De Valkenberg
Valkenberglaan 35B
7313 BL Apeldoorn
Telefoon 055 - 3552201
Mobiel 06 - 53409048
info@devalkenberg.nl
Dit is het digitale verhalenboek van
dr Wim H. Nijhof, historicus en publicist. U vindt hier informatie over zijn boeken en over artikelen die zijn gepubliceerd in diverse tijdschriften en dagbladen. Aandachtsvelden zijn de historie van Apeldoorn, van het Nationale Park De Hoge Veluwe en van de textielindustrie in Twente. Een onderwerp van voortdurende studie is de sociale strijd in de textielstad Enschede, zijn geboorteplaats.

Wim Nijhof

De Valkenberg is een heuvel aan de westkant van Apeldoorn, niet ver van Paleis Het Loo. Hier konden vroeger de koninklijke valkeniers de reigers van verre zien aankomen, de vogels waren een prooi voor de jachtvalken.
Wim H. Nijhof woont aan de Valkenberglaan in Apeldoorn. De Valkenberg is de naam waaronder hij zijn publicitaire activiteiten uitvoert.

De Valkenberg
 


Aan Buurserbeek ontstond textielindustrie in Haaksbergen

Wim H. Nijhof
    
‘Veur Hoaksebarge hef benaamd de Buurserbek aait belangrijk wes’, meldt de gemeente trots op haar website. In de gemeentevlag symboliseert de blauwe band de beek, waaraan het dorp haar ontstaan en ontwikkeling als textieldorp dankt. De eerste bewoners vestigden zich omstreeks 400 in het hooggelegen Buurse, ten tijde van de grote volksverhuizing die het begin van de middeleeuwen markeerde, op de vruchtbare verhogingen van de stuwwallen die waren opgedrukt door kruiend ijs. Volgende nieuwkomers trokken stroomafwaarts door de bossen, venen en moerassen en bouwden een landbouwnederzetting rondom de Hof te Haaksbergen, in het hart van het huidige dorp op een iets hoger gelegen stuk grond dat bescherming bood tegen de overstromingen van de Buurserbeek.

In het begin van de veertiende eeuw kreeg de Buurserbeek, ooit gegraven voor waterafvoer, een economische functie, als tussenstation in het handelsverkeer tussen de IJsselstad Deventer en het Duitse grensgebied Westfalen. De stad Deventer dreef omstreeks 1300, net als de andere IJsselsteden Kampen, Zwolle en Zutphen, een drukke handel met landen in Noord-Europa. Daarom verbeterden ze de waterverbindingen met het oostelijke achterland, door bestaande beken bevaarbaar te maken en door gegraven kanalen met elkaar te verbinden. De Buurserbeek werd een belangrijke schakel in de vrachtvaart naar Westfalen en Münsterland, met Haaksbergen  als het natuurlijke centrum. Het was dan ook niet verwonderlijk dat ondernemende dorpelingen brood zagen in de handel. In de zeventiende eeuw woonden er in Haaksbergen dan ook grote en kleine houthandelaren.

Linnenhandel
Maar in de loop van de zeventiende eeuw was het gedaan met de houthandel, omdat er in Twente en de aangrenzende Achterhoek en ook in Westfalen en Münsterland nauwelijks nog bomen waren te kappen. Vele tientallen jaren lang hadden de bosbezitters roofbouw gepleegd in de bossen. De Haaksbergse houthandelaren moesten nieuwe handelswaar zoeken. Dat werd het linnen dat werd geweven op de tientallen boerderijen in het dorp en de omliggende buurschappen. Zo kwam de linnenhandel op gang. De linnenhandelaars, reiders genoemd, kochten het geweven linnengoed dat de boeren niet voor hun gezin nodig hadden. Zo lag de houthandel aan de basis van de textielindustrie, die de belangrijkste werkgever in het dorp zou worden.
Dat was een andere start dan in de rest van Twente waar de linnenhandel vooral in gang was gezet door voornamelijk doopsgezinde en joodse linnenreiders, veelal afkomstig uit Duitsland, uit hun vaderland verdreven vanwege hun niet gedulde levensovertuiging. Ze begonnen in Twente een linnenhandel, tot tevredenheid van de boeren die hun inkomsten van het land konden aanvullen. Ze kregen opdrachten van de reders en nieuwe afnemers van het vlas dat ze verbouwden. Wie de geschiedenis van de grote textielbedrijven in Twente bestudeert, ziet over het algemeen dat de uit Duitsland gekomen families het fabriqueursbestaan hebben overleefd en veelal een bloeiend bedrijf hebben opgezet, omdat ze omstreeks het midden van de negentiende eeuw lef en zelf verdiend vermogen hadden om mee te gaan in de industrialisatiegolf en stoommachines in te zetten. Daarentegen blijkt dat van de oorspronkelijke houthandelaren die in Haaksbergen in de linnenhandel gingen, niemand erin slaagde in het linnen en de katoen te overleven.

