn baas had afgesnauwd, werd ontslagen. Voor zijn collega’s, die al lang over vele zaken ontevreden waren, het sein om niet alleen solidariteit te betonen, maar ook een ongezochte kans om eisen te stellen: meer loon, afschaffing van de onrechtvaardige boetes, beter garen en minder lange wachttijden waarin niets werd verdiend, omdat ze op stukloon werkten. De arbeiders legden het werk neer, maar de firmanten willigden hun eisen niet in. Voor het eerst pasten de fabrikanten van de FVE het Twentse Stelsel toe, ze sloten de poorten, vijfduizend man stond op straat. Ariëns bemiddelde in het conflict, samen met twee predikanten die de in 1876 opgerichte christelijke vereniging van arbeiders Patrimonium vertegenwoordigden, en bestuurders van de neutrale vakbond Vooruit. Het bleek dat de confessionelen wel wilden toegeven, zodat de arbeiders snel weer aan het werk konden, maar de fellere neutralen van Vooruit, onder wie veel socialisten, wilden doorvechten.

Ariëns pakte uiteindelijk door, al het overleg leverde niets op en hij spoorde de arbeiders aan weer aan het werk te gaan, nadat hij van de directie van Ter Kuile & Morsman enkele magere toezeggingen over het lot van negen ontslagen arbeiders had gekregen. Het waren vooral de socialisten die de ‘rode kapelaan’ de rol van verrader toedichtten. Domela Nieuwenhuis schreef in de Tweede Kamer het mislukken van de staking toe aan ‘de sluwe machinatiën van een geestelijke’.  Later zou Ariëns de schuldigen aanwijzen: ‘.....maar wie niet wilden, waren de mannen van de roode vaan. Al werd door Patrimonium en onze leden honderdmaal betoogd, dat men gemeenschappelijk verbetering zou aanbrengen ....... uwe mannen wilden niet toegeven.’

De gebeurtenissen bij Ter Kuile & Morsman hadden Ariëns bevestigd in zijn overtuiging, dat er een katholieke vakorganisatie moest komen die volgens de eigen katholieke beginselen de massa roomse arbeiders in beweging moest brengen en kon leiden. De organisatie zou zich inspannen voor de ‘stoffelijke belangen’ en de rechten van de katholieke fabrieksarbeiders. Geen standsorganisatie dus, zoals de RKAV-Enschede, maar een vakbond.  Het Oldenzaals Weekblad meldde op 15 november 1890 dat de RKAV ‘laatstleden Zondag, op de feestdag van Neerlands Apostel de H. Willibrordus’, een algemene vergadering in Enschede had gehouden, die ook was bijgewoond door arbeiders uit Oldenzaal, Hengelo, Borne en Haaksbergen. De Haaksbergse aanwezigen maakten hier kennis met Alfons Ariëns, die een rede hield over de wenselijkheid de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond op te richten. Op 14 januari 1891 lanceerde Ariëns het plan voor de oprichting van de bond, de eerste katholieke vakbond in Nederland. De Bond, zoals de roepnaam werd, had al spoedig zo’n aantrekkingskracht, dat velen van de RKAV overstapten.

In Haaksbergen werd één van de eerste afdelingen van de nieuwe bond opgericht, die korte tijd Sint Severus heette, maar daarna al snel – op 19 maart 1891, de naamdag van Sint Joseph – haar naam veranderde in Sint Joseph. De vakbond, die in tegenstelling tot een standsorganisatie niet onder invloed stond van de clerus in Utrecht, legde vooral de nadruk op de directe belangenbehartiging van de arbeiders en Ariëns zag anti-socialistische vorming ook als een belangrijk doel. In Sint Joseph verenigden zich overigens niet alleen textielarbeiders, maar ook andere handwerkers als metselaars, timmerlieden en koperslagers. De voormannen van het eerste uur waren A.J. ten Hagen, die voorzitter werd, A. Kleinsman, J. ter Bekke, G.J. Wielens, R. Vaanholt en G. Molenkamp. De eerste jaren verliepen rustig, er werden wel wat resultaten geboekt, niet wat de rechtspositie van de arbeiders betrof, maar, aldus een geschiedschrijver, ‘meer in godsdienstige zin, waardoor een verder voortwoekeren van het socialisme onder de Katholieke Arbeidersbevolking werd voorkomen.’

