De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 

4. Enschede in 1913. een ware textielstad

In mijn boekenkast heb ik een speciaal plankje met kostbare kleinodiën, mijn eerste fototoestel, een Agfa Clack uiteraard, een schoolatlas van honderd jaar oud, een vouwwerkje van de kleuterschool op het Pathmos, een enkel schoolschriftje. Er ligt ook een bijzonder boekje, A5-formaat, in het jubeljaar van de Prinseschool is het een eeuw oud. De omslag vertelt waarover het gaat, gezet in sierlijke kapitalen van de prachtige ouderwetse letter Hollandsche Mediaeval: EENIGE GEGEVENS BETREFFENDE OMVANG EN BETEEKENIS VAN ENSCHEDE IN 1913, met de toevoeging dat het boekje vooral gaat over ‘woningbouw en stadsuitbreiding en de factoren, die nuttig zin te achten voor de beoordeeling van de woningtoestanden’. Het boekje, ‘gedrukt op matkunstdrukpapier’, zoals de auteur trots vermeldde, was uitgegeven ter gelegenheid van het bezoek aan Twente – zonder H merk ik, het was toch Twenthe, honderd jaar geleden? – van leden van het Xde Internationaal Woningcongres te Scheveningen.

Die auteur was jhr Anton Helmich op ten Noort, de architect van diverse scholen in Enschede, waaronder één rijksmonument, de Prinseschool. Hij kwam op 18 februari 1907 naar Enschede, als directeur der Gemeentewerken. Geboren in 1881, stond hij als midden-twintiger, na zijn ingenieursopleiding in Breda, aan het begin van zijn loopbaan. Voordat de gemeenteraadsleden instemden met zijn benoeming in deze bijzonder belangrijke functie – een directeur gemeentewerken was in die jaren ook vaak de stadsarchitect voor gemeentelijke gebouwen – moesten enige raadsleden ervan worden overtuigd, dat de jonkheer een echte ingenieur was. Opgeleid in Breda? De traditionele plaats voor een ingenieursopleiding was toch Delft? Zeven jaar bleef ir. A.H. op ten Noort in Enschede, zeven jaar waarin hij op enkele plaatsen in de stad een krachtige handtekening zette. Eén van zijn creaties ken ik persoonlijk, van binnen en van buiten, zes jaar lang kwam ik er vele dagen, de Prinseschool, nu een rijksmonument.

Fabrieksstad
Enschede was omstreeks 1913 een echte fabrieksstad, zo indrukwekkend geschilderd in het stadspanorama van de socialistische kunstenaar Herman Heijenbrock, die in de eerste decennia van de vorige eeuw taferelen van arbeid en nijverheid met zijn penselen vastlegde. Het was een schoolplaat, die in veel Nederlandse scholen heeft gehangen, niet als propaganda voor de Twentse stad, maar als een afschrikwekkend voorbeeld van een smerige industriestad, waar ruim dertig schoorstenen hun vette walm van stoom en stank uitstortten over de huizen en op maandagochtenden als de spillen en getouwen weer werden aangezet, de maandag was aan de drooglijnen vervuilde. Van Heek & Co. was in 1910 uitgeroepen tot de grootste industriële onderneming, waar bijna 2.500 mannen, vrouwen, jongens en meisjes werkten, tien tot twaalf uur op een dag, zes dagen in de week, in lawaaiige, benauwde, stinkende fabriekshallen, immense complexen langs de spoorlijn naar Duitsland.

In Enschede en het omliggende Lonneker draaiden, zo leren we uit het boekje van Op ten Noort, in 1910 325.000 spillen in acht spinnerijen waar 2.700 arbeiders werkten. Het aantal weverijen bedroeg veertien, die samen 12.075 getouwen, de zogenoemde power looms, telden waaraan 7.225 mensen werkten. Eén van de drie werkende inwoners in Enschede en Lonneker verdiende de boterham dus in de textielindustrie. Enschede telde toen zo’n 35.000 ingezetenen. Samen dronken ze, zo had Op ten Noort afgeleid uit de opbrengst van het gedistilleerd per duizend inwoners, per hoofd van de bevolking 117 borrels van 42 procent alcohol per jaar, en daarnaast nog tientallen liters bier. De salarissen waren laag. In 1910 was het gemiddelde dagloon van alle arbeiders in Enschede ƒ 1,75, voor een wever was dat ƒ 1,78. In totaal betaalden alle textielbedrijven in de stad in 1912 bijna vijf miljoen gulden aan lonen. Hun wevers verdienden de hoogste lonen in Twente. In Haaksbergen verdienden de arbeiders het laagste loon, ƒ 1,20 per dag.
   
‘Opstapeling van menschen’
Enschede was rondom de eeuwwisseling sterk gegroeid. Tussen 1850 en 1900 van ruim 18.000 tot bijna 25.000, een groei van ruim 33 procent in vijf jaar. Daarna zakte het groeitempo: in 1913 telde de stad 36.000 inwoners. De woningbouw kon deze ontwikkeling niet bijhouden en er was dan ook rondom 1910 een onrustbarende woningnood, signaleerde de directeur der gemeentewerken, want er ‘vond eene dergelijke opstapeling van menschen plaats’, iedereen ‘kwam machteloos te staan’, om de overbevolking te bestrijden. De in 1907 opgerichte woningcorporatie De Volkswoning bouwde in drie jaar tijd liefst 327 woningen, maar de nood bleef de stad pijnigen. Ook de 253 huizen die in 1911 gereed kwamen en de 162 werkmanswoningen die diverse textielfabrieken bouwden, werkten het tekort niet weg. In 1913 was er volgens Op ten Noort ‘nog geen merkbare verbetering te constateren in den woningnood’, waardoor ‘de aanwas van bevolking zeer ernstig wordt belemmerd’. Gelukkig lagen er plannen klaar voor zevenhonderd woningen in diverse delen van de stad. Maar, constateerde de directeur der gemeentewerken, Enschede kende geen huurkazernes, gebouwen met woningen voor tal van gezinnen. Hij vond dan ook dat het systeem ‘één gezin op één deur’ zolang het maar enigszins mogelijk was, moest worden gehandhaafd.

Op ten Noort citeerde in zijn boekje uitvoerig burgemeester Edo Bergsma, die een jaar eerder, in 1912, toen het vijftig jaar geleden was dat de binnenstad van Enschede afbrandde, een redevoering had gehouden, waarin hij zijn stad bejubelde:

Hoe goed wij in tegensteling met menige gemeente van gelijk of hooger zielental zijn uitgerust met electriciteit, gas en water, met telefoon, electrisch klokkennet, brandweeralarmering en electrische tram, dit wil ik slechts aanstippen.    

Want daarna somde hij een reeks van voorzieningen op, tot stand gekomen na de brand, die de ‘Enschedesche geestkracht en de Enschedesche burgerzin in een helder licht’ stelden: de Industrie- en Handelsschool die de eerste school voor middelbaar onderwijs in ons land was, de openbare bibliotheek en leeszaal, de overdekte zweminrichting, het Van Heekbad, de ziekenhuizen die in aanbouw waren. Bijna lyrisch sprak hij over het Volkspark, 37 jaar oud al, ‘dat ieder jaar meer een zegen voor den werkman, een lusthof voor elkeen wordt’.

Jhr. Anton Helmich op ten Noort, directeur der Gemeentewerken in Enschede, was de architect van de Prinseschool, de enige lagere school in de stad die de status van rijksmonument verwierf. Gemeentearchief Utrecht

 





deValkenberg.nl