De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

grotekerkE

Op 9 september 1943 maakte Jan van Heek deze tekening van de Grote Kerk in Enschede.

blasius

De Blasiuskerk in Delden, met zijn karakteristieke toren, was volgens Jan van Heek een hoogwaardig monument voor Twente.

borne

Jan van Heek had een bijzondere band met de Oude Kerk in Borne. Deze tekening maakte hij in de winter van 1943.

De tekeningen zijn beschikbaar gesteld door de Archiefstichting      
Dr. J.H. van Heek. Ze zijn ook afgebeeld in: Wim H. Nijhof, Kunst, katoen en kastelen. J.H. van Heek (1873-1957), Zwolle, 2008.

Jan Herman van Heek, bevlogen mecenas voor middeleeuwse kerken in Twente
Op een paar honderd meter van ’n oalen stadstoren in Enschede is Jan Herman van Heek (1873-1957) geboren, aan de Hondenkolk 19, bij ’t Striekiezer waar Oldenzaalsestraat en Noorderhagen elkaar nog steeds ontmoeten. Zijn vader Gerrit Jan, Enschedees machtigste textielfabrikant, heeft daar kort na de rampzalige stadsbrand van 1862 een stadsvilla laten bouwen op een stuk grond waar eerder een kleine stoomspinnerij heeft gestaan. In 1911 wordt de villa, waar meer dan veertig jaar kapitaalkrachtige Van Heeks hebben gewoond, verkocht aan de sociaal-democratische coöperatie Tot Steun in den Strijd, die het huis ombouwt tot een successymbool van de arbeidersbeweging: de schouwburgzaal Ons Huis en een kruidenierswinkel. Nu zijn er hippe kleren te koop.

Als de kleine Jan nog geen jaar is, verhuist de familie naar het Van Heekshuis aan de Markt, in de stad bekend als ‘het huis met de hoge stoep’. Hier, naast de Grote Kerk op de Markt groeit hij op, in een gezin met dertien kinderen, en woont er veertig jaar, tot 1913, wanneer hij trouwt met Annetje van Wulfften Palthe. Jaren later lenen Enschedeërs hier boeken uit de openbare bibliotheek. ‘Het was geen pittoresk oud huis, maar een zekere statigheid kon het niet worden ontzegd’, schrijft Jan van Heek in 1942 in zijn memoires. Geen oud huis ook, want de binnenstad is in 1862 in vlammen opgegaan. ’Het eenige oude gebouw was de Groote Kerk en toren, die door inwendige verandering in ’t midden der 19e eeuw en door den brand sterk gemutileerd werden.’ Jan van Heek heeft vanaf zijn jeugd een grote belangstelling voor de vroegste geschiedenis en de prehistorie van Enschede en Twente. ‘De Romaansche toren waaromheen we in onze jeugd speelden, had mijn grote liefde.’

Jan’s interesse in historie, kunst en cultuur krijgt hij thuis mee van zijn moeder Christine Friedrike Meier, die ondanks de drukte van het grote gezin toch de tijd vindt ‘ons te wijzen op de hoogere dingen in het leven. Zij heeft ons gewezen op het onvergankelijke in kunst, historie, literatuur en muziek.’ Zijn liefde voor bouwkunst en beeldende kunsten ontwaakt al vroeg en wordt gevoed tijdens zijn vele internationale reizen naar nabije en verre landen, waarover hij uitvoerig in zijn dagboeken heeft geschreven. Als Jan nog geen zeventien is, gaat hij voor het eerst op pad. In de zomer van 1890 maakt hij met vrienden een wandelreis door de Harz. Ze bezoeken daar Wernigerrode, ‘een oude, schilderachtig gelegen stad, waar men nog vele oude gebouwen vindt, getuige het Raadhuis, met zijn bierkelder eronder’. Het Rathaus is nog steeds ‘eine Perle mittelalterlicher Fachwerkbaukunst’, zoals de intersnetsite van het stadje laat weten. 