Socialistische ideeën
Maar de nieuwe bond was voor veel leden niet progressief genoeg, vooral omdat deze zich steeds meer – geheel in de lijn van de encycliek Rerum Novarum – ontwikkelde tot een standsorganisatie onder toezicht van de hoogste kerkelijke autoriteit en de strijdvaardigheid en de onafhankelijkheid van een vakbond miste. Paus Leo XIII had in mei 1891 in zijn encycliek de katholieke wereld laten weten, dat geloofsverdieping de oplossing was voor de sociale nood en standsorganisaties onder kerkelijke supervisie aanbevolen als weermiddel tegen socialistische goddeloosheid.  De ontevreden leden van de RKAV richtten een neutrale katoenbewerkersbond op, die als naam De Eendracht kreeg. Leden werden door vele roomsen beschouwd als ‘vermomde socialisten’, terwijl de socialisten hen beschouwden als ‘halve roomsen’. De Eendracht stond los van de geestelijkheid, maar was politiek neutraal. Vanaf het begin had de bond ook een protestantse vleugel, maar het waren vooral de ‘rode katholieken’ die de stuwende krachten waren.

In de jaren 1898-1901 vertakte De Eendracht zich vanuit Enschede naar Almelo, Hengelo, Glanerbrug, Haaksbergen, Neede en Aalten. De afdeling Haaksbergen werd op 3 januari 1901 opgericht. Zo kregen socialistische ideeën geleidelijk ook voet aan de grond in het rustige katholieke dorp Haaksbergen. Het duurde echter tot de herfst van 1902 voordat de sociaal-democraten zich manifesteerden. Op 31 oktober meldde Johan ten Hoopen GJzn zich aan als lid van de SDAP en kondigde tegelijkertijd de oprichting van een plaatselijke afdeling aan.  Met enige andere gelijkdenkende arbeiders – vooral wevers van Jordaan – organiseerde hij een propagandabijeenkomst in de zaal van Hasselo, waar Jan Tijhof, vooraanstaand partijgenoot uit Enschede, zou komen spreken. Honderd belangstellenden kwamen opdagen, maar Tijhof verscheen niet. Iedereen keerde teleurgesteld huiswaarts. De kans om een stevige start te maken met enkele tientallen dorpsgenoten was verkeken. Er was inmiddels wel een bestuur gevormd, waarvan H. ten Hoopen voorzitter was. Politieke invloed kregen de socialisten in Haaksbergen overigens pas in 1919, toen J.H. Temmink, 39 jaar, wever bij Jordaan, tot gemeenteraadslid voor de SDAP werd gekozen.

Onrust over lonen
De leden van Sint Joseph kregen een eigen verenigingsgebouw in de vroegere pastorie aan de Braak. Ariëns kwam op 2 juni 1894 naar Haaksbergen om het gebouw te openen. In zijn toespraak pleitte hij voor een vriendschappelijke omgang van arbeid en kapitaal, want dan zouden patroon en arbeider beiden een ‘genoeglijk’ leven hebben. Hij zette zich fel af tegen de socialisten, met ‘hun ongeloovige kranten en blaadjes en hun vele deftige vrienden’. Deze ‘verderfelijke strooming des ongeloof’ moest worden bestreden en tegengehouden.

Ariëns’ woorden vielen in goede aarde. Het was alsof de Enschedese kapelaan de arbeiders in Haaksbergen de ogen had geopend, want geleidelijk groeiden ontevredenheid en onrust. De plaatselijke bestuurders van Sint Joseph hadden uit hun contacten met collega’s uit Enschede en andere gemeenten begrepen dat de arbeiders in de grote stad en ook in andere textieldorpen veel meer verdienden. De lonen die Jordaan & Zonen betaalde, waren zelfs uitzonderlijk laag, zoals een anonymus op 28 september 1894 in een open brief in De Katholieke Werkman schreef.  Een goede wever verdiende vijf gulden, alle anderen gingen met drie of vier gulden in de week naar huis. Arbeiders in Borne kregen acht gulden, alleen in Neede lagen de lonen nog lager. De directie van Jordaan zag geen enkele reden de lonen aan te passen, want de prijzen van de producten, aan de hand waarvan de lonen werden vastgesteld, waren gedaald en het zag er niet naar uit dat de markt spoedig zou aantrekken. Ze dreigde zelfs de lonen te verlagen, wanneer de bond in actie zou komen. Onvermurwbaar waren de Heeren. De zware concurrentie stond geen loonsverhoging toe, hoorden de vakbondsmannen. Zelfs zou een firmant hebben verklaard dat een gezin van vijf of zes personen in Haaksbergen best kon leven van drie tot vier gulden in de week.

