De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

3. Opleidingsschool voor fabrikantenzonen

De Prinseschool heeft haar bestaan dus in feite te danken aan de Twentse textielfabrikanten die hun zonen in de eigen regio een goede opleiding wilden geven. Aan het einde van de jaren vijftig van de negentiende eeuw kreeg de Twentse textielnijverheid een nieuw gezicht door de toenemende industrialisering. Steeds meer fabrikanten stapten over op stoom en bouwden grote fabriekshallen. En ze ontdekten dat deze nieuwe fase in hun bedrijfstak hoge eisen zou gaan stellen aan de nieuwe generatie fabrikanten. De fabriqueur, die vooral een handelsman was geweest, werd nu de fabrikant, die niet alleen koopman was, maar vooral ondernemer die kennis moest hebben van economie, de techniek van het spinnen en weven, zijn talen moest spreken.
In die jaren stuurden de Enschedese fabrikanten hun zonen, hun opvolgers in het bedrijf, naar de Latijnsche School, een school voor hoger onderwijs, die dateerde uit de zeventiende eeuw. Vanaf 1816 werd aan deze school – op een aparte afdeling die daarom de Fransche School heette – Frans onderwezen en later ook Engels, Hoogduits, wiskunde ‘en al hetgeen verder tot eene beschaafde opvoeding behoort’. Maar de Enschedese fabrikanten wilden dat hun zonen, voorbestemd immers voor de hoogste posities in het bedrijf, meer leerden dan op de Fransche School, de jongens moesten ook wijs worden op het brede veld van industrie, handel en techniek. Daarom kwamen op woensdag 6 juli 1859 in Hengelo 38 industriëlen en handelaren bijeen. Ze richten de Twentsche Vereeniging tot Bevordering van Nijverheid en Handel op. Een speerpunt vormden de plannen voor een industrie- en handelsschool.
De vereniging zocht steun bij koning Willem III. De Enschedesche Courant van 2 november 1859 steunde het verzoek aan de koning:   

Sire, moge het Uwe Majesteit behagen in Twenthe de oprigting te bevelen van eene industrie- en handelsschool, geschikt tot opleiding van jongelieden, die zich aan het Fabriekswezen en den Handel toewijden.

Op 1 mei 1862 kon koning Willem III zelf het heuglijke nieuws aan het gemeentebestuur meedelen, toen hij de stad met een bezoek vereerde. Enschede kon bogen op de eerste opleiding voor middelbaar onderwijs in ons land. De Twentsche Industrie- en Handelsschool werd gebouwd – kan het symbolischer? – op één van de Enschedese stadsbleken, de Krabbenbeek of Zuidbeek, die speciaal was ingericht voor het bleken van garens. De nieuwe opleiding begon op 11 januari 1864.
Het doel was ‘een speciale opleiding te geven aan jongelieden, die zich later aan de industrie en handel willen wijden’. Er werden uiteraard eisen gesteld aan de leerlingen.

Om als leerling te worden aangenomen, moet men den vollen ouderdom van twaalf jaren bereikt hebben, goed kunnen lezen en schrijven, de gronden der Nederlandsche taal kennen en niet onervaren zijn in de Aardrijkskunde, de Vaderlandsche en Algemeene Geschiedenis en vooral vaardig kunnen cijferen met geheele getallen, zowel als met gewoone en tiendeelige breuken.

De school kreeg een interessant lessenpakket voor zowel vakonderwijs als middelbaar onderwijs. Bij de start in 1864 waren er drie afdelingen: een vijfjarige HBS die vier jaar later werd omgezet in een driejarige opleiding, een handelsafdeling en een textielafdeling. Hoofdonderwijzer Charles Cornelis Schencker van de Fransche School werd benoemd tot leraar aan de nieuwe school en dertig leerlingen volgden hem. Maar er was één probleem voor de Enschedese leerlingen: de opleiding aan de twee bestaande openbare lagere scholen, de school Achter ’t Hofje en de Kerkhofschool, sloot niet aan op het lesprogramma van de Twentsche Industrie- en Handelsschool. Daarom werd de Eerste Openbare Lagere School Achter ’t Hofje, de School van Jennes, in 1866 gepromoveerd tot opleidingsschool.    
   