Tijdens een zeereis in Noorwegen in de zomer van 1893 bezoeken Jan en zijn vriend Gerhard Jannink de beroemde staafkerk in Burgun die nog steeds geheel haar middeleeuwse karakter heeft behouden. De kerk is gebouwd met zestien staanders (staven van hout), de twee ingangen zijn rijkelijk versierd met houtsnijwerk. De klokkentoren, die los staat van de kerk en een ongebruikelijke taps toelopende vorm heeft, stamt ook uit de middeleeuwen. Jan Herman krijgt in het hotel de sleutel van de kerk, die tegen een kleine entree is te bezichtigen. Hij schrijft in zijn dagboek: ‘Ik had geen berouw van onzen langen tocht. De geheele kerk was van hout en zag [er] van buiten zwart als kool uit, doch niets was vermolmd.’ 

In het voorjaar van 1900 chaperonneert Jan als ervaren reiziger zijn zusters Bertha en Gus op een reis naar Rome, een sinterklaascadeau van hun ouders. In zijn reisverslag schrijft Jan over wat hij ‘de antieke kunst’ noemt: ‘Als mijne mening moet ik geven dat in zijn geheel genomen de antieke kunst mij veel meer belang inboezemt en ik deze veel hooger stel dan de latere kunsten. […] Het strenge eenvoudige uit den besten Romeinschen tijd, dat is stellig wel het hoogst wat bereikt kan worden op dit gebied. Welk een machtigen indruk maken de hier en daar overgebleven bouwvallen of slechts enkele zuilen. De Renaissance heeft weliswaar gebruik gemaakt van vele lijnen en vormen haar overgeleverd, doch zij heeft die niet weten te bewaren in haren eenvoud. Het is alsof kleingeestige menschen ze eigenzinnig hebben willen wijzigen en het resultaat is niet in hun voordeel geweest.’

Zo voeden reizen zijn steeds meer uitgesproken voorkeur voor de beeldende kunsten en de architectuur van de middeleeuwen. In 1912 koopt hij, na vergeefse tochten langs kastelen in Overijssel en op de Veluwe, Huis Bergh in ’s Heerenberg, waarvan de bouw vermoedelijk omstreeks 1300 van start is gegaan. Hij restaureert het kasteel met veel zorg en liefde en begint middeleeuwse kunst voor de vele vertrekken van het kasteel te verzamelen. In latere jaren zal hij – als een bevlogen mecenas voor middeleeuwse monumenten – intensief betrokken raken bij restauraties van kastelen (Doornenburg, Hernen) en binnenstedelijke monumenten in onder meer Doesburg, Zutphen, Veere en Middelburg. Tot zelfs in Friesland reikt zijn interesse. Wanneer Jan in 1949 een bezoek brengt een deze provincie en het Friesch Museum en tal van Friese dorpskerken heeft bezichtigd, biedt hij spontaan aan duizend gulden of meer bij te dragen voor elke vroegmiddeleeuwse kerk die wordt gerestaureerd. ‘Het Bestuur heeft met grote voldoening kennis genomen van dit edelmoedige aanbod’, lezen we in het jaarverslag van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde in Leeuwarden. In Twente gaat zijn aandacht vooral uit naar drie oudere kerken, de Grote Kerk in Enschede, de Oude Blasius in Delden en de Stephanus in Borne, nu voor protestanten (JH is zelf vrijzinnig protestant), voor de Reformatie katholieke bedehuizen. 

Grote Kerk in Enschede
Jan van Heek realiseert zich telkens weer dat de plek waar hij in Enschede woont, een rijke, boeiende geschiedenis heeft. ‘Het is alles historische bodem, wijzende op een lang verleden’, schrijft hij in zijn boek Herinneringen aan het Van Heekshuis (1942). Aan de voet van de oude middeleeuwse stadstoren heeft Enschede zich ontwikkeld, rondom de voornaamste hoeve van de marke Esmarke, de hoofdhof. Op de door een gracht omgeven gronden van de hoofdhof hebben zich ‘nijveren en kooplieden’ gevestigd, profiterend van de bescherming van de gracht. Hier is de burcht van de Heeren van Enschede gebouwd, het bouwjaar kennen we niet, maar wel is bekend dat bisschop van Utrecht Rudolph van Diepholt in 1449 de burcht heeft afgebroken en vervangen door een bolwerk. De burggracht heeft door de tuin van het Van Heekshuis gelopen, op het terrein tussen Markt, Haverstraat en Langestraat. Dat blijkt in 1906, wanneer de Van Heeks een paardenstal en een garage laten bouwen.