Ariëns tegen werkstaking
Toen de firmanten van Jordaan & Zonen twee katholieke voormannen van Sint Joseph ontsloegen, was de maat vol. De R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond nam de kwestie hoog op. Tijdens een speciale vergadering in Hengelo besloten de bestuurders met algemene stemmen tot een werkstaking bij Jordaan & Zonen. Maar Ariëns – geestelijk adviseur van de bond – hield de staking tegen. Wat er in Enschede bij Ter Kuile & Morsman was gebeurd, wilde hij Haaksbergen besparen. Twee vakbondsbestuurders vielen Ariëns op de terugreis naar Enschede fel aan en verweten hem slapheid, want nu had hij de kans de katholieke vakbeweging meer aanzien te geven. Maar de kapelaan verbood de staking.

Op het station in Enschede beende Ariëns verbolgen weg. De geschrokken bestuurders gaven toe en vergaten de staking en beloofden de kapelaan niet alleen te laten in zijn strijd tegen de Jordaans. In de vergadering van de Haaksbergse afdeling van de bond kreeg Ariëns stevig kritiek van de lokale bestuurders. Biograaf Brom schreef: ‘Het was voor de roomse wevers al zwaar genoeg om dag aan dag te horen dat ze aan de leiband van heerooms liepen; en nu had de kapelaan waarachtig de gelegenheid laten voorbijgaan.’

Onverwacht gebeurde het: de directie van Jordaan, niet gehinderd door strijdlustige arbeiders die een vuist wilden maken, ontsloeg op 23 oktober 1894 37 katholieke arbeiders, onder wie enige vrouwen, protestanten bleven uiteraard buiten schot. In totaal stonden dus nu 39 arbeiders op straat. Het motief was: er was te weinig werk. De arbeiders van Jordaan & Zonen gingen niet in staking, omdat Sint Joseph Ariëns volgde. De kapelaan moet angstige vermoedens hebben gehad, dat staken niets zou oplossen, dat de Heeren toch niet zouden toegeven, terugdenkend aan de zware weken die hij in 1890 in Enschede had moeten doormaken. Achteraf bleek namelijk dat Ariëns in beginsel niet zoveel weerstand had tegen werkstakingen. In De Katholieke Werkman van 25 januari 1895, koud drie maanden na het ontslag van de 37 werknemers, schreef hij dat ‘wij (katholieken) degelijk mogen meedoen aan werkstaking’, onder enkele voorwaarden. Wordt aan die voorwaarden voldaan, ‘dan kunnen wij ons scharen aan de strijdende zijde’. In 1898 was hij overtuigd van nut en noodzaak van dit strijdmiddel. Ariëns ventileerde deze opvatting in een serie van vier artikelen in De Katholieke Werkman. In 1891 had Leo XIII immers ‘het recht van werkstaking’ erkend. Met de ervaring van Haaksbergen rijker was Ariëns het daarmee eens: als het een rechtvaardige zaak betrof, was de werkstaking toegestaan. Hij sloot aan bij de woorden van de Engelse kardinaal Henry Manning, die een belangrijke rol had gespeeld bij stakingen in de haven van Londen in 1889: ‘Wanneer de werkstaking om een rechtvaardige reden geschiedt, is zij geoorloofd en onvermijdelijk; zij is een heilzame paal- en perkstelling aan het despotisme van ‘t kapitaal. Zij is de eenige kracht, het eenige wapen in de handen der werklieden.’ Maar Ariëns bleef wel reserves houden. Dat wapen mocht alleen in uiterste nood worden ingezet. Als de patroons niet begrepen dat de werklui vastbesloten waren om in het uiterste geval van dat recht gebruik te maken, dan zou het stereotiepe antwoord blijven: ‘Het spijt ons wel, maar om de concurrentie kunnen wij niets meer geven.’ Dat was treurig, maar waar, vond Ariëns. Met dat antwoord van de Heeren Jordaan nam hij in 1894 genoegen. Hij durfde in Haaksbergen niet naar het strijdwapen van de werkstaking te grijpen.

Eendracht
Voor de 39 ontslagen katholieke arbeiders – de firmanten van Jordaan waren immers protestanten – richtte Ariëns zijn productiecoöperatie De Eendracht op.  Het was een handweverij met dertig tot veertig getouwen om voornamelijk bont goed te weven. De ontslagen arbeiders verdienden een loon, deelden in de winst en kregen beperkte medezeggenschap. De geweven producten zouden zonder tussenhandel op de markt worden gebracht. Maar het experiment van de kapelaan mislukte, simpelweg omdat er te weinig verkocht werd, de weefgetouwen nog handbediend waren in een tijd waarin de stoom overal intrede had gedaan, en er geen geld was voor modernisering. Ariëns, toch bekend als aartsbedelaar, slaagde er deze keer niet in, voldoende geld uit zijn netwerk te genereren. De Eendracht moest begin januari 1902 sluiten, de machines stonden stil. Voor zestienduizend gulden kocht de Enschedese manufacturier Karel Maseland het bedrijf. Zeven jaar later moest de weverij worden stopgezet. Het Nieuwsch van den Dag meldde dat dertig arbeiders werkloos werden. De meesten konden weer in dienst komen van Jordaan & Zonen. In de nazomer van 1909, bijna een jaar na de sluiting, werd de weverij verkocht. De nieuwe eigenaar van de fabriek, Jordaan & Zonen, brak kort daarna alle gebouwen af en liet op de fundamenten drie dubbele huurwoningen neerzetten. Op de hoek van de Braak en de Werfheegde – nu Dr. Ariënsstraat – liet Hendrik Leppink voor zijn oudste zoon Johan, die hem opvolgde als bedrijfsleider, een groot woonhuis bouwen.

Dat hij aan het einde van zijn kapelaansperiode zich als pastoor nog zou kunnen wijden aan de arbeidersbeweging in Twente die hij tot leven had gebracht, was een stille wens van Ariëns. Maar aartsbisschop mgr H. van de Wetering, die minder dan zijn voorganger mgr Snickers was gediend van Ariëns’ sociale activiteiten, benoemde hem in 1901 tot pastoor in Steenderen. Ariëns moest zijn huishoudster vragen waar het lag, dit plattelandsdorpje bij de IJssel, niet ver van Zutphen. Het bisdom had hem het zwijgen opgelegd, voor de actieve vakbeweging was hij verloren. Vakbondsleiders spraken het ronduit uit, Ariëns was weggepromoveerd. Anderen, vooral katholieke geestelijken, vonden echter dat hij tot pastoor was gepromoveerd, omdat hij lang genoeg kapelaan was geweest. In Enschede en Haaksbergen zagen velen Ariëns als een held, een moedige strijder voor de belangen van de arbeiders. Drie dagen duurde het afscheidsfeest in Enschede. Arbeiders, drankbestrijders, burgers, fabrikanten, katholieken en andersdenkenden kwamen hem de hand ten afscheid schudden. Haaksbergen heeft de rode kapelaan niet vergeten, al heeft het dorp wel lang moeten wachten op een monument voor Ariëns. In 1982 kon het onthuld worden, een werk van de Twentse kunstenaar Jan Kip. Het staat aan de Braak, een passende plek, waar vroeger de handweverij van De Eendracht was gevestigd.

Landelijke actie voor Enschede
Er wordt wel eens beweerd en geschreven, dat het optreden van Alfons Ariëns in de jaren negentig de reden was dat er in Twente vrijwel geen ongeregeldheden of stakingen uitbraken in de textielfabrieken. Hier en daar was wel eens wat onrust, maar spraakmakende conflicten bleven inderdaad uit. Maar in 1902, een jaar nadat Ariëns naar het agrarische Steenderen was vertrokken, was het raak. Bij Van Heek & Co. in Enschede, dat acht jaar later de grootste industriële onderneming in Nederland zou zijn, brak een staking uit.  De oorzaak van het arbeidsconflict was het voornemen van de broers Bernard en Ludwig van Heek de lonen van de dekenwevers te verlagen. De formele verklaring was dat conjuncturele zorgen de firmanten noopten tot deze loonsverlaging van een groep wevers die op stukloon werkten en meer verdienden dan andere wevers.

Het was een schijnreden, want het bedrijf had nauwelijks zorgen om de toekomst. De firmanten wilden gewoon nog meer winst maken en zich niet door de arbeiders op de knieën laten dwingen. Ludwig en Bernard waren onvermurwbaar. Begin 1902 hadden meer dan tweeduizend arbeiders van Van Heek & Co. en Rigtersbleek – geleid door een andere broer van Ludwig, Jan van Heek (1873-1957) – het werk neergelegd. De katholieken en socialisten waren volgens Jan van Heek, zo schreef hij later in zijn memoires, de raddraaiers geweest, maar ook de fabrikanten trof schuld. Zijn broers waren te halsstarrig geweest. Met een beetje meer tegemoetkomendheid zou het conflict minder ernstig zijn geweest.

Natuurlijk hoorden de arbeiders in Haaksbergen van deze grote staking, die landelijk aandacht kreeg, vooral door de inzet van Henriette Roland Holst, een fel propagandiste van het socialisme, die een actie onder Nederlandse kunstenaars ontketende, om gelden bijeen te brengen voor uitkeringen aan stakende arbeiders.  Onder de stakers waren enige inwoners van Haaksbergen die bij Van Heek & Co. werkten. In het dorp zelf was het wat onrustig. Kort voor de staking in Enschede begon, op 13 januari 1902, waren in De Eendracht tot grote teleurstelling van Alfons Ariëns en zijn medewerkers de machines stopgezet. Nog steeds waren de dorpelingen niet van hun verbazing bekomen. Wie had verwacht dat in hun rustige, lieflijke dorp de machtige protestantse Heeren zich hadden verstout katholieke dorpsgenoten op straat te zetten, alleen omdat ze hetzelfde loon wilden verdienen als hun collega’s in Enschede? Hun held Alfons Ariëns had de strijdvlag ook moeten strijken. Dag en nacht had hij gewerkt om De Eendracht van de grond te krijgen, om zijn droom van een productiecoöperatie waar te maken. Maar de Heeren toonden hun oppermacht en werkten zelf mee aan de ondergang van de weverij. De Heeren van Jordaan & Zonen en hun collega’s van D.J. ten Hoopen & Zoon hadden ook de strijd in Enschede op de voet gevolgd. Ze zagen dat de afloop van de staking daar weinig verschilde van het resultaat van de acties van Ariëns enkele jaren eerder: de fabrikanten wensten niet te buigen voor bonden en arbeiders, ze wilden baas in eigen huis blijven.

Ondanks de ongekende winsten die de meeste bedrijven in het begin van de twintigste eeuw konden boeken, moesten de fabrikanten ervaren dat de sociale onrust bleef. De conflicten in de jaren tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog waren nergens zo heftig als in 1902 in Enschede. In totaal staan er zes stakingen te boek, niet alleen in Enschede waar drie stakingen – duur drie weken, twee maanden, drie maanden – werden gehouden, maar ook in de kleinere textieldorpen kwamen arbeiders in verzet, in Goor, Borne en Rijssen.  Het verloop van de stakingen verschilde van dorp tot stad, maar de aanleiding was steeds dezelfde: een loonkwestie. In Haaksbergen bleef het al die jaren rustig.

‘Onverstandige maatregel’
Kort na het einde van de Eerste Wereldoorlog hadden alle Twentse textielfabrikanten één gezamenlijk probleem. De nieuwe Arbeidswet die de Eerste Kamer op 31 oktober 1919 zonder hoofdelijke stemming had goedgekeurd, betekende een verkorting van de werkdag tot acht uur. De werkweek duurde 45 uur en kinderen beneden veertien jaar mochten nog niet werken. De achterliggende bedoeling van de wetgever was dat de arbeiders meer in het gezin zouden leven, naar meer ontwikkeling zouden streven en aan het verenigingsleven konden deelnemen. De textielfabrikanten, die productieverlies en minder omzet vreesden, bedongen een eigen regeling en kregen hun zin: in 1922 werd de werkdag verlengd tot 8,5 uur en de werkweek tot 48 uur.

Maar de fabrikanten waren niet tevreden, ze wilden meer. Een loonsverlaging was onontkoombaar, anders zouden ze ernstige productieverliezen lijden. De arbeiders kregen de keuze: tien procent minder verdienen of tien procent meer werken. De werkweek moest 53 uren duren. Pas zeventig jaar later, in 1994, bleek dat dit verzinsels waren geweest. Een verlaging van de lonen zou nauwelijks hebben bijdragen aan kostenreductie, want de lonen maakten maar zeventien procent van de totale kosten uit. De werkgevers hadden als enig doel gehad een stijgende inflatie af te wentelen op de arbeiders, zo bleek uit een diepgaande studie van de grote staking van 1923-1924 die het gevolg was van de hardnekkige houding van de ondernemers.

In de herfst van 1923 was het verzet van de arbeiders tegen de voorgenomen loonsverlaging losgebarsten. Op 29 oktober wezen de gezamenlijke vakbonden – confessionelen en socialisten – de voorstellen van de fabrikanten om de lonen fors te verlagen eensgezind af. Er brak een werkstaking uit bij de weverij Kremersmaten van Van Heek & Co. in Enschede. En wat de bonden vreesden, gebeurde: de werkgevers die waren aangesloten bij de Fabrikanten Vereeniging Enschede, zetten het wapen van de uitsluiting in. Op 24 november werden in 39 bedrijven in Twente en de Achterhoek de machines stopgezet, 22.ooo arbeiders stonden op straat. Op 20 juni 1924 adviseerde de bond de leden weer aan het werk te gaan. De loonsverlaging bleef beperkt tot 7,5 procent, de werktijden werden niet verlengd en voor overwerken werd een regeling getroffen.  Dat was het resultaat van een staking die eigenlijk alleen maar was uitgelokt om de winsten van de werkgevers veilig te stellen, zoals zeventig jaar later bleek.

Ook in Haaksbergen hadden de machines stilgestaan, want niet alleen de leden van de Fabrikanten Vereeniging Enschede sloten de poorten, maar uit solidariteit ook de fabrikanten die lid waren van de Twents-Gelderse Fabrikanten Vereniging, waarbij onder meer bedrijven in Haaksbergen, Neede en Winterswijk waren aangesloten. Arnold Leppink had het moeilijk met deze solidariteit van de Heeren, het was volgens hem een onverstandige zet. ‘Bij ons in Haaksbergen had het bedrijf toen precies een half jaar stilgelegen, voorwaar een enorme strop voor de arbeiders, die in feite aan de hele affaire part noch deel hadden. Ook voor de halstarrige fabrikanten, die koste wat het kost hun wil hadden doorgezet, waren de financiële gevolgen uiteraard niet gering.’ Hij kon het moeilijk verkroppen, want deze naar zijn mening onverstandige maatregel had veel kwaal bloed gezet, vooral in de kleine plaatsen waar de arbeiders minder verdienden dan in de grote textielcentra Almelo en Enschede.  

Arnold Leppink kon het niet verkroppen: ‘Dat deze m.i. onverstandige maatregel vooral in deze kleine plaatsen, waar de lonen altijd al op een wat lager peil stonden dan in Enschede en Almelo, veel kwaad bloed heeft gezet, lijkt mij alleszins verklaarbaar, vooral als men in aanmerking neemt, dat door de werknemers buiten Enschede generlei actie was ondernomen.’

Uiteraard zagen de directies van de Haaksbergse bedrijven ook hun loonkosten oplopen en ook zij waren voorstander van een verlaging van de lonen, maar of ze zaten te wachten op een algemene staking, is de vraag. In Haaksbergen waren volgens de notulen van de in die dagen gehouden vergadering van de gemeenteraad vier- tot vijfhonderd arbeiders door de gedwongen staking werkloos geworden, het juiste aantal was niet bekend. Maar het gemeentebestuur stond machteloos en kon niets doen voor de slachtoffers van de staking.

Doordat er een half jaar lang niet was geproduceerd, had Jordaan & Zonen een grote achterstand opgelopen bij de uitvoering van de lopende orders. Bovendien waren de voorraden zowel bij de fabrikanten als bij de grossiers en winkeliers uitgeput. Na de staking leefde de handel op, waardoor veel nieuwe opdrachten binnenkwamen. Arnold Leppink moest het allemaal regelen: ‘Mijn grootste puzzel toen was, om de juiste leveringstijden voor die stroom van orders te bepalen en er dagelijks op toe te zien, dat deze ook zo goed mogelijk aangehouden werden, teneinde de clientèle niet nog meer te duperen en daartoe conflicten op te roepen. Jordaan had op dat punt een goede naam en ik ben erin geslaagd deze ook toen goed te bewaren.

‘Ik geloof er geen barst van’
De onstuitbare technologische vooruitgang bracht sterke veranderingen teweeg in de Twentse textielindustrie. Het waren zoals al vaak eerder was gebeurd, vooral de wevers die werden geconfronteerd met de ontwikkelingen in de textieltechniek. Vroeger, thuis op de boerderij in een weefkamertje, met een pulletje brandewijn binnen handbereik, schoot de wever met vaste regelmaat uren achtereen de spoel door de schering. Toen de stoommachines kwamen en de werkplek van de wever van de boerderij of woning verhuisde naar de fabriekshallen, hadden de wevers ondervonden hoe hun arbeid degradeerde. Het weven – het vlechten van de draden, de inslag en de ketting – gebeurde nu machinaal, de wever hield alleen nog maar toezicht, zijn belangrijkste taken waren controle, correctie en onderhoud. De hele dag, twaalf tot veertien uur achtereen, was hij bezig met het knopen van gebroken draden, spoelen wisselen, poetsen en smeren en voerde hij kleine reparaties uit.

De automatisering in de katoenindustrie die in de jaren twintig inzette, betekende dat het werk van de wever nog verder werd uitgehold. De wever hoefde nu alleen nog maar de spoelen te wisselen en de kettingdraad te controleren op breuk. Maar er veranderde voor de wever en de andere arbeiders in de textielfabrieken nog meer. Arbeidsanalyse moest het werksysteem doelmatiger maken. De invoering van differentiële loontarieven maakte een verdergaande arbeidsdeling mogelijk. Het voordeel van deze rationalisatie voor de fabrikant was dat de wever meer getouwen kon bedienen en de productiekosten dus lager werden. Een arbeider zuchtte: ‘Wat is het werk zwaar geworden. Nu bedien ik tien getouwen, terwijl ik een maand geleden nog op maximaal zes machines weefde. Mijn knecht Henk ben ik kwijt en toch is mijn loon nog geen cent gestegen. Volgens de baronnen is de rationalisatie nodig om onze industrie uit het slop te trekken. Ik geloof er geen barst van. De fabrikanten leven in ongekende weelde en ik heb de grootste moeite om mijn vrouw en dochter te onderhouden. Ja, daar heb je helemaal gelijk in, zeggen de collega’s.’ Deze arbeider gaf een niet mis te verstaan signaal af. Automatisering en rationalisatie maakten het arbeidsklimaat voortdurend explosiever. Weer moesten de arbeiders buigen voor de fabrikanten die uit eigen belang de kosten wilden verlagen, waarbij de consequenties voor de arbeiders geen enkel beletsel vormden.

‘Een opzettelijke provocatie’
De bom barstte bij Gerh. Jannink & Zonen in Enschede, in het voorjaar van 1931.  Daar was het arbeidstempo drastisch opgevoerd en het tarief met twintig tot dertig procent verlaagd. De vakbonden protesteerden en eisten zelfs een verhoging van de lonen met vijf procent. Na een half jaar bekvechten tussen de bonden en de werknemers brak op 14 december 1931 een algemene staking uit in Twente en de Achterhoek. De Enschedese fabrikanten en hun collega’s in de rest van Twente en de Achterhoek sloten evenals in 1923-1924 de rijen, in de geest van het Twentse Stelsel, en gooiden de fabriekspoorten dicht. In totaal waren zestienduizend arbeiders bij het conflict betrokken, onder wie vele tientallen in Haaksbergen. Enkele kleinere bedrijven staakten niet, omdat ze er slecht voor stonden, stilleggen van de productie zou dodelijk kunnen zijn.

Bij Jordaan & Zonen en Ten Hoopen & Zoon wilden de leden van De Eendracht wél en de leden van de confessionele bonden niet staken. Toch werden ook bij deze twee bedrijven de machines stilgezet. Arnold Leppink schreef in zijn memoires dat hij het ‘een onverantwoorde handelwijze’ vond, omdat er bij Jordaan & Zonen voldoende werk voor de mensen was. ‘De directie meende, gelijk Pontius Pilatus, de handen in onschuld te kunnen wassen, doordat ze gebonden waren aan de verplichtingen jegens de Twents-Gelderse Fabrikantenvereeniging en had zich solidair verklaard met de Enschedesche Fabrikanten Vereeniging, die volkomen beheerst werd door de grootste bedrijven in Enschede.’

‘Geen greintje sociaal gevoel’
De Enschedese fabrikanten hadden goed praten, vond Arnold Leppink. De exportwevers hadden sinds tientallen jaren met hun op het Verre Oosten gerichte handel fortuinen verdiend. Ze hadden genoeg reserves om de staking te laten uitbreken, om hun strijd lang vol te houden. De gevolgen voor de kleinere bedrijven als Jordaan & Zonen en Ten Hoopen & Zoon waren veel ingrijpender. Als er sprake geweest was van een door de arbeiders aangespannen arbeidsconflict zou de houding van de grote wevers nog te begrijpen zijn geweest, maar dat was dus niet het geval. Leppink: ‘Bij de toen nog regerende generatie – het waren nagenoeg alle nog besloten familievennootschappen – mocht blijkbaar geen greintje sociaal gevoel verwacht worden.’

Eind 1931 lag het grootste deel van de textielindustrie in Twente en de Achterhoek stil. De confessionele bonden en De Eendracht, die aanvankelijk samen optrokken, vielen evenals in 1923-1924 uiteen. De confessionelen wilden wel verder praten, toen de fabrikanten met voor hun aanvaardbare voorstellen kwamen. Maar De Eendracht vond dat er betere voorwaarden moesten komen. Uiteindelijk verloren de bonden de strijd, ze konden het verzet niet langer uitzingen, de stakingskassen waren leeg. Op 5 april was de staking voorbij. De werkgevers hadden een duimbreed toegegeven. De algemene verlaging met vijf procent bleef uiteraard gehandhaafd, maar er werden uitzonderingen gemaakt voor de tweede ronde van vijf procent minder. Deze zou niet gelden voor kostwinners die op uurloon werkten en achttien gulden of minder in een week verdienden.

Dat in de regio en zeker in Enschede de kloof tussen werkgevers en arbeiders weer verder was verbreed, was een te verwachten gevolg van dit door de fabrikanten staalhard gespeelde arbeidsconflict. In linkse kringen overheerste het gevoel dat de staking ‘een opzettelijke provocatie’ was geweest, zodat de fabrikanten ‘hun achterlijke productie-apparaat’ konden rationaliseren.  Bovendien, zoals iemand zei, zaten de pakhuizen overvol ‘en het kwam de fabrikanten maar wat goed uit dat zij het volk de straat op konden sturen’.

Deze staking in de jaren van de economische crisis was de laatste mijlpaal in de sociale strijd in Twente. In die jaren dertig vlamden af en toe kleine vuren van onrust en ontevredenheid op, die binnenskamers werden geblust en nergens oversloegen naar belendende fabrieken. De tijd van de grote werkstakingen was voorbij. De economische strijd en daarna de Tweede Wereldoorlog brachten voor fabrikanten en arbeiders heel andere zorgen en problemen. De sociale strijd was gestreden. Na de oorlog begon het gevecht om het voortbestaan van de textielindustrie dat vrijwel alle bedrijven in Twente verloren. Ook in Haaksbergen want het grote Jordaan, waar ooit elfhonderd arbeiders het dagelijkse brood verdienden, moest sluiten. In 1974 werden de fabrieken, het Heerenkantoor van Jordaan & Zonen en de Villa Jordaan aan de Spoorstraat, waar jarenlang leden van de familie Jordaan hadden gewoond, verkocht. Arnold Leppink schreef in 1974 in zijn herinneringen dat het nog niet bekend was wat er met de fabrieksgebouwen en de villa zou gebeuren. Hij vreesde het ergste, want ‘wel staat vast, dat het als geheel zal moeten verdwijnen. In enkele zinnen nam hij afscheid van het huis en de fabriek: ‘De zaak Jordaan, die sinds het einde van de 18de eeuw zo’n belangrijke plaats heeft ingenomen in het economische leven van Haaksbergen en van zo’n grote betekenis is geweest voor de ontwikkeling van de gemeente, is daarmee in één klap van het toneel verdwenen.’ De fabrieken en het Heerenkantoor werden gesloopt.   De Villa Jordaan bleef staan en vormt een waardevolle plaats van herinnering aan de twee belangrijkste eeuwen van Haaksbergen, een uniek textieldorp in Twente.





deValkenberg.nl