Gloednieuwe school
De textielindustrie bleef groeien en er werden steeds hogere eisen aan het onderwijs gesteld. De Twentsche Industrie- en Handelsschool werd langzamerhand te klein, maar het rijk had geen geld voor nieuwbouw, hooguit kon de subsidie worden verhoogd. De gemeente Enschede besloot op 15 september 1885 de school over te nemen. Op 15 oktober 1887 kwam minister mr. Jan Heemskerk het vernieuwde schoolgebouw van de Twentsche Industrie- en Handelsschool aan de Haaksbergerstraat openen. De naam van de school was ook veranderd. Het was nu de Nederlandsche School voor Industrie en Handel, een naam die de ambities van bestuurders en textielelite verraadde. De school bestond uit drie afdelingen: 1. Een hogere burgerschool (HBS) met drie klassen voor de algemene grondslag; 2. de handelsafdeling met één klas; 3. De nijverheidsafdeling met twee klassen.

De taak van de toenmalige opleidingsschool Achter ’t Hofje werd in 1886 overgenomen door de Eerste Openbare Lagere School, die in een gloednieuw gebouw met zeven lokalen de Brinkstraat kon beginnen. Het onderwijs op deze school was vooral bedoeld om leerlingen voor te bereiden op onder meer het voortgezet onderwijs aan de Nederlandsche School voor Industrie en Handel. In 1896 werd de school aan de Brinkstraat omgedoopt tot School B. Want – hoe fantasierijk kun je zijn – de scholen in Enschede werden voortaan onderverdeeld in genummerde scholen waar de gewone vakken van het lagere onderwijs werden gegeven, en de geletterde scholen – zoals School B – waar kinderen meer vakken kregen als basis voor een voortgezette schoolopleiding. School B was een zevenklassige school voor gewoon lager onderwijs, alsmede Frans, en leidde op voor het middelbaar en gymnasiaal onderwijs. En toen School B te klein werd, begin jaren tien van de vorige eeuw, kwam er een filiaal, School B2, eerst op Hoog en Droog, daarna in een gloednieuw gebouw aan de Prinsestraat. De Nederlandsche School voor Industrie en Handel werd in 1909 gesplitst in twee richtingen: de 5-jarige HBS-opleiding en de nijverheidsafdeling, die later zal uitgroeien tot de Hogere Textielschool. Ook Het Enschedees Lyeum, nu het Kotten College, vond hier zijn ontstaansgrond; in 1916 werd het lyceum gebouwd, als uitbreiding van de school.

Latijnsche School, Athenaeum en Webeschule

Voordat in Enschede in 1866 de Twentsche Industrie- en Handelsschool van start ging, volgden Enschedese fabrikantenzonen een andere weg om klaargestoomd te worden voor een zetel in de directievertrekken van het bedrijf van hun vader. Zo ging Gerrit Jan van Heek, geboren in 1837, de lagere school van Meester Jennes. Enschede was toen een knus en rustig plattelandsstadje, rondom de oude Romaanse stadstoren, binnen de middeleeuwse grachten en wallen. Iedereen kende iedereen in de kleine gemeenschap, zeker in het stadshart waar de fabrikantenfamilies woonden. Hoe gemoedelijk het in die dagen toeging in Enschede, blijkt uit het verhaal dat Gerrit Jan van Heek vaak aan zijn kinderen vertelde. Op een morgen kwam de zoon van meester Jennes naar buiten gestormd met de mededeling: ‘Hoera, mien vâar is kraank, wie heb’t gin school!’     
Na de lagere school volgde Gerrit Jan de Latijnsche School. Kinderen van industriëlen in de stad bezochten deze school, die naast de klassieke talen – gewenst voor het wetenschappelijk onderwijs – en de ‘Hoogduitsche talen’ en de Engelse taal ook wiskunde op het lesprogramma had staan, nuttig voor fabrikantenzonen. Daarna vertrok Gerrit Jan, samen met zijn stadgenoten en ook fabrikantenzonen Willem Joan Blijdenstein en Benjamin Willem Blijdenstein naar het Atheneum in Deventer. Zijn vakopleiding kreeg Gerrit Jan aan de Webeschule in Mülheim.

 

De Twentsche School voor Industrie en Handel, opgericht door fabrikanten, bood ‘een speciale opleiding te geven aan jongelieden, die zich later aan de industrie en handel willen wijden’. Stadsarchief Enschede.

Op 15 oktober 1887 kwam minister mr Jan Heemskerk het vernieuwde schoolgebouw van de Nederlandsche School voor Industrie en Handel openen. De foto dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Stadsarchief Enschede

 





deValkenberg.nl