Stamvader
Het was een jonge Duitser uit de omgeving van Kassel, Jost Henrich Jordan, die de stamvader zou worden van de textielfamilie Jordaan, bijna twee eeuwen lang de belangrijkste fabrikanten in het dorp. Kennelijk vond hij het wereldje rondom zijn geboortedorp Niedermeiser te klein, boerenwerk en bierbrouwen trokken hem vermoedelijk niet aan. Daarom verhuurde hij zich als soldaat aan de deelstaat Hessen. Nederland – toen de vierde macht in Europa, na Frankrijk, Oostenrijk en Pruisen – moest om zijn militaire kracht op peil te houden soldaten uit het buitenland huren, onder meer van de landgraven van Hessen die zo een deel van hun inkomen verdienden. En zo kwam in april 1732 Jost Henrich – hij was toen 34 –naar Meppel, als kwartiermeester van het leger. Wat hij in Meppel heeft gedaan, weten we niet. Uit kerkboeken is alleen bekend dat hij zich eind 1737 in Kampen liet inschrijven, met Nederlandse namen, als Joost Hendrik Jordaan.
Het is niet uitgesloten dat hij toen al kennis had gemaakt met Johanna Leferinck, een zuster van de Haaksbergse linnenhandelaar Steven Leferinck, die ook een spinnerij en handweverij dreef. Steven had de zaak van zijn vader Jan Leferinck voortgezet. Johanna verliet Haaksbergen begin oktober 1726 en vertrok naar Kampen. Daar trouwde ze zes jaar later met Jonathan Beerthuijs. Jonathan overleed enkele jaren na hun huwelijk. Johanna bleef in Kampen wonen. Daar ontmoette ze Joost Hendrik Jordaan. Ze trouwden op 1 maart 1739 in de Buitenkerk in Kampen en verhuisden naar Johanna’s geboortedorp Haaksbergen. Vermoedelijk trad Joost Hendrik in dienst van schoonvader Jan Leferinck en werkte hij in de handweverij en spinnerij. Hij was niet geheel onbekend met dit werk, want ook in Niedermeiser bestond deze huisnijverheid. In 1740 kregen de Jordans, die aan de Oostenstraat 1 woonden, een zoon die in de Haaksbergse kerkboeken werd bijgeschreven als Jan Jordaan. Hij zou de grondlegger worden van de textielindustrie in Haaksbergen.

Het Witte Paard
Veel geluk was er niet weggelegd voor Johanna en Jost Henrich. Toen zoontje Jan vijf jaar was, overleed zijn vader op vijftigjarige leeftijd, in 1745,  en drie jaar later stierf moeder Johanna. Jan was dus op zijn achtste al wees. Gelukkig ontfermde de familie Leferinck zich over hem. Hij kreeg, zoals nazaat Dick Jordaan JGHzn, amateur-historicus en van 1962-1983  voorzitter van de Oudheidkamer Twente, later zou schrijven, ‘een zeer zorgvuldige opvoeding’, eerst van zijn grootouders en later van zijn oom Steven. Over Jans jeugdjaren is nauwelijks iets bekend. Toen Jan Jordaan 28 jaar was, trouwde hij op 8 mei 1768 met de vier jaar oudere Anna Geertrui ter Horst, een dochter van Derk ter Horst, die evenals zijn zwager en Jans oom Steven Leferinck zijn geld verdiende als handelaar en ook een spinnerij en handweverij had.
Niet lang nadat Jan Jordaan was getrouwd, kreeg hij onmin met zijn oom Steven Leferinck. Jan zou samen met zijn vrouw de linnenhandel, de spinnerij en weverij erven, maar de ruzie liep kennelijk zo hoog op, dat Steven Johanna en Jan uit zijn testament schrapte. Jan, teleurgesteld maar niet wanhopig, besloot zijn eigen weg te zoeken als ondernemer, hij had per slot van rekening de voorbije jaren genoeg ervaring opgedaan in de linnenhandel en spinnen en weven hadden ook geen geheimen voor hem. Hij begon in linnen te handelen en zocht naar een ruimte om een handweverij te beginnen. Die kans kwam toen hij hoorde dat Het Witte Paard, het huis van wolkammer Egbert van Nes, zou worden geveild. Op 21 november 1772 was hij met 810 gulden op de veiling de hoogste bieder en vanaf dat moment mocht hij zich eigenaar noemen van één van de mooiste huizen van het dorp. In de laatste weken van 1772 bouwde Jan direct een schuur achter het huis, waarin hij een handweverij opzette. Het zou later blijken dat het een historische dag was in de geschiedenis van Haaksbergen, want het is de feitelijke stichtingsdatum van het textielbedrijf van de familie Jordaan, dat bijna twee eeuwen lang zo’n beeldbepalende rol zou spelen in het dorp.

Voorkeursrecht
In 1777, vijf jaar nadat Jan Jordaan Het Witte Paard had gekocht, zocht hij met vijf collega-fabriqueurs in het dorp wat meer zekerheid. Ze moesten hun van de boeren gekochte linnen in de open natuur bleken, maar op de dorpsbleek was vaak geen plaats, omdat alle inwoners van de buurschappen Haaksbergen en Honesch hier hun was konden bleken en drogen. Dat gebeurde al vanaf 17 augustus 1745 toen deze plek, aan de Buurserbeek bij de Morsinkhofsbrug, door het markebestuur van Haaksbergen en Honesch was bekeken en daags erna was ‘uitgesteeken’, dat wil zeggen was afgebakend met uitgestoken plaggen en tot dorpsbleek was ingericht. Het was een natuurbleek, die niet in de wintermaanden maar alleen in de zonnige en warmere maanden van april tot november werd gebruikt. Op deze bleek, die in de lengte doorsneden werd door sloten die gevoed werden met stromend water uit de Buurserbeek, werden de linnen doeken, soms met een lengte van wel vijftig meter, uitgespreid en voortdurend nat gehouden. De zes samenwerkende fabriqueurs bepleitten in 1777 bij het markebestuur een voorkeursrecht, dat voor twaalf jaar werd verleend. Dat betekende dat de bleek vooral voor de fabriqueurs was bestemd, maar ingezetenen van Haaksbergen en Honesch mochten nog wel ‘voor hun eigen selfs’ een stukje linnen daarop bleken:

In 1787 kon Jan zijn zaak vergroten, toen hij van de weduwe van Egbert van Nes het halve eigendom van het naastgelegen huis kocht, waarin hij zijn ververij uitbreidde. Om het linnengoed te kunnen glanzen, zette hij hier een kastenmangel neer. In 1793 werd de onderneming uitgebreid toen Jan de schuur achter zijn woonhuis renoveerde tot een weefhuis waar dagloners aan handweefgetouwen stoffen weefden, niet uitsluitend meer linnen, maar ook bombazijn, dat een gewaardeerd product van de Twentse textielnijverheid was geworden. Voor 450 gulden werd Jan Jordaan vele jaren later eigenaar van het laatste deel van het huis. Zijn nieuwe bezit werd omschreven als ‘een half huis met den Dijkgaarden, gelegen agter des koopers hof, van welk half huis de wederhelft reeds was toebehorende, alles staande en gelegen in Haaksbergen, naast het huis van den aankoper’.     

Om zich in te dekken voor slechtere tijden en misschien ook wel omdat hij als fabriqueur een toch wat saai leven leidde, begon Jan in Het Witte Paard een winkel. Het lijnzaad dat de boeren verbouwden voor het spinnen van vlas, kochten ze bij Jordaan. Je kon in Het Witte Paard ook terecht voor textiel (stukgoederen, kousen en broeken), kruidenierswaren, tabak, landbouwgereedschappen, aardewerk, huisraad, stenen, kalk en zaden. Ook brood leverde Jan, uit eigen bakkerij; boeren brachten de zelf verbouwde rogge en konden daarna ‘op afroep’  hun broden afhalen. Jan Jordaan had aan de Markt eigenlijk een ‘winkel van sinkel’, zoals later in de negentiende eeuw een Utrechts warenhuis waar je alles kon kopen, werd genoemd. Vrijwel niemand betaalde Jordaan contant, geld was schaars in die tijd en dus bloeide er een levendige ruilhandel op. Je kon je gekochte waren bijvoorbeeld ‘betalen’ met linnen stukgoederen, maar ook met klompen, schoenen, rogge of varkens. Sommige klanten werkten voor hun aankopen: gras maaien, koeien hoeden, turf steken.

Werkhuis
In maart 1782 moest Jan Jordaan als ‘penningmeester’ van de diaconie verantwoording afleggen over de ontvangsten en uitgaven van het jaar 1781, zoals uit kerkenraadnotulen blijkt. Er waren onkosten opgevoerd ‘wegens de opgerigte Koenspinnerij (bedoeld werd Katoenspinnerij) in het werkhuis’. Dat was volgens Dick Jordaan de eerste keer dat er in stukken melding werd gemaakt van het verwerken van katoen in Haaksbergen. Jan Jordaan, die tot directeur werd benoemd, was met twee andere diakenen, de fabriqueurs H.J. ten Raa en Hendrik Leppink, de oprichter van deze handkatoenspinnerij, die de diaconie financierde om arme dorpsgenoten aan een verdienste te helpen. Deze spinnerij heeft overigens maar enkele jaren bestaan. Het lijkt aannemelijk dat er te weinig emplooi en afzet was voor de producten en bovendien kwamen er langzamerhand spinmachines.
Velen zagen 1781 als het oprichtingsjaar van de firma Jordaan & Zonen. In 1956 werd dan ook met veel feestvertoon het 175-jarige bestaan gevierd. Als aanleiding werd aangegeven dat in het midden van de negentiende eeuw een kleinzoon van Jan Jordaan in het Consistorieboek van de Nederduits Gereformeerde  kerk van Haaksbergen de eerste vermelding van de spinnerij van de diaconie aantrof, in 1781 dus. Maar deze spinnerij had geen enkele relatie tot de particuliere activiteiten van Jan Jordaan en zijn navolgers, Jan Jordaan was slechts directeur omdat hij diaken was van de kerk.
Het bedrijf was negen jaar eerder, in 1772 dus, opgericht, toen Jan Jordaan Het Witte Paard kocht, waar hij zijn linnenhandel begon en uitbreidde en een schuur kocht om weefgetouwen neer te zetten. ‘In deze koop ligt eigenlijk de oorsprong van het bedrijf’, schreef Dick Jordaan in het gedenkschrift dat in 1956 verscheen. Het 175-jarige jubileum kwam dus negen jaar te laat. Maar ‘het jaar 1781 [werd] uit traditie als het oprichtingsjaar aangenomen en der traditie getrouw willen wij het 175-jarige bestaan dan ook in 1956 herdenken’, luidde de verantwoording. Maar de werkelijke reden was dat er in 1947 toen het feitelijke oprichtingsjaar 1772 had moeten worden gevierd, geen geld was voor festiviteiten. De Tweede Wereldoorlog was voorbij, maar de naweeën waren in de textielindustrie in Twente en de Achterhoek nog voelbaar, de productie kwam maar langzaam weer op gang. In elk geval was het niet de juiste tijd voor een groots feest. Dat werd dus uitgesteld tot 1956.





deValkenberg.nl