Dat de oude kerk op de Markt wel eens uit de vroegste middeleeuwen kan stammen, begint Jan van Heek te vermoeden tijdens de opgravingen in 1928-1929 bij het herstel van de kerk. Hij kan het eens zijn met zijn vriend J.J. van Deinse, die in 1893 bezoekers van de stad laat kennismaken met de oude binnenstad, en in zijn gidsje (met wandelkaart) schrijft, dat de kerk is gebouwd omstreeks 1100, te oordelen naar het jaartal 1097, dat in 1865 op één van de steunberen van de oude sacristie werd ontdekt. Ook de bouwstijl verwijst naar die tijd, de Romaanse stijl vindt hij onmiskenbaar terug in de hoofdingang onder de toren en in de noordermuur van de kerk. Van Deinse denkt dat er in 1053 al een kerk moet zijn geweest; er wordt dan een fundatie gesticht ten behoeve van de vicarieën van St. Jacobus en St. Stevens, die bijna vijfhonderd jaar later nog zijn aangetroffen.

In zijn boek schrijft Jan van Heek dat bij het onderzoek in 1928/1929 is gebleken ‘dat de eerste stenen en wellicht verdedigbare kerk dateerend van ongeveer 1000 in haar fundamenten teruggevonden werk’. Volgens hem zijn de bouwperioden met vrij grote zekerheid vast te stellen. Hij voegt hieraan zijn eigen visie toe: ‘Aan den eersten steenbouw is zeker een houten bouw voorafgegaan, en nog dieper in het verleden teruggaande is het niet gewaagd te veronderstellen dat een Germaansche verzamelplaats als centrum van eeredienst of rechtspraak op die stede de oorsprong is geweest van Enschede.’ Hij vertelt dat hij het onderzoek van de eerste stenen kerk in de fundamenten zware veldkeien zijn gevonden die mogelijk eerder hebben gelegen rondom een ‘vroegere plaats van eeredienst’. Volgens hem gaat de oude grafkelder aan de koorzijde met de vloer van kleine keien mogelijk terug tot die vroegste tijd. De zware fundamenten, ongeveer twee meter dik, wijzen volgens Jan van Heek op een rechthoekige koorsluiting; deze afmetingen en vorm komen overeen met vroeg-Romaanse kerkjes in Westfalen en langs de IJssel. 

De Van Heekfamilie heeft zijn generaties lange relatie met de Grote Kerk in 1927 onderstreept met een geschenk voor de gerestaureerde toren van de kerk, een klokkenspel. Het carillon met 42 klokken, gebouwd door de Engelse firma Gillet & Johnston, is op 30 augustus 1929 aan het kerkbestuur overgedragen. Namens de familie heeft Jan van Heek een toespraak gehouden, waarin hij refereert aan Das Lied von der Glocke van Schiller, met die prachtige laatste strofe:

Jetzo mit der Kraft des Stranges
Wiegt die Glock mir aus der Gruft,
Daß sie in das Reich des Klanges
Steige, in die Himmelsluft.
Ziehet, ziehet, hebt!
Sie bewegt sich, schwebt,
Freude dieser Stadt bedeute,
Friede sei ihr erst Geläute.


Jan van Heek brengt in zijn toespraak de wens van zijn in 1920 overleden moeder in herinnering. Jaren heeft ze dicht bij de toren gewoond en al vroeg heeft ze laten weten in de toren een klokkenspel te willen laten aanbrengen. De grootste klok draagt dan ook haar naam, Christine, het randschrift in Gotische letters luidt: In vreugde, ernst en smärte Verheff’ mien klaank ow härte. De tweede klok is genoemd naar Edwina Burr Ewing, de echtgenote van Jans overleden broer Jan Bernard en draagt als tekst: Met klokkenklaank roop ik eernstig en kloar, Loat wezen dien leven good en woar. De derde klok krijgt de naam van Jans zuster Bertha, met daarop de dichtregels van hun nicht en vriendin Cato Elderink: Ik roope de tied – de tied röp di-j, Mi-j wèze ten zegen – God zègne di-j. Gustaaf Neef, beiaardier uit Mechelen, strooit daarna vrolijke klanten uit over de stad, eerst het Wilhelmus, en daarna Vlaamse liederen. 

Oude Blasius in Delden
Veel Romaanse kerken telt Twente niet. In zijn standaardwerk over de Romaanse kerkbouwkunst in de Nederlanden uit 1975 schrijft prof.dr. E.H. ter Kuile slechts een halve pagina over de St. Plechelmus in Oldenzaal, de Grote Kerk van Enschede krijgt nog geen regel, alleen de mededeling dat er aanwijzingen zijn gevonden voor een volledige overwelving die nog zuiver Romaans kan zijn geweest, onder meer in Havelte en Enschede. De Oude Blasiuskerk in Delden wordt niet als een Romaanse kerk beschouwd, maar niettemin een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op Jan van Heek. Hij kent de vroegste geschiedenis van de kerk. Omstreeks het midden van de twaalfde eeuw is de bouw begonnen. Het plan is geweest een Romaanse kruisbasiliek te bouwen, die echter nooit is voltooid. Als omstreeks 1250 de bouw wordt hervat, ziet men af van dit plan, het wordt nu een hallenkerk naar Westfaals model. 

Eind jaren veertig, kort na de Tweede Wereldoorlog, is de kerk aan restauratie toe. In 1949 heeft dominee J.W. Samberg daarover al een gesprek gevoerd met Jan van Heek. Ze hebben elkaar ontmoet in de eerste jaren na de oorlog, wanneer Van Heek zich samen met baronesse Marie van Heeckeren van Wassenaer inzet om kasteel Twickel en de omliggende landerijen onder te brengen in een stichting. Het blijkt dat Monumentenzorg geen geld heeft om de noodzakelijke restauratie te bekostigen. Meer dan vijf jaar later herinnert Jan van Heek aan dit gesprek, tijdens een onderhoud met de baronnesse, dominee Samberg en een collega van hem, en rentmeester mr. C. Brunt. Na een rondgang door en rondom het kerkgebouw, de toren, de sacristie wisselen ze van gedachten over de mogelijkheden van restauratie. Jan van Heek legt het gezelschap zijn conclusies voor. Hij heeft ze op papier gezet.

Volgens hem vormen de kerk en de toren samen ‘een monument’ van hoge waarde, niet alleen voor Delden, maar voor geheel Twente: ‘De toren is prachtig van lijn en kleur (door het materiaal van Bentheimer steen). Hij vormt een onmisbaar deel en sieraad van het oude stadje Delden en het omringende prachtige landschap. Aan de vorm van de oude vertrouwde toren moet niets veranderd worden.’ Jan van Heek is van mening dat het interieur van kerk en koor ‘verkillend’ werkt door dein hardwit overgekalkte muren en gewelven.’Die verkilling wordt in de hand gewerkt door de koude lichtval door de grote ramen met ijzeren raamwerk. De vervanging daarvan door zandsteen-traceringen in gothische vormen en beglazing in glas en lood van warme tint zou wonderen doen, zowel naar binnen als uitwendig.’ De ramen kunnen volgens Jan verlevendigd worden door het aanbrengen van bescheiden vignetten in elk raam, die verwijzen naar de geschiedenis van de kerk en de geslachten van de bewoners van Twickel, die de voogdij over de kerk hebben uitgeoefend. Hij vertelt hoe dit idee is verwezenlijkt in Weerselo, waar in het Stift de namen van geslachten van de stiftsheren en vrouwen herleven. Gebroken grijs op de wanden zou de gekalkte muren een wat warmere tint geven. Hij eindigt met een heldere conclusie: Kerk, toren en kerkhof vormen een samenhangend geheel, waarvan ik het gelijke in Twente niet ken. Het moet m.i. als zodanig beschouwd worden en in de toekomst bewaard blijven.’ Pas in de tweede helft van de jaren zestig kan met de restauratie een begin worden gemaakt. 

Stephanuskerk in Borne
Jan van Heek heeft zich tussen 1918 en zijn laatste levensjaren bemoeid om de Ned. Herv. Kerk in Borne, de vroegere katholieke Stephanuskerk. In september 1918 neemt hij zitting in de Commissie van Restauratie die onder leiding staat van ds. A. Goedhart. In een wervende brochure waarin de commissie vraagt om ‘krachtige finantieele medewerking’, beschrijft Jan bijna als een poëet de kerk: ‘Gebouwd op eene hooge stille plek in het midden van het dorp, onder de schaduwen van een forschen toren en omgeven door de stilte van het kerkhof, ligt daar het rustige monument, bouwwerk van breede architectuur en hooge bekoring, opgetrokken in onze mooie kleurige Twentsche baksteen, geschraagd door krachtige steunbeeren, zwaar overhuifd door een hoog leiendak.’ De kerk, gewijd aan de Heilige Stephanus, dateert uit het begin van de vijftiende eeuw en is als originele tweebeukige dorpskerk een unicum in Nederland. Bij vroegere restauraties zijn er ‘onaesthetische en onhistorische verknoeisels’ aangebracht, het plan is nu de kerk in zijn oude glorie te herstellen. Architect W. te Riele uit Deventer heeft de bouwkosten geraamd op ongeveer achttienduizend gulden. De lezer aansporend schrijft Jan van Heek: ‘Waar in dezen ontzettenden oorlogstijd zoo schrikkelijk veel wordt vernield en men soms geneigd is te wanhopen aan de toekomst van al wat waar en schoon en recht is, willen wij juist hier trachten een edel Twentsch monument voor verval te vrijwaren en in eere te herstellen.’ 

De kerk is in de jaren 1919-1921 gerestaureerd, dank zij bijdragen van particulieren in Borne en de rest van Twente, onder wie Jan van Heek, en subsidies van rijk, gemeente en kerk. In augustus 1951 schrijft Jan van Heek, nu als lid van het comité van aanbeveling, weer een bedelbrief, de kerk moet weer gerestaureerd worden, want: ‘Door oorlog en storm geraakte zij opnieuw in verval, waarin onverwijld moet worden voorzien, wil het gebouw behouden blijven. In de eerste plaats eischt het dak dringende vernieuwing.’ Een tegenvaller is dat rijk, provincie en de gemeente Borne de beurs gesloten houden, al toegezegde bijdragen zijn ingetrokken. Jan is nog steeds onder de indruk van de schoonheid van de kerk: ‘Zij is van buitengewone bekoring, zoowel inwendig als uitwendig, tot welke bekoring de omgeving meewerkt.’ Bijzonder zijn de vijftiende-eeuwse muurschilderingen die dreigen verloren te gaan en de stijlvolle zandstenen preekstoel uit de zestiende eeuw, de fraaie grafzerken en wapens van de heren van Weleveld en de drie waardevolle luidklokken waarvan de oudste uit de vijftiende eeuw dateert.

Het duurt tot de herfst van 1972 eer er uitsluitsel komt: de kerkvoogdij krijgt een persbericht onder ogen waarin gemeld wordt dat zij – binnen het kader van de werkloosheidsbestrijding – op korte termijn opdracht mag geven tot restauratie van de middeleeuwse, aan Stephanus gewijde kerk. ‘De plannen waren wel oud’, schrijft J. Grootenboer begin 1974 in ’t Inschrien, ‘doch men rekende niet eerder dan in 1974 te kunnen beginnen.’ Maar architect ir. T. van Hoogevest uit Amersfoort maakt snel de plannen bouwklaar en binnen een jaar is de restauratie voltooid. ‘Een kostbaar cultuurmonument uit de vijftiende eeuw is behouden voor volgende generaties.’ Het koor en de toren zijn de oudste delen van de kerk, ze zijn in de veertiende eeuw gebouwd. Het schip dateert uit de vijftiende eeuw.





deValkenberg.nl