De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

Alphons Ariëns en Herman Schaepman, leerling en leraar, vriend en tegenstander

In 1886, toen Ferdinand Domela Nieuwenhuis in Twente het socialisme had gepredikt en al veel aanhangers onder vooral de Enschedese textielarbeiders had verworven, kreeg hij te maken met een geduchte tegenstander, een katholiek, kapelaan Alphons Ariëns van de Sint Jacobusparochie in Enschede. Deze jonge midden-twintiger, in Rome gepromoveerd tot doctor in de godgeleerdheid, wilde zijn theoretische kennis niet op de preekstoel of in de collegezaal, maar op de pleinen van het sociale leven laten uitkristalliseren. Gewapend met een onderbouwde, stevige afkeer van het socialistische denken en handelen, streed hij manmoedig en onverstoorbaar voor zijn geloofsgenoten in de Twentse textielindustrie. Ariëns maakte Enschede tot de geboortestad van de katholieke vakbeweging in Nederland, eerst gesteund en later tegengewerkt door zijn leermeester Herman Schaepman, professor aan het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen. Maar nadat Ariëns in het voorjaar van 1898, wat ondoordacht, zich in nogal scherpe bewoordingen had uitgelaten over werkgevers en zich solidair had verklaard met de arbeiders, was het gedaan met de vriendschap. Drie jaar later, in 1901, werd de kapelaan weggepromoveerd naar het nietige dorp Steenderen. Hij wist niet eens waar het lag........ 

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw was één van de drie inwoners in Enschede rooms-katholiek. De protestanten vormden de grote meerderheid en bezetten de hoge posities in bedrijfsleven en openbaar bestuur. De grote politieke voorman van de katholieken in Nederland was Herman Schaepman (1844-1903), zoon van een burgemeester van Tubbergen, geboren op De Eeshof. Jarenlang vertegenwoordigde hij het kiesdistrict Almelo in de Tweede Kamer.  Als priester van het aartsbisdom Utrecht en professor aan het grootseminarie Rijsenburg vormde hij een generatie priesters, die aan het einde van de vorige eeuw de katholieken in beweging brachten, ook in Twente, waar de jonge Enschedese kapelaan Alphons Ariëns (1860-1928) uitgroeide tot de roomse tegenvoeter van Domela Nieuwenhuis.
    Alphons werd geboren in de Hamburgerstraat in Utrecht, dichtbij het Gerechtsgebouw. Hij was nummer vijf in het gezin van mr Adriaan Willem Karel Ariëns, advocaat & procureur in de bisschopsstad, en Lisette Christine Antonia Povel. Thuis leerde hij wat liefdadigheid was. Zijn vader en moeder hadden alles voor anderen over.  Tien jaar was Alphons toen hij in de herfst van 1870 naar Rolduc in Kerkrade verhuisde, om er zijn gymnasiumdiploma te halen. Een begrijpelijke keuze van zijn ouders. Vader Willem was een Limburger van geboorte – zijn wieg stond in Venlo – en oom Theodoor was elf jaar leraar op deze kostschool geweest. Bovendien was Rolduc een internaat met een internationale faam, waar zonen van gegoede burgers uit Nederland en de buurlanden Duitsland en België een ‘gedegen vorming van geest en gemoed’ ontvingen. 
    Over zijn toekomst dacht Alphons in het Zuid-Limburgse land vaak na. Zijn vader zag hem graag op zijn kantoor als advocaat. Moeder Lisette hoopte diep in haar hart dat Alphons priester zou worden. Zelf kon hij niet kiezen. Het priesterschap trok hem aan, maar hij zag er ook tegenop. Uiteindelijk besloot hij priester te worden. Na nog twee jaar filosofie in Rolduc te hebben gestudeerd, vertrok hij in het najaar van 1878 naar het grootseminarie Rijsenburg in Driebergen.  Eén van de hoogleraren daar was Herman Schaepman, die kerkgeschiedenis doceerde. Hij was een knappe theoloog, zoals al zijn collega’s, en blonk uit door zijn oratorisch talent en onconventionele manier van doceren. Zijn welsprekende betogen waren eerder redevoeringen dan colleges. Hoewel hij later menig meningsverschil zou krijgen met Schaepman, heeft Ariëns in hem altijd de wetenschapper, politicus, journalist, priester en dichter bewonderd. In het laatste jaar van zijn leven, in 1928, bracht Ariëns zijn genegenheid nog eens tot uiting:

Wat wij geweest zouden zijn zonder hem, is niet te zeggen, maar zeker niet wat wij geworden zijn. Daarvoor was al te fascinerend de invloed, die van hem uitging [...] niet alleen van zijn lessen, maar vooral van zijn machtige persoonlijkheid.

Schaepman werd in 1880, toen Alphons in het tweede jaar van zijn studie was, voor het kiesdistrict Breda gekozen tot lid van de Tweede Kamer. De professor-politicus had één doel voor ogen: hij wilde de katholieken tot een politieke macht maken in Nederland. Dat kon volgens hem, door de politieke oppermacht van de liberalen te breken en door herkerstening van de samenleving, als antwoord op de vraagstukken en gevaren – vooral het socialisme – van de moderne tijd. Geleidelijk kwam Schaepman óók tot het inzicht, dat sociale hervormingen onvermijdelijk en noodzakelijk waren, met het oog op de integratie van de (katholieke) arbeidersklasse. Maar zijn devies ‘Alles voor en door de werkman’ zou hem met veel katholieken in conflict brengen.  Volgens eigen zeggen was hij ‘een democraat in elken druppel van zijn bloed, in elken atoom van zijn beenderen’.  Het was dan ook geen toeval dat Alphons Ariëns één van zijn trouwste leerlingen werd, al zou hun relatie in de loop der jaren wel wat braampjes en krassen oplopen.

Katholieke arbeiders bundelen

Vanaf zijn komst in Enschede, waar hij in 1886 kapelaan was geworden van de Sint Jacobusparochie, trok hem vooral het sociale pastoraat. Tijdens de vele huisbezoeken ontdekte hij dat de arbeiders weinig in tel waren.
       
Het was opzitten, pootjes geven en doodliggen. Ze moesten blij zijn, dat men hen werken liet, en vooral nooit klagen of vragen om meer. Een loonactie gold als uiting van ontevredenheid; om een bijzaak, een ingeworpen ruit, werd de hoofdzaak voorbij gezien en het geheel veroordeeld als een anarchistisch avontuur. Zo oordeelden de meesten. Niet uit boosheid, maar uit blindheid. Men zag de sociale noden niet.

Twee jaar later, in 1888, werd hij geconfronteerd met zijn eerste staking, in Almelo, waar de arbeiders van de firma Gebr. Scholten & Co. en de firma H.& B. Scholten – 642 in totaal, 360 mannen, 147 vrouwen, 70 jongens en 65 meisjes – het werk hadden neergelegd, omdat de lonen met ongeveer tien procent waren verlaagd. Ruim drie maanden duurde de strijd tussen de arbeiders en de Heeren Scholten.  Dat in Almelo arbeiders in verzet waren gekomen, was niet alleen te wijten aan de loonsverlaging, zeker niet, meende Ariëns, want .....

...... hier zien wij een massa arbeiders die werkelijk meenden dat hun onrecht geschied was – niet voor een ogenblik, maar aanhoudend – en die niet dorsten, of beter gezegd, niet bij machte waren hun recht te onderzoeken. Wat eisch van recht en billijkheid is, was hun ontzegd.

De eerste les die Ariëns leerde uit de werkstaking in Almelo, was dat het noodzakelijk was de katholieke arbeiders te bundelen in eigen zelfstandige – bestuurlijke – verbanden. De emancipatie van de arbeidende stand was vooral een zaak van de arbeiders zelf, een product van hun eigen creativiteit, onafhankelijk van klerikale of patronale instanties. Het ‘kerkvolk’ moest zijn eigen weg kiezen en binnen een bepaald economisch en maatschappelijk bestel zijn eigen lot in handen nemen.  Geleidelijk kreeg het plan van Ariëns katholieke arbeiders te organiseren, om met kracht en succes in de sociale strijd tussen arbeid en kapitaal te kunnen meevechten, meer vorm. Zijn idee was een katholieke arbeidersvereniging te stichten, die vanuit de katholieke beginselen voor de rechten van de arbeiders moest opkomen, vooral ook om de opkomst van het socialisme te bestrijden. Niet door klassenstrijd maar door liefde en rechtvaardigheid moest het sociale vraagstuk worden opgelost. Het diende een organisatie te zijn om de vierde stand niet alleen op godsdienstig-zedelijk, maar ook op een stoffelijk en materieel hoger plan te brengen. Het ging dus niet uitsluitend om een vereniging die zich beperkt tot de geestelijke vorming van de leden.
    Kort na de staking in Almelo, in de zomer van 1888, toen hij met een groep parochianen uit Enschede op bedevaart was in Rome, vroeg Ariëns paus Leo XIII om zijn zegen voor zo’n organisatie ‘en de Heilige Vader gaf mij die graag’.  ‘Toen ben ik begonnen’, aldus Ariëns.  Omdat hij wist dat Herman Schaepman een uitgesproken visie had over organisaties van katholieke arbeiders, bezocht hij hem op het grootseminarie. Schaepman had, nadat hij in 1880 was gekozen tot lid van de Tweede Kamer, als vertegenwoordiger van het district Almelo, een vooraanstaande plaats verworven in het katholieke Nederland. De professor kon zich vinden in het plan van zijn vroegere student, maar waarschuwde hem, dat het vooral een organisatie moest zijn die uitsluitend bestond uit werklieden. Als verkeerd voorbeeld noemde hij de Volksbond, die kort geleden, in 1888,was opgericht, maar geen arbeidersorganisatie was, omdat ook kleine middenstanders en ondernemers van diverse pluimage lid konden worden.  Ariëns was overtuigd. Nu Schaepman instemde, waren zijn aarzelingen voorbij.  Op 24 november 1889 richtte hij de R.K. Arbeidersvereeniging Sint Joseph op.  Sint Joseph was geen strijdbare vakbond, maar een standsorganisatie met een ethisch-religieuze functie: de zedelijke en geestelijke verheffing van de arbeider, door middel van gezellig samenzijn, stichtende voordrachten en culturele avonden.  Het Leitmotiv, verwoord door Ariëns, was: ‘De vereeniging wil eerst den mensch en door den mensch de toestand hervormen.’ 

‘Alles in gloria’
Ariëns vergaderde met zijn katholieke bondgenoten in het katholieke jongensschooltje van meester Piet Schilling aan de Markt in Enschede. Maar dat was snel te klein, door de toeloop van leden. Ze moesten een nieuw thuis zoeken. Ariëns zag maar één oplossing: een eigen onderkomen, een eigen huis. Hij werd gesterkt door de woorden van bisschop Wilhelm Emmanuel von Ketteler, de bisschop van Mainz, die bondsgebouwen belangrijker achtte dan kerken.  Van Adolph Kolping in Duitsland en van Don Bosco in Turijn had Ariëns geleerd, dat een verenigingshuis heel belangrijk was. Waar thuis geen gemeenschapsleven kon ontstaan door de cirkel van werk, drank, honger en ziekte, gaf een verenigingshuis andere mogelijkheden. Je kon er warm worden, kletsen, koffie drinken, samen eten, leren lezen en schrijven, samen praten. Ariëns wilde ook cultuur, muziek en ontspanning bevorderen. Hij wist dat daardoor ook geloofsvorming en gemeenschappelijk kerkelijk leven mogelijk worden. 
    In augustus 1890 kocht de kapelaan een stuk grond aan de Oldenzaalsestraat, waar niet lang geleden – vermoedelijk omstreeks 1885 – boerderij De Stalboer was afgebroken.  Het geld sprokkelde Ariëns snel bij elkaar. Nu kon hij een architect vragen een ontwerp te maken. Het werd Jos Cuypers, zoon van de befaamde bouwer van neoclassicistische katholieke kerken, Pierre Cuypers. Jos – een aangetrouwde neef van Alphons, via de familie van zijn moeder – kende hij ook nog van Rolduc. Samen hadden Alphons en Jos met de schilder Jan Dunselman een reis door Italië gemaakt, waarbij ze onder meer het oude stadje Tivoli hadden bezocht, zo’n dertig kilometer van Rome. 
    Maar de keuze voor Cuypers was niet naar de zin van Herman Schaepman, die in een brief aan Ariëns zijn afkeuring uitte. Hij vond dat Alphons een domme zet had gedaan, want Cuypers was veel te duur. ‘Van eenvoudig bouwen heeft hij geen begrip’, meende Schaepman, die als aanhanger van het Utrechtse Sint Bernulphusgilde liever zag dat de Enschedese kapelaan, immers behorend tot het bisdom Utrecht, voor een Utrechtse bouwmeester zou kiezen.  ‘Ge zult je spullen peperduur moeten kopen in Roermond’, waarschuwde Schaepman. Of dit de ware reden van Schaepmans tegenstand was, valt te betwijfelen. Het lijkt er eerder op dat Schaepman vertoornd was, omdat Alphons zijn oude leermeester niet om raad had gevraagd. De vriendschappelijke samenwerking tussen de professor en zijn leerling liep een eerste, nog onbetekenend krasje op.
    Ariëns trok zich van Schaepmans wens niets aan en zette zijn plan door. In juni 1891 werd de eerste steen voor het nieuwe verenigingshuis gelegd. Pastoor G. Smithuis, die de overleden deken en pastoor mgr S.A.H. Meurskens was opgevolgd, maakte er een parochiefeestje van, om te tonen dat hij achter de plannen van zijn kapelaan stond. Het eerste arbeiderstehuis van katholieke werklieden in Nederland kwam er, het Sint-Jozefhuis, dat in Enschede al snel Tivoli werd gedoopt, een verwijzing naar het Italiaanse dorp dat bouwheer en architect ooit samen hadden bezocht. De opening moest een groots feest worden, vond Ariëns. Wie kon dat beter doen dan Herman Schaepman, die niet alleen een uitmuntend redenaar, maar vooral ook een beschermer van zijn werkliedenvereniging was.  Schaepman had als lid van de Tweede Kamer drukke weken achter zich. Het eerste coalitiekabinet van katholieke en antirevolutionaire ministers, onder leiding van Aeneas Mackay, was na twee jaar op 21 augustus 1891 gevallen. Desondanks wilde Schaepman graag naar Enschede komen. Alle narigheid over de keuze van de architect was vergeten en vergeven. Al in oktober zegde Schaepman toe. Hij wilde een speech houden van een uur, misschien vijf kwartier. ‘Het gaat over Uw Huis. Als gij dat zo kunt regelen, alles in gloria.’
    Op 22 november 1891 ging Tivoli open, in aanwezigheid van elfhonderd mensen, onder wie B&W van Enschede, leden van de Eerste en Tweede Kamer en van de Overijsselse Staten, en bestuurders van de Fabrikanten Vereeniging Enschede. Ariëns had in zijn eerste Enschedese jaren een goede relatie opgebouwd met enige Enschedese fabrikanten, onder meer met leden van de belangrijkste textielfamilie in de stad, de Van Heeks. Schaepman hield ‘als kind van Twente’ een redevoering, die vooral een lofzang was op wat de katholieken in Enschede hadden gepresteerd. Dit huis was volgens hem geen tent en geen hut. Een tent was voor een zwerver, een hut voor de arme, maar een huis was volgens hem ‘een beeld van eigendom en recht’.  Ariëns riep zijn leermeester Schaepman uit tot erelid van de vereniging.
    Schaepman zou toch gelijk krijgen, want nog vóór de opening van Tivoli had Ariëns ontdekt, dat hij een verkeerde keus had gemaakt. Jos Cuypers had zeker geen meesterwerk gebouwd. Op 1o november 1891 biechtte de kapelaan een gewaardeerde geloofsgenoot eerlijk op dat dit huis ‘mijn kruis’ was, het grootste dat hij ooit in zijn leven had getorst. ‘Cuypers is me bitter slecht bevallen: kostbaar en onpraktisch in de hoogste mate.’  Maar gedane zaken nemen geen keer. Tivoli was in elk geval een gezellig honk voor katholieke arbeiders, die hier op zondagavonden kwamen kaarten, dammen, schaken, kegelen, biljarten, zingen, toneelspelen en nog veel meer. ‘We moeten zoveel mogelijk zonnestralen werpen op de levensbaan van de arbeider’, vond de immer enthousiaste kapelaan. Hij richtte zelfs een muziekkorps op, in 1893, dat hij naar paus Leo XIII de Leo Harmonie noemde. De geestelijkheid uit de omgeving had het geld voor de Beierse instrumenten bijeengebracht, vermoedelijk ook voor de zouavenpetten voor de twintig muzikanten, soldatenpetten van het pauselijke vrijwilligersleger uit de jaren 1806-1871.  Ariëns was trots op zijn harmonie.
   
Het kost razend veel geld, maar de jongens spelen alleraardigst. De muziek houdt ze van vroegtijdige verkeering af en voor het geanimeerde volksleven is zoo’n club onmisbaar.

In het eigen gebouw begon Ariëns ook met vormingswerk, vooral omdat er in het begin geen goede geest heerste onder de leden. Hij richtte in 1892 De Kern op, een groep arbeiders uit de RKAV Sint Joseph, die zich tot doel stelde op vaste tijden te vergaderen om maatschappelijke vraagstukken te bestuderen en te bespreken. Onderwerpen die aan bod kwamen waren de werking van de ziekenfondsen, de zondagsrust, de leerplicht en de problematiek van de coöperatieve winkelverenigingen. Zo maakte de kapelaan arbeiders warm voor bepaalde ideeën, maar houdt ze aan de andere kant van ondoordachte activiteiten af.

Eerste katholieke vakbond
Allerlei ontwikkelingen noopten Ariëns na te denken over een vakorganisatie.  Op 14 januari 1891 – Tivoli stond nog in de steigers – hield Ariëns in het café van Jochem Hemken aan de Noorderhagen – het domicilie van Sint Joseph nadat Hemken had beloofd geen sterke drank aan de leden te zullen schenken – een toespraak voor ongeveer driehonderd arbeiders uit Enschede en Lonneker. Ariëns pleitte met het vuur en enthousiasme hem eigen voor het oprichten van de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond.
   
Deze bond beoogt [...] U tot goede strijders te maken, strijders voor waarheid, vrijheid en recht. Ieder Uwer op zichzelf kan niet veel: maar allen tezamen zijt gij een groote macht, mits gij U maar organiseert, mits gij slechts één weg uitgaat, een weg aangewezen door beproefde leiders, die gij zelf daartoe uit Uw midden kiest. [...] Drie belangen zijn er, die door dezen Bond zeker gehandhaafd en bevorderd zullen worden: 1o Uwe godsdienstige belangen, waarmede die der zedelijke gelijke tred houden; 20 Uwe stoffelijke belangen; 30 Uwe rechtsbelangen.

Hoewel de nieuwe bond van Ariëns een strijdende vakorganisatie wilde zijn, zag zij een werkstaking niet als het eerste instrument om fabrikanten tot andere gedachten te brengen, want eerst moest het minnelijke overleg worden beproefd. Ariëns zette zich in zijn toespraak af tegen de socialisten: ‘Wij zijn veel begeeriger dan de socialisten. Zij willen een Paradijs op de aarde, wij willen ook een Paradijs in de Hemel.’ Zo formuleerde de kapelaan het doel van de nieuwe bond, die in Twente al snel kortweg De Bond werd genoemd: het bevorderen van godsdienstige, zedelijke, maatschappelijke belangen van de katholieke arbeiders, met inzet van alle middelen die niet tegen de katholieke godsdienst indruisten en door het bestuur waren goedgekeurd.
    De slotzinnen moesten kennelijk de katholieken over de streep trekken. Ariëns zette zich in niet mis te verstane bewoordingen af tegen het socialisme. Als het socialisme, de tweede maatschappelijke stroming in Europa, het katholicisme overwint, stelde hij, dan was het gedaan met godsdienst, zedelijkheid en vrijheid. Wat er honderd jaar geleden was gebeurd tijdens de Franse revolutie, mocht zich niet herhalen. De enige die ‘met Gods genade’ kon zeggen: ‘Dat zal niet gebeuren!’, was volgens Ariëns ‘de aaneengesloten katholieke arbeidersstand’.  De kapelaan bereikte zijn doel, want die avond werd de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond opgericht. Het was een historische dag in de geschiedenis van sociale strijd in Nederland. Hier werd het fundament voor de katholieke vakbeweging in Nederland verstevigd. De Twentse bond was de eerste katholieke vakbond in Nederland, niet te verwarren met de standsorganisatie R.K. Arbeidersvereeniging Sint Joseph. 

Controle van de clerus
Ariëns had het in de eerste helft van de jaren negentig niet gemakkelijk. Hij wilde de arbeidersbeweging in Twente uitbreiden en versterken. Daarbij liep hij tegen een onverwacht probleem aan, dat van ingrijpende invloed zou zijn op de toekomst van de katholieke arbeidersbeweging in Nederland: de verhouding tussen vak- en standsorganisaties. De vakbonden, die materiële belangenbehartiging als hun voornaamste doelstelling beschouwden en eerlijke strijd niet schuwden, groeiden sterker dan de standsorganisaties, die het accent legden op geestelijke en culturele doelstellingen. De arbeiders hadden meer belang bij harde dubbeltjes in de portemonnee dan bij stichtelijke avondjes in een plaatselijk café of verenigingshuis. De vakbonden hadden geen geestelijk adviseur. Een eigen gebouw hadden ze eigenlijk niet nodig. Zo konden ze hun ‘pastorale neutraliteit’ bewaren en stonden ze dus los van de clerus.
    Daaraan kwam een einde toen vooral op initiatief van de Twentse standsorganisaties op 10 oktober 1893 de Diocesane Bond van R.K. Werkliedenvereenigingen in het aartsbisdom Utrecht werd opgericht. Herman Schaepman had de statuten ontworpen, die ondertekend waren door onder anderen de presidenten van de katholieke arbeidersverenigingen van Enschede, Hengelo, Almelo, Borne en Oldenzaal. Zonder veel omhaal van woorden stond daarin beschreven hoe katholieken met het arbeidersvraagstuk moesten omgaan:

Het eigenlijke punt is niet minder arbeid, hoger loon, zondagsrust, verzekering tegen ongevallen en voor hoge leeftijd, bescherming van vrouwen en kinderen. Het is dit alles en nog iets meer. Op dat iets meer komt het aan: dat is het scheppen van een nieuwen, liever nog het herstellen van een ouden, rechtstoestand.

Met het herstel van de oude rechtstoestand werd het herstel van de zelfstandigheid van de arbeider bedoeld. Maar die zelfstandigheid was schone schijn, want de beslissingen nam de clerus in Utrecht.
    Schaepman, die zichzelf had opgeworpen als geestelijk adviseur van de diocesane bond, verzette zich direct tegen de R.K. Twentsche Arbeidersbond die Ariëns had opgericht, vooral omdat hij bang was en bleef voor machtsvorming die buiten zijn bereik viel: ‘Ik ben en blijf gekant tegen de algemene bonden en dergelijke machines.’ Zijn weerzin vertaalde hij in een nieuw gebod. Vanaf augustus 1893 moesten alle leden van de Bond ook lid zijn van de vereniging, bepaalde Schaepman. De vakbeweging werd dus in de standsorganisatie opgenomen en stond vanaf die dag ook onder controle van de clerus in Utrecht, dus ook en vooral van Schaepman.
    Ariëns, oprichter van de standsorganisatie en de vakbond in Enschede, was het vanzelfsprekend volledig oneens met Schaepman. Deze maatregel leidde volgens hem eerder tot een kunstmatige tegenstelling tussen vereniging en bond, die elkaar juist konden aanvullen, maar dan wel op vrijwillige basis en niet onder dwang. De verenigingen stonden inhoudelijk en organisatorisch dichter bij de kerk dan de bonden, zodat de arbeiders die lid waren van de vakorganisatie terecht moesten vrezen, dat hun sociaal-maatschappelijke belangen ondergeschikt werden gemaakt aan de kerkelijke.  De arbeidersbonden mochten niet gezien worden als kerkelijke mantelorganisaties, vond Ariëns. De arbeidersverenigingen waren voor ‘eerste-klas-katholieken’, in de vakbonden was ook plaats voor ‘halve roomschen’.
    Deze opvattingen droeg Ariëns uit in De Katholieke Werkman, dat vanaf 19 januari 1894 het weekblad van de Diocesane Bond was. Het eerste nummer van dit periodiek was een jaar eerder verschenen. Velen vonden dat de katholieke arbeiders in Twente een eigen blad moesten hebben, een effectief bindmiddel, een tegenhanger ook van Recht voor Allen, het blad van de socialisten van Domela Nieuwenhuis, dat regelmatig de vloer aanveegde met de katholieke arbeiders en hun beweging. In dat blad stonden pittige verhalen over het verbond tussen wijwaterkwast en brandkast en over pastoors die tot de fabrikanten zeiden: ‘Houd jij ze maar arm, wij zullen ze wel dom houden.  Dat De Katholieke Werkman een antisocialistische toon aansloeg, werd snel duidelijk. In de eerste nummers had Ariëns al unverfroren geschreven over leiders ‘die over de ruggen van arbeiders naar boven kruipen’, over ‘volksverleiders en volksmisleiders, die onder schoonklinkende leuzen de mensen vergif in de oren druppen’, over ‘de vieze manier waarop de arbeider naar de verdoemenis wordt geholpen’ en over ‘Amsterdamse rioollucht, die de Twentse atmosfeer komt verpesten’. Het was de taal die de arbeiders verstonden en begrepen, en dat was de bedoeling van Ariëns: in niet mis te verstane bewoordingen tegengas geven aan de socialistische propagandamachine. Toen De Katholieke Werkman het bondsorgaan werd voor de Utrechtse Diocesane Bond, verscheen het voortaan wekelijks, op vrijdag.  In de komende jaren was er een duidelijke accentverschuiving in de inhoud van het blad merkbaar. Er was minder aandacht voor het bestrijden van het rode gevaar, want voorlichting en ontwikkelingen kregen steeds meer ruimte. Ariëns droeg zijn ideeën niet alleen in het weekblad uit, ook in toespraken door het hele land. Dat hij kritisch werd gevolgd door Schaepman, met wie hij, dunkte hem, ‘op betere voet’ stond dan ooit, leek hem niet te deren, al realiseerde hij zich dat hun relatie in de voorbije jaren wel al wat krassen had opgelopen. 

Unitas
In Enschede was in die tijd, waarin het socialisme bloeide en groeide, slechts een enkele katholiek socialist geworden. Ariëns had zijn doel bereikt, want in zijn vakorganisatie ving hij duizenden op die anders naar Vooruit zouden zijn gegaan. Vooruit was in 1888 ontstaan, als een neutrale spinners- en weversbond. Die onafhankelijkheid was overigens schijn want Domela Nieuwenhuis en de SDB-propagandist Willem Vliegen bezochten vergaderingen van de neutrale bond en hielden toespraken om leden te werven. Ariëns had de katholieken gewaarschuwd geen lid te worden van  het in zijn ogen socialistische Vooruit, want: ‘Als je gaat zitten in een schuitje met een neutrale vlag, dan kom je in de Rode Zee terecht.’
    Ariëns zag wel in dat de katholieken alléén te zwak stonden.  Hij begon na te denken over interconfessionele samenwerking. De katholieken zouden het in de sociale strijd alleen niet redden, dat realiseerde hij zich terdege en steeds meer. Samenwerking met de protestants-christelijke organisaties was noodzakelijk om een stevige vuist te kunnen maken tegen het socialistische gevaar. Op initiatief van Ariëns kwamen gesprekken op gang tussen Patrimonium, de Verzoeningsbond, Steunt Elkander en de R.K. Twentsche Katoenarbeidersbond. Het resultaat was dat op 4 april 1896 in Hengelo een federatief samenwerkingsverband werd opgericht, onder de naam Twentsch Christelijke Textielarbeidersbond Unitas. 
    De katholieke geestelijkheid in Utrecht had geen bezwaar tegen deze federatieve vorm van samenwerking, als de plaatselijke bonden maar bleven bestaan, protestanten en katholieken afzonderlijk vergaderden en de kassen gescheiden bleven. Schaepman liet Ariëns weten dat de vakverenigingen gerust de federatieve verbinding konden aangaan, ‘als ze maar goed katholiek blijven in hun beginselen’.  Zo ontstond Unitas waarin voortaan samenwerkten: de katholieke vakgilden in Enschede, Oldenzaal, Almelo, Hengelo, Borne en Haaksbergen, de afdelingen van Patrimonium in Enschede, Hengelo en Almelo, de protestantse Verzoeningsbond in Enschede en Steunt Elkander in Almelo.
    Ariëns ontwierp zelf de statuten van Unitas. De nieuwe textielarbeidersbond aanvaardde het algemeen christelijk beginsel, het belijden van de godsdienst, de erkenning van het gezin en het privaatbezit als grondslag, die de basis was voor een gezonde samenleving. Door de expliciete toevoeging dat het privaateigendom werd erkend, stelde Unitas zich teweer tegen de socialisten die immers elke vorm van privaatbezit afwezen. Het was opmerkelijk dat Unitas zo sterk de stoffelijke belangen van de textielarbeider wilde behartigen, zonder overigens de ethisch-religieuze kant van de arbeidersbelangen te miskennen. Unitas streefde bijvoorbeeld naar een gelijk standaardloon, maar wees stakingen af. 
    Hendrik Engels (1869-1940), gedreven volgeling van de Enschedese kapelaan, was enthousiast over de samenwerking in Unitas:

Ariëns bracht de arbeidsvrede, vooral door middel van Unitas. De rode vloed in Enschede ebde weg, deze fabrieksstreek vormde het bewijs dat industrialisatie niet tot vervreemding en afval van de Kerk hoeft te leiden.

In 1900 werd Mans Verveld (1860-1945) aangesteld als bezoldigd bestuurder van Unitas. Sinds 1891 was hij voorzitter van de Verzoeningsbond.  Hendrik Engels, secretaris van de katholieke bond in Enschede, kreeg het secretariaat.  Later zou hij lid worden van de Eerste Kamer. De andere bestuursleden kwamen uit Almelo, Hengelo en Oldenzaal. In dat jaar veranderde ook de naam van Unitas. Het was niet langer een regionale, maar een landelijke organisatie, de Nederlandsche Christelijke Textielarbeidersbond Unitas, sinds 3 november 1900. Unitas verbreedde haar werkterrein naar Noord-Brabant, waar vooral het gebied rondom het wolcentrum Tilburg vele kansen bood.

Onrust bij katholieken
Bij de katholieken in Enschede was het rond het midden van de jaren negentig onrustig. Het was vooral Jan Brinkhuis (1860-1938), die in die jaren de toon zette en zich behalve als bondgenoot ook als tegenspeler opstelde.  Het was in 1893 begonnen. Twee jaar eerder had Schaepman, voorstander van katholieke arbeidersverenigingen in de vorm van door de geestelijkheid aangestuurde standsorganisaties, bij de oprichting van de RK Twentsche Fabrieksarbeidersbond, profetisch aangekondigd, dat er nog wel correcties zouden komen.  Duidelijk was toen al dat leermeester Herman Schaepman en leerling Alphons Ariëns niet van mening verschilden over de doelstellingen van de arbeidersbeweging, maar wel tegengestelde ideeën koesterden over de organisatie en werkwijze van katholieke arbeiders in de sociale strijd. 
    In hetzelfde jaar, in augustus 1893, kondigde Schaepman een besluit af, dat volgens sommigen één van de meest belangwekkende uit de geschiedenis van de katholieke arbeidersbeweging was. Schaepman bepaalde: ‘Wie lid wil worden van de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond, moet ook lid worden van de R.K. Werkliedenvereening’, de standsorganisatie dus. Katholieke arbeiders moesten dus voortaan lid zijn van zowel de vakorganisatie als de standsorganisatie.  De materiële doelstellingen van de vakgilden waren ondergeschikt aan de religieus-ethische doelstellingen van de standsorganisatie. De standsorganisatie controleerde alles. Plaatselijke vakgilden, zoals in Enschede het textielarbeidersgilde Sint Severus, mochten geen brief versturen zonder een akkoord van RKAV Sint Joseph, die ook plannen voor een staking moest goedkeuren. De macht lag dus niet meer bij de plaatselijke afdelingsbestuurders, maar bij de geestelijkheid, bij de geestelijke adviseurs en het aartsbisdom, die alle uiteindelijke beslissingen namen.  Deze onderschikking veranderde het aangezicht van de katholieke vakbeweging fundamenteel. De RKAV Sint Joseph plukte in Enschede de vruchten van Schaepmans bevel. Het ledental steeg in korte tijd van honderd naar vierhonderd. 
    Schaepman was nog mild geweest. Zijn maatregel van de onderschikking was minder vérgaand dan zijn oorspronkelijke plan om de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond – de eerste vakbond in Nederland, dus een rolmodel voor vele anderen – op te heffen. Ariëns schreef op 26 juni 1893 aan zijn vriend Martinus Johannes Schräder, kapelaan in Utrecht en adviseur van de plaatselijke afdeling van de R.K. Werkliedenvereeniging, dat hij vond dat ‘het ontbreken van den kerkelijken band eene fout’ was, dat de huidige vorm voorbijgaand zou zijn en dat de bond een afdeling moest worden van de vereniging. Schaepman en ook aartsbisschop Snickers wilden het liefst dat de vakorganisatie werd opgeheven, ‘maar ik vrees’, aldus Ariëns, ‘dat dat niet gaan zou zonder groote zedelijke verliezen’.

De Bond telt een massa halve Roomschen, die volgens de statuten in de Vereniging niet binnen kunnen. Tot wie zullen zij zich wenden, als wij hen terugstooten?’

Ariëns en Schaepman werden het niet eens. De onderschikking wilde de kapelaan stap voor stap doorvoeren, om de ‘groote zedelijke verliezen’ te voorkómen, maar daar had Schaepman geen oren naar. De al enigszins gebutste relatie tussen de leermeester en de leerling liep nu stevige schrammen op.
    De maatregel van Schaepman was voor de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond moeilijk te verteren. Naar wie moest de lokale afdeling, in Enschede, het textielgilde Sint Severus, voortaan luisteren, naar de standsorganisatie RKAV Sint Joseph, of het hoofdbestuur van De Bond? Vooral speelde die vraag wanneer conflicten om een oplossing vroegen. De volgende jaren liep de invloed van De Bond steeds meer terug, vooral omdat op de bondsvergaderingen steeds meer geestelijke adviseurs van de standsorganisaties wilden meepraten.  Elke poging om De Bond tot een krachtige organisatie te maken, mislukte. In 1896 deed het hoofdbestuur het voorstel De Bond vetorecht toe te kennen ten aanzien van werkzaamheden van de aangesloten vakgilden, die hiermee volledig instemden. Het idee werd echter na tussenkomst van de geestelijkheid resoluut verworpen.  Duidelijk was nu dat de vakorganisatie voortaan geen wezenlijke besluiten meer mocht nemen zonder goedkeuring van de door de geestelijkheid beheerste lokale standsorganisatie en was De Bond opgenomen in de door Schaepman voorgeschreven organisatiestructuur.

‘Rooie’ Brinkhuis
Jan Brinkhuis kon deze onderschikking moeilijk accepteren, maar zijn trouw aan Ariëns was groter dan zijn ongenoegen. Het dilemma bleef echter. Als bestuurder van Sint Severus, het Enschedese textielvakgilde van de RKAV, zat Brinkhuis in een dubbelpositie. Niet alleen was hij actief in de standsorganisatie, maar ook in de R.K. Twentsche Fabrieksarbeidersbond, de vakorganisatie dus. Brinkhuis en een groepje aanhangers behoorden vanaf 1893 tot de linkse lieden die steeds meer de kerkelijke overheersing in de vakactie afkeurden.
    Alphons Ariëns en de ‘rooie’ Jan Brinkhuis kregen over dit onderwerp steeds vaker meer of minder ernstige aanvaringen.  Ook verschilden ze over de doelen die ze zich wilden stellen. Brinkhuis vond dat de arbeidersbeweging tot doel had de arbeiders als klasse een betere positie te verschaffen en niet slechts te dienen. Ariëns daarentegen stelde het belang van het individu op de voorgrond: een arbeider moest als individu een of meer treden hoger op de maatschappelijke ladder kunnen klimmen.
    In 1896 botsten Brinkhuis en zijn aanhangers zo heftig met volgelingen van Ariëns, dat een aantal leden van de Brinkhuisgroep het lidmaatschap van zowel de vakbond als de standsorganisatie opzegde. Voor Brinkhuis was dit een stap te ver. Hij was verbolgen over het optreden van de kapelaan, maar bleef lid van zowel het vakgilde Sint Severus als de standsorganisatie RKAV Sint Joseph, al vervreemdde hij wel steeds sterker van de organisaties die hij samen met Ariëns had helpen opbouwen. 
    In hetzelfde jaar groeide er een conflict rondom de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1897. Jan Brinkhuis pleitte op 23 juli 1896 in De Kern voor de oprichting van een arbeiders-kiesvereniging. Bernard Geerdinck, die tot de oprichters van de RKAV St. Joseph behoorde, en Hendrik Engels vonden echter, dat de klassen moesten samenwerken, al vond Engels wel dat de belangen van de arbeider en de burger niet hetzelfde waren. Ariëns verdedigde met vuur zijn idee dat – nu de kieswet-Van Houten op 19 juni 1896 was aangenomen – er arbeiders moesten worden opgenomen in de bestaande rooms-katholieke kiesverenigingen, want dan bleef de eenheid onder de katholieke kiezers bewaard. Kiezers, zowel burgers als arbeiders, dienden zich ‘als één man rondom één vaandel‘ te scharen, vond hij. Er was dus volgens Ariëns geen enkele reden te bedenken om afzonderlijke kiesverenigingen voor arbeiders op te richten, zoals Brinkhuis wilde. Trouwens, de geestelijke adviseur in Utrecht, Herman Schaepman, was ook die mening toegedaan.  Ariëns kon met moeite een scheiding voorkomen.
    De grote vraag was nu wie voor het kiesdistrict Enschede kandidaat moest zijn voor de Rooms-Katholieke Bond van Kiesverenigingen? Werd het mr. A.F. Vos de Wael, een conservatieve politicus uit een katholieke Zwolse familie van notabelen, die politieke ervaring had opgedaan als lid van de gemeenteraad in Deventer en in 1894 was gekozen tot lid van de Tweede Kamer?  Of de man die de voorkeur had van de arbeiders, J.H. ter Veer, een strijdbare onderwijzer aan een openbare school in Groningen?
    Een grote groep arbeiders in Enschede wilde Ter Veer. Maar Schaepman koos Vos de Wael, want Ter Veer werkte in het openbaar onderwijs en dat was voor Schaepman onverteerbaar. De geestelijke adviseur van de diocesane bond had eerder al eens geschreven hoezeer hij Ter Veer verachtte, in een brief aan Gisbert Brom, vriend van Ariëns: ‘Weet gij wel, dat in zulke personen als Ter Veer de gevaarlijkste socialisten steken?’ Schaepman was furieus toen hij hoorde dat de arbeiders in Enschede op Ter Veer wilden stemmen. Op 8 juni 1897 raadde hij in een brief Ariëns aan er bij Ter Veer op aan te dringen, dat hij zich zou terugtrekken. Op 27 juli vermaande Schaepman de kapelaan nog eens:

En ik dring er hard op aan, dat er geen sprake meer zij van Ter Veer. Deze is onmogelijk. Zwetsers kunnen wij in deze hachelijke dagen niet gebruiken. De werklieden hebben zeer hard een flinke Missie nodig. Zij zijn onmatig IJDEL.

Ariëns volgde het bevel van zijn leermeester op en adviseerde de katholieke arbeiders op Vos de Wael te stemmen, ook al realiseerde de kapelaan zich dat hij daarmee veel van zijn volgelingen tegen de schenen schopte. Veel katholieke arbeiders in Enschede en vooral Brinkhuis en zijn aanhangers verzetten zich dan ook. Ze waren geschokt door het optreden van de kapelaan, ze zagen hem als een ‘vriend der kapitalisten’. Vos de Wael moest het echter in de verkiezingen afleggen tegen de oerconservatieve liberaal N.G. Pierson, die ooit had gezegd dat alle pogingen om de sociale kwestie op te lossen, kwakzalverij waren. Vooral de socialistische arbeiders hadden op Pierson gestemd, met het oogmerk de katholiek uit de Tweede Kamer te houden.  
    Toen Pierson minister werd in het nieuwe kabinet, bedankte hij als afgevaardigde van Enschede en waren nieuwe verkiezingen nodig. De kandidaten waren nu de socialist H.H. (Henri) van Kol en de katholieke Ter Veer.  In de eerste stemming, op 17 augustus 1897, kreeg de socialist 649 stemmen minder dan zijn tegenstander; de katholiek stond dus nog op de eerste plaats. Als Van Kol wilde winnen, zou hij de steun nodig hebben van de liberale kiezers. Volgens De Sociaaldemokraat, het blad van de SDAP, zouden de liberalen zich blameren als ze nu een katholiek kozen.  Met lede ogen zag Ariëns dat de liberalen, even antikatholiek als de socialisten, ‘met vliegende vendels’, zoals Ariëns schreef in Het Centrum, overliepen naar de sociaaldemocraten. Hij dichtte terecht de hoofdrol toe aan Pieter Jelles Troelstra, de leider van de SDAP, die ‘als een goede advocaat de goede eigenschappen van zijn cliënt en de zwakke zijden van den tegenstander heel behendig wist te doen uitkomen’. Overal, in steden, dorpen en gehuchten, hadden Troelstra, Van Kol en ook de SDAP-propagandist en één van de twaalf oprichters van de partij Jan Schaper, de kandidatuur van Van Kol verdedigd, ondersteund door strooibiljetten en verkiezingsblaadjes, aldus Ariëns. Van Kol won in de tweede stemming.
    Van Kol gaf op vrijdag 20 augustus 1897 in een toespraak stevig af op de katholieken. Wellicht had hij gedacht, volgens Ariëns, dat er onder zijn gehoor geen enkele katholiek was. In elk geval had Ariëns de krachtige bewoordingen van Van Kol als ‘uiterst krenkend en beledigend’ ervaren. Hij schreef daarover tien dagen later, kort na de tweede stemming, in Het Centrum:

 Als een loopend vuurtje is het gerucht door de gansche buurt heengegaan en in de eenige omliggende plaatsen heeft men zich niet ontzien, om tot persoonlijke beledigingen, tot steenen zelfs zijn toevlucht te nemen. [...] Een nederlaag na den dapperen strijd is eervol, maar een dusdanige wraakneming is een oneer voor onze vlag, een onchristelijke handelswijze, waartegen ik niet kan nalaten openlijk protest aan te teekenen.

Troelstra en Van Kol voerden een heftige campagne. En hun socialistische propaganda-acties in Twente hadden succes. De liberalen in Enschede kozen, om niet op een katholiek te hoeven stemmen, op 24 augustus 1897 de socialist Van Kol. In een lang artikel in Het Centrum van 31 augustus 1897, een week na de verkiezingen, lichtte Ariëns de oorzaken van de katholieke deceptie toe en constateerde dat het antipapisme had bijgedragen aan de zege van Van Kol. In zijn naschrift verwees hij naar Recht door Zee, dat op 28 augustus 1897 onomwonden stelde, dat bij de herstemming alle economische en politieke belangen het hadden moeten afleggen tegen het antipapisme. ‘Anti-roomsch, die leus klonk boven alles uit.’ Ariëns tekende de eerste stemming als een zegepraal voor het radicalisme en de herstemming als een zege van het antipapisme.
    De rebelse katholieken onder aanvoering van Jan Brinkhuis zouden in het volgende jaar hun eigen weg gaan, meenden velen in de katholieke arbeidersbeweging. Er wachtte het katholieke wereldje in Twente een opmerkelijke gebeurtenis. Want in de roomse zuil waren hiërarchie en gehoorzaamheid vanzelfsprekend en vrij algemeen aanvaard.  Maar de ideologische verschillen tussen de conservatieve Alphons Ariëns – die ondanks alles in het spoor bleef lopen van de clerus in Utrecht, die sterk onder invloed stond van Herman Schaepman – en de linksere katholieken onder aanvoering van Jan Brinkhuis – die de klerikale invloeden en het weinig strijdbare karakter van de arbeidersorganisaties verfoeiden – werden steeds groter. Deze niet te stuiten ontwikkeling zou onontkoombaar leiden tot een breuk in het katholieke strijderskorps.

‘Onvoorzichtig en ongezeggelijk’
Op 14 augustus 1897 brak er een staking uit bij de firma H. Hedeman jr aan het Sluitersveld in Almelo, die tot 2 maart 1898 duurde. Ariëns speelde in deze staking een hoofdrol, als adviseur van Unitas, maar ook als redacteur van De Katholieke Werkman. Maar deze staking bleef voor de kapelaan niet zonder gevolgen. Zijn toch al in de loop er jaren wat broos geworden relatie met Herman Schaepman liep zware schade op, nadat hij op 31 januari 1898 een brief had geschreven aan H. Hedeman jr, waarin hij probeerde te bemiddelen en hem verzocht gratie voor recht te laten gelden, door de uitgesloten arbeiders weer in dienst te nemen. Als de arbeiders samen zo’n verzoek deden, kon Hedeman volgens hem ter wille van het algemeen belang een goedgunstige beslissing nemen.  Maar Schaepman was in zijn wiek geschoten. Hij vond dat de Enschedese kapelaan als adviseur niets heeft te zoeken in Almelo. Eerder lag er een taak voor de bondsadviseur, in casu Schaepman. En als lid van de Tweede Kamer voor het kiesdistrict Almelo eiste Schaepman dat recht eveneens op.
    Ariëns had uiteraard wel een weerwoord. Hij vond dat zijn positie in Unitas hem het recht gaf advies uit te brengen, aan arbeiders en patroons. Maar Schaepman bleef onverzettelijk. Hij kreeg zijn gelijk ook van aartsbisschop Henricus van de Wetering, die besliste dat Ariëns zich niet moest bemoeien met stakingen buiten Enschede.  Toen de Tilburgse kapelaan J.A. Wolters Schaepman om diens mening vroeg over zijn plan Ariëns uit te nodigen voor een debatvergadering in de Wolstad, kreeg hij als antwoord: ‘Dr. Ariëns krijgt van den Aartsbisschop, naar ik meen, geen verlof.’ Bovendien was Ariëns volgens Schaepman, die schermde met de aartsbisschoppelijke autoriteit, ‘onvoorzichtig en ongezeggelijk.’ 
    De verhoudingen kwamen helemaal op scherp te staan, toen Ariëns in een artikel in De Katholieke Werkman van 15 april 1898 de pauselijke encycliek Rerum Novarum van 1891 herdacht en enkele moeilijke passages in voor iedere lezer te begrijpen taal herschreef. Hij sprak over werkgevers die ‘gewetenloze schurken en echte bloedzuigers’ waren, en over arbeiders ‘die een slavenjuk moesten torsen, en slachtoffer waren van woeker- en winzucht’. Aanvankelijk had Herman Schaepman dit artikel zelf willen schrijven, maar na overleg met de aartsbisschop besloot hij de eer aan Ariëns te laten. Schaepman kritiseerde het taalgebruik in het artikel van Ariëns en hij liet dat de kapelaan ook weten, mede uit naam van de aartsbisschop. Het was ongepast de pauselijke woorden van de encycliek in dergelijke ruwe taal om te zetten. Daarom stuurde hij ‘een paar bemerkingen op het artikel’, om in het blad te plaatsen.
    Maar daarvoor voelde Ariëns niets. Hij was overigens zelf ook van zijn artikel geschrokken, toen hij het blad ontving en zijn tekst nog eens nalas. Hij weet het aan de haast waaronder hij het artikel had moeten schrijven en benadrukte in een excuusbrief aan de aartsbisschop dat er evenmin tijd was geweest het artikel in alle rust na te lezen en de kwetsende passages te corrigeren. Schaepman ging op zijn strepen staan, wilde dat zijn reactie werd geplaatst. De vorm wilde hij wat afzwakken, de zakelijke inhoud moest blijven. Voor de kapelaan, die het gevoel had onder curatele te worden gesteld, was dit een doorslaggevende reden om als redacteur van De Katholieke Werkman te stoppen. Daarna kwijnde het blad weg, want zijn opvolgers misten de vakbekwaamheid, kennis en gedrevenheid van Alphons Ariëns. 
    De consequenties van het besluit van Ariëns waren voor met name de vakbeweging ingrijpend. De publieke en journalistieke rol van Ariëns was uitgespeeld, nu hij zichzelf uit puur principiële overwegingen monddood had verklaard. Vrij snel daarna werd de relatie tussen Schaepman en Ariëns verbroken. In de top van het bisdom Utrecht ontstond een bondgenootschap tussen aartsbisschop Van de Wetering en Schaepman. De geestelijke leider maakte zich zorgen over de wijze waarop Ariëns de arbeiders benaderde, te weinig naar zijn oordeel vanuit een kerkelijk en geestelijk denken. Eerder bezag de in veler ogen ‘rode kapelaan’ zijn handelen vanuit de veronderstelde noodzaak van sociale verbeteringen. De katholieke arbeiders moesten het beter krijgen, minder werken, meer verdienen, een goed dak boven het hoofd. Schaepman had meer oog voor zijn politieke carrière, zoals na de staking in Almelo was gebleken, waar Schaepman de kapelaan uit zijn kiesdistrict had weggestuurd, omdat hij zich als adviseur van de diocesane arbeidersbond in zijn competentie voelde aangesproken.
    Op 21 januari 1903 overleed Herman Schaepman in Rome. Er gaat een verhaal dat Schaepman op zijn sterfbed had verklaard, dat hij graag wilde dat Ariëns hem opvolgde, maar als de kerkelijke overheid een andere mening had, dan hoopte hij dat de katholieke politicus mr Piet Aalberse (1871-1948) zijn plaats zou innemen.  Volgens Brom weigerde Ariëns. Enkele dagen na het overlijden van Schaepman werd Aalberse algemeen beschouwd als de kandidaat voor het district Almelo. Maar Aalberse twijfelde sterk, want hij was nog maar pas wethouder in Leiden en bovendien, Schaepman opvolgen, de ‘geweldenaar’...... Tenslotte aanvaardde hij de kandidatuur. Bij de herstemming kreeg ‘de meest uitnemende leerling van Schaepman’, zoals Het Centrum schreef, met 64 procent de meeste stemmen.  Enschedeër Jan Tijhof, kandidaat namens de SDAP – hij was propagandist van de partij – kreeg zeventien procent.  De liberale kandidaat E.B. Bavink ten Cate scoorde één procent meer dan Tijhof.

Kudde schapen zonder bokken
Op het toneel van de sociale strijd in Enschede ontbrak vanaf medio 1901 Alphons Ariëns. Hij was inmiddels 41 jaar en voorvoelde al enige tijd dat het bisdom Utrecht hem binnen afzienbare tijd zou benoemen tot pastoor, een logische voortzetting van zijn loopbaan als kapelaan. Hij hoopte dat hij in Twente kon blijven, waar hij zijn werk voor de arbeiders zou kunnen voortzetten. Op 4 mei 1901 was in Rijssen pastoor Henricus Johannes Weitjes overleden en Ariëns had het vermoeden, beter nog: de hoop, dat hij in dit voornamelijk protestantse textieldorp de herder van de Sint Dionysiusparochie mocht worden. Op 8 mei 1901 was hij in het dorp geweest en had de kerk en de pastorie bekeken. Het is een kleine pastorie, schreef hij aan een bekende, ‘waar ik met mijn lessenaar en toebehooren al een heel eind kom’, en voor een nieuw meubelstuk geen ruimte was. 
    Tot zijn grote verbazing en zeker ook ontsteltenis kreeg hij 20 mei 1901 het bericht van de aartsbisschop, dat hij in Steenderen was benoemd, een boerendorp achter Zutphen.  Nog nooit had Ariëns gehoord van deze stille plaats met drieduizend inwoners en driehonderd communicanten. ‘Overal groene wei en blank water dat ’s winters alles overstroomde, zodat de kerk dan wel een eiland leek en de boeren hun bootje moesten gebruiken’, aldus Gerard Brom in zijn biografie van Ariëns.  De nieuwe pastoor zelf was er tevreden, na een paar dagen vond hij:
   
Dit is een zeer geschikte plek om geestelijk tot rust te komen. Steenderen is niet alleen een goed, maar een best plaatsje, waar de herder, dank aan zijn voorgangers, een kudde schapen zonder bokken heeft.

Diep in zijn hart heeft Ariëns wel geweten, dat zijn benoeming tot pastoor niet alleen was afgekomen, omdat hij gezien zijn leeftijd toe was aan de logische stap in de loopbaan van een priester, de kapelaan die gepromoveerd wordt tot pastoor, zoals hij later zelf min of meer zou toegeven, toen hij een geestverwant moest opbeuren. ‘Och’, zei hij troostend en berustend, ‘het kan moeilijk betwijfeld worden of Monseigneur heeft ons verplaatst, omdat hij ons te vurig vond. Nu is dat iets waarop hij volkomen recht heeft; en al treft het wat hard, vergeet niet dat we blij moeten zijn, zoveel jaren naar hartelust te hebben kunnen werken.’
    Het socialistische dagblad Het Volk zag de overplaatsing van Ariëns naar het Gelderse dorp als een maatregel ‘om de opstandige priester uit Twente op te bergen op het platteland; hij was monddood gemaakt door een ontijdige bijzetting in de grafkelder der maatschappelijke berusting’. Een vriend van Ariëns uit de drankbestrijding, de fabrikant Jan Frederik Vlekke uit Noord-Brabant, voor het eerst met enige Ariëns-vrienden op bezoek in Steenderen, zag het zo: ‘Veertiende statie: Jezus wordt in het graf gelegd.’ Dat de relatie tussen Schaepman en Ariëns bij de benoeming van de kapelaan tot pastoor in Steenderen een rol heeft gespeeld, lijkt voor de hand liggend. Schaepman had veel invloed in Utrecht en had een soort van bondgenootschap gesloten met aartsbisschop Henricus van de Wetering, die de uiteindelijke beslissing nam de opstandige kapelaan naar een Gelders boerendorp te sturen, ver van de brandhaarden van de sociale strijd in ons land.
   
‘Mens van koninklijke liefde’
In het begin van de twintigste eeuw, toen Ariëns zich was gaan wijden aan zijn schaapjes in Steenderen, namen de bisschoppen, onder aanvoering van de aartsbisschop, zich heilig voor definitief een eind te maken aan de steeds opnieuw oplaaiende vijandelijkheden tussen de stands- en de vakorganisaties. Deze strijd was ingezet door Herman Schaepman, toen hij in 1893, tot groot ongenoegen van Ariëns en diens volgelingen, de vakorganisaties ondergeschikt maakte aan de standsorganisaties. Daarom publiceerden ze op 31 oktober 1916 het Bisschoppelijke Communiqué inzake de taak van de R.K. Volksbonden en R.K. Werkliedenvereenigingen en van de R.K. Vakvereenigingen. De standsorganisatie behartigde voortaan de godsdienstig-zedelijke en algemeen-stoffelijke arbeidersbelangen. De vakbeweging hield zich slechts bezig met de technische en economische vakbelangen.  Een strijd was gestreden. Ariëns was een teleurgesteld man.
    In oktober 1919 werd hij in Utrecht bij aartsbisschop Van de Wetering ontboden. De aartsbisschop, vergezeld van de vicaris-generaal en twee secretarissen, sprak hem langdurig en lovend toe, tot opperste verbazing van Ariëns, die de aartsbisschop hoorde zeggen dat het de Heilige Vader had behaagd hem te benoemen tot Geheim Kamerheer van Zijne Heiligheid. Het werd Ariëns te machtig, snikkend als een kind viel hij op zijn knieën, de zegen van de bisschop vragend. Ariëns zag in ‘deze officiële en zeer besliste tevredenheidsbetuiging mijner Kerkelijke Overheid iets zeer zonnigs’ voor hem , ‘iets wat me met meer gerustheid naar het einde doet zien’.
    Alphons Ariëns overleed in 1928 in Amersfoort. In Enschede werd op 16 juni 1934 een standbeeld van hem onthuld. Het kreeg een prachtplek op een groen gazon tussen het RK Ziekenhuis en de toenmalige ambtswoning van de burgemeester, op het plein dat later zijn naam zou krijgen, het Dr. Ariënsplein. Henry van Ooyen heeft het zo mooi beschreven: ‘... hij staat er, zoals de oude generatie hem heeft gekend, gewaardeerd en liefgehad. En de rook- en roetwolken, die uit de hoge fabrieksschoorstenen neerdwarrelen op den rustelozen kapelaan Ariëns, die altijd werkend, altijd zwoegend rondtrok, leggen nu hun zwarte vlokken rond de bronzen herinnering aan die mens van koninklijke liefde.’





deValkenberg